Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5695

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
200.163.755/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven. Alleenstaande ouderkop strekt in mindering op de kosten van het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.163.755/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/347552 / FL RK 13-1515)

beschikking van de familiekamer van 2 juli 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J. Boekhout, kantoorhoudend te Amersfoort,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.A.C. Nijhof-Top, kantoorhoudend te Zeewolde.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 24 april 2014 en 5 november 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 30 januari 2015;

- het journaalbericht van mr. Nijhof-Top van 20 april 2015 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- het journaalbericht van mr. Boekhout van 23 april 2015 met bijlagen, ingekomen op 24 april 2015;

- het journaalbericht van mr. Nijhof-Top van 23 april 2015 met bijlagen, ingekomen op 24 april 2015.

2.2

De vrouw heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting hebben zowel mr. Boekholt als mr. Nijhof-Top mede het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitnota respectievelijk notities.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 1997 met elkaar gehuwd.

3.2

Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn geboren:

- [de minderjarige1] , [in] 2002 (hierna te noemen: [de minderjarige1] ) en

- [de minderjarige2] , [in] 2004 (hierna te noemen: [de minderjarige2] ).

Sinds het uiteengaan van partijen hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Zutphen van 14 september 2005 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 20 september 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

Bij voormelde beschikking van 14 september 2005 is, overeenkomstig het door partijen op 6 september 2005 ondertekende echtscheidingsconvenant, aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] opgelegd van € 430,- per kind per maand.

3.5

Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 september 2010 is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

3.6

Bij beschikking van 20 september 2011 heeft het (toenmalige) hof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie afgewezen en de man veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

3.7

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 28 juni 2013 heeft de man verzocht: I de beschikking van de (toenmalige) rechtbank Zutphen van 14 september 2005 te wijzigen en te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , primair met ingang van 6 november 2008 (zijnde de datum vanaf wanneer de vrouw volgens de man rekening had kunnen houden dat de man nihilstelling van de kinderalimentatie wilde), subsidiair met ingang van 1 januari 2013, meer subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, op nihil wordt gesteld, althans een zodanig lager bedrag dan bepaald in voornoemde beschikking en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;

II te bepalen dat hetgeen de man in gevolge de nog te nemen beschikking teveel als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft betaald, door de man onverschuldigd is betaald, met de verplichting op de vrouw om aan de man terug te betalen hetgeen hij onverschuldigd heeft betaald, althans de bijdrageplicht van de man vanaf 6 november 2008, althans een in goede justitie te bepalen datum, te bepalen op hetgeen hij daadwerkelijk heeft betaald;

III deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.8

De vrouw heeft op 23 september 2013 een verweerschrift ingediend, dat tevens het zelfstandig verzoek inhoudt om de man te veroordelen in de proceskosten van het geding.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 5 november 2014 de verzoeken van partijen afgewezen.

4.2

De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 5 november 2014. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. Bij zijn beroepschrift heeft de man het hof verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair: de beschikking van 5 november 2014 te vernietigen voor zover het betreft de onderdelen welke ten deze door de grieven van de man zijn bestreden en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, de verzoeken van de man alsnog toe te wijzen en de beschikking van de (toenmalige) rechtbank Zutphen van 14 september 2005 te wijzigen en te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , primair met ingang van 6 november 2008, subsidiair met ingang van 1 januari 2013, meer subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, zijnde 26 juni 2013, op nihil wordt gesteld, althans een zodanig lager bedrag dan bepaald in voornoemde beschikking en met ingang van een zodanige datum als - zo begrijpt het hof - het hof juist acht;

subsidiair: te bepalen dat hetgeen de man in gevolge de nog te nemen beschikking teveel als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft betaald, door de man onverschuldigd is betaald, met de verplichting op de vrouw om aan de man terug te betalen hetgeen hij onverschuldigd heeft betaald, althans de bijdrageplicht van de man vanaf 6 november 2008, althans een in goede justitie te bepalen datum, te bepalen op hetgeen hij daadwerkelijk heeft betaald.

Bij akte, overgelegd bij journaalbericht van 23 april 2014, heeft de man zijn verzoeken in die zin gewijzigd dat het onderscheid tussen zijn primaire en subsidiaire verzoek is komen te vervallen en dat hij met betrekking tot de terugbetalingsverplichting het hof verzoekt te bepalen dat de vrouw binnen zeven dagen na de te geven beschikking het door de man onverschuldigde betaalde aan hem terugbetaalt.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man en de vrouw hebben op 6 september 2005 een echtscheidingsconvenant ondertekend waarin zij onder meer zijn overeengekomen dat de man een bedrag van € 430,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen. De man is van mening dat de omstandigheden gewijzigd zijn, als gevolg waarvan de aan hem opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet meer aan de wettelijk maatstaven voldoet en waardoor hij niet meer over de financiële middelen beschikt om de kinderalimentatie te voldoen. Het betreft volgens de man de volgende wijzigingen:

- de draagkracht van de man en wel op het punt van het inkomen van de man en zijn eventuele onderhoudsplicht jegens een ander kind;

- de draagkracht van de vrouw en wel op het punt van het inkomen van de vrouw;

- de zorgregeling;

- de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2015.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man voorts aangevoerd dat er onjuistheden staan in de beschikking van het hof van 20 september 2011, onder meer dat ten onrechte het jaar 2005 als refertejaar is aangenomen.

Inkomen man

5.2

Het hof heeft bij beschikking van 20 september 2011 het volgende overwogen.

"8. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in die zin dat de beschikking van 14 september 2005, waarbij - op basis van de afspraken die zijn neergelegd in het door partijen op 6 september 2005 ondertekende echtscheidingsconvenant - is bepaald dat de man gehouden is een bedrag van € 430,-- per kind per maand aan kinderalimentatie te betalen, ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

9. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de door de man overgelegde jaarstukken ter onderbouwing van zijn stelling, dat de inkomsten uit zijn bedrijf sterk zijn verminderd als gevolg van de economische crisis in de huizenmarkt, en die daardoor een negatief bedrijfsresultaat laten zien, niet maatgevend zijn, omdat behaalde resultaten sterk kunnen fluctueren, hetgeen inherent is aan het voeren van een onderneming en behoort tot het risico van de ondernemer.

Uit de door de man overgelegde jaarstukken 2010 blijkt namelijk dat een netto

winst is behaald van € 12.487,--, terwijl in 2009 nog sprake was van een

negatief bedrijfsresultaat.

10. Daar komt bij dat de man zijn stelling, dat hij door de verminderde inkomsten uit zijn bedrijf onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde kinderbijdrage te blijven betalen, onvoldoende nader met stukken heeft onderbouwd, nu hij heeft nagelaten de beschikbare belastingaanslagen over de jaren 2008 tot en met 2010 over te leggen. De man heeft door het enkel overleggen van belastingaangiftes onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn financiële situatie. De man heeft voorts nagelaten de definitieve jaarstukken over het jaar 2010 over te leggen.

11. De man heeft ter zitting van het hof nog een bewijsaanbod gedaan, inhoudende dat zijn accountant (telefonisch) zou kunnen bevestigen dat de belastingaanslagen 2008 tot en met 2010 conform de gedane aangiftes zijn. Gelet op de stand waarin het geding zich bevindt, oordeelt het hof het door de man gedane bewijsaanbod tardief en zal het worden gepasseerd. Tot dit oordeel draagt bij dat de man ingevolge artikel 2.1.1 van het toepasselijke procesreglement de belastingaangifte(n) al in een eerder stadium in het geding had dienen te brengen.

12. Wat er verder ook zij van de door de man aangevoerde daling van de resultaten uit zijn bedrijf, naar 's hofs oordeel kan niet gezegd worden dat een en ander een negatief effect heeft op de draagkracht van de man. Immers, uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man op 28 juli 2011 zijn nertsenfarm heeft verkocht voor een bedrag van (in totaal) ruim € 300.000,-- en dat hij met een deel van de opbrengst van die verkoop het pand aan de [a-straat] 9 (naast zijn eigen woning) heeft gekocht voor een bedrag van € 280.000,--. De man heeft ter zitting van het hof aangegeven dat hij, na de door hem aangekochte woning te hebben opgeknapt, verwacht de woning te kunnen doorverkopen met een winst van € 5.000,-- a € 10.000,-- en dat hij de woning tot het moment van verkoop wil gaan verhuren. Naar het oordeel van het hof dient de keuze van de man om de opbrengsten uit de verkoop van de nertsenfarm te investeren in onroerend goed met een onzekere prognose niet ten koste te gaan van zijn onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof zal er derhalve van uitgaan dat de man het bedrag van € 300.000,--, althans in elk geval een redelijk rendement daarvan, tot zijn beschikking heeft ter voldoening van de vastgestelde alimentatieverplichting.

13. Ten aanzien van de stelling van de man, dat hij het in het echtscheidingsconvenant genoemde bedrag van € 430,-- dat hij aan kinderalimentatie zou moeten betalen op basis van zijn inkomsten (in 2005) helemaal niet kon betalen en dat voornoemd bedrag derhalve veel te hoog was, merkt het hof het volgende op.

Voor zover de man heeft willen stellen dat de in het echtscheidingsconvent genoemde alimentatieafspraken zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, passeert het hof deze stelling, nu op grond van de beschikbare stukken en hetgeen partijen hierop ter aanvulling hebben aangevoerd niet kan worden afgeleid hoe de afspraken, zoals die zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant, tot stand zijn gekomen.

14. Het hof is, op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, van oordeel dat de man in staat moet worden geacht de bij beschikking van 14 september 2005 vastgestelde kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van € 430,-- per kind per maand te kunnen blijven voldoen."

5.3

De man heeft in de onderhavige procedure gesteld dat het hof destijds ten onrechte 2005 als refertejaar heeft aangenomen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man een verklaring van zijn accountant overgelegd, waarin de accountant verklaart dat ten tijde van de ondertekening van het convenant op 6 september 2005 de jaarrekening over het jaar 2005 nog niet opgesteld was. Het hof heeft deze stelling van de man zo begrepen dat hij een beroep doet op artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek en stelt dat de overeenkomst aangaande de kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het hof constateert dat de vrouw ter terechtzitting heeft aangegeven dat de bij het echtscheidingsconvenant door partijen overeengekomen kinderalimentatie op een bedrag van € 430,- per kind per maand is afgesproken waarbij zij heeft afgezien van haar eventuele aanspraken op partneralimentatie. Voor de kinderen is toen een passend bedrag overeengekomen. De man heeft dit niet weersproken. Gelet hierop gaat het hof er vanuit dat partijen bij het bepalen van de kinderalimentatie kennelijk bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, zodat voor een verdere beoordeling van eventuele grove miskenning van de wettelijke maatstaven geen plaats is. De man heeft voorts verzocht om wijziging van de overeengekomen kinderbijdrage op grond van gewijzigde omstandigheden aan zijn zijde en aan de zijde van de vrouw. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het inkomen van de man

5.4

Uit de stukken is gebleken dat de man in 2011 zijn nertsenfarm heeft verkocht voor een bedrag van (in totaal) ruim € 300.000,- en dat hij met een deel van de opbrengst van de verkoop van de nertsenfarm een pand aan de [a-straat] 9 te [A] heeft gekocht voor een bedrag van € 280.000,-. Het hof heeft bij beschikking van 20 september 2011 ten aanzien hiervan overwogen dat de keuze van de man om de opbrengsten uit de verkoop van de nertsenfarm te investeren in onroerend goed met een onzekere prognose niet ten koste dient te gaan van zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen.

5.5

Thans is gebleken dat de man na voormelde beschikking van het hof opnieuw een vergelijkbare keuze heeft gemaakt. De man heeft immers in 2013 het pand aan de [a-straat] 9 verkocht aan zijn vader voor een bedrag van € 230.000,- (derhalve met een verlies van € 50.000,-) en van de opbrengst een perceel grond aan de [b-straat] 22 te [A] gekocht voor een bedrag van € 190.000,-. De man heeft verklaard dat hij bij de gemeente een verzoek tot gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan heeft ingediend, zodat er op dit perceel een woning gebouwd mag worden waardoor de waarde van het perceel zal stijgen en hij het perceel vervolgens met winst kan verkopen. Het hof stelt op grond hiervan vast dat de man, nadat hij reeds verlies had geleden op de verkoop van het pand aan de [a-straat] 9 en nadat hij reeds bij beschikking van het hof van 20 september 2011 er op was gewezen dat een dergelijke keuze niet ten koste mag gaan van de onderhoudsverplichting jegens de kinderen, opnieuw heeft geïnvesteerd in een perceel grond met een onzekere prognose. Het hof is van oordeel dat het de man weliswaar vrij staat om te kiezen hoe hij zijn gelden besteedt, maar het hof is ook in dit geval van oordeel dat een dergelijke keuze niet ten koste mag gaan van de onderhoudsverplichting jegens de kinderen. De man heeft ten aanzien van deze keuze aangevoerd dat het noodzakelijk was om te investeren in onroerende goederen om zodoende met het rendement van de investeringen zijn bijdrage voor de kinderen te kunnen voldoen.

5.6

Volgens de man is het aan- en verkopen van onroerend goed een wezenlijk onderdeel van zijn bedrijfsvoering als makelaar. Deze activiteiten zouden ervoor zorgen dat hij meer productie maakt en zijn kennis als makelaar up to date houdt. Als hij deze activiteiten niet meer zou uitoefenen, zou hem dat tot 80% van zijn klandizie schelen, aldus de man. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van het hof is het van cruciaal belang of deze investeringen privé of zakelijk zijn gedaan en heeft de man onvoldoende aangetoond dat alle investeringen en daaruit voortvloeiende opbrengst / verlies zakelijke posten zijn.

5.7

Zoals hiervoor reeds vermeld heeft de man van de opbrengst van de verkoop van het pand aan de [a-straat] 9 (te weten € 230.000,-) het perceel grond aan de [b-straat] 22 gekocht voor € 190.000,-. Uit de jaarstukken valt echter niet te herleiden hoe de man het resterende bedrag van € 40.000,- heeft besteed. Voor zover de man heeft aangevoerd dat hij dit bedrag heeft aangewend om schulden af te lossen, is het hof van oordeel dat de man dit niet met bewijsstukken heeft aangetoond. Daarbij komt dat de man niet van alle jaren de jaarstukken heeft overgelegd en de jaarstukken die wel zijn overgelegd niet volledig zijn (zo ontbreken de onderliggende stukken op grond waarvan het resultaat wordt bepaald). Hierdoor heeft het hof geen inzicht kunnen krijgen in de wijze waarop de winst- en verliesrekening is opgebouwd. Het hof kan derhalve niet vaststellen of het in de jaarstukken over het jaar 2013 vermelde negatieve resultaat van € 53.157,-, welk resultaat substantieel afwijkt van de jaren 2011 en 2012, in het kader van het bepalen van de onderhoudsplicht van de man als uitgangspunt dient te gelden. In de jaarstukken 2013 lijken boekhoudkundige constructies te zijn toegepast waardoor niet duidelijk is wat het daadwerkelijke behaalde resultaat van de onderneming is.

5.8

Daarbij komt dat de man ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat hij het perceel grond aan de [b-straat] 22 heeft doorverkocht, maar niet geleverd aan een collega om zodoende te voorkomen dat de vrouw beslag kon laten leggen op het perceel en dat er vermogen zou verdwijnen. Het hof constateert dat er derhalve sprake is van een schijnconstructie en niet van een daadwerkelijke verkoop.

Onderhoudsplicht jegens derde kind

5.9

De man heeft voorts als wijziging van omstandigheden aangevoerd dat [in] 2012 [C] (hierna: [C] ) is geboren en dat hij als onderhoudsplichtige kan worden aangesproken, waardoor zijn draagkracht over drie kinderen verdeeld dient te worden in plaats van twee kinderen.

5.10

Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep heeft de man verklaard dat de moeder van [C] haar verzoek tot het vaststellen van een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [C] , heeft ingetrokken. Bovendien staat volgens de man niet vast dat hij de verwekker is van [C] . Nu niet vaststaat dat de man op dit moment verplicht is tot het betalen van kinderalimentatie voor [C] , is het hof van oordeel dat dit thans niet als relevante wijziging van omstandigheden kan worden aangemerkt.

Inkomen vrouw

5.11

In artikel 3.24 van het echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat wanneer de vrouw eigen inkomsten gaat genieten uit arbeid, deze inkomsten, zolang de kinderen minderjarig zijn, voor de man geen grond zullen vormen voor verlaging van de vastgestelde kinderalimentatieregeling.

5.12

De man heeft aangevoerd dat dit beding op gespannen voet staat met het bepaalde in artikel 1:404 BW en 1:247 BW, inhoudende dat beide partijen verplicht zijn om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. De man is daarom van mening dat het beding niet in stand kan blijven. Hij voert hierbij voorts aan dat hij het convenant onder grote druk heeft getekend; volgens de man zou hij van de vrouw zijn kinderen pas weer mogen zien als er duidelijke afspraken waren vastgelegd.

De man stelt verder dat het inkomen van de vrouw in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van het hof van 20 september 2011, niet is getoetst. De vrouw heeft volgens de man in eerste aanleg erkend dat zij heeft gesolliciteerd op een fulltime baan en dat zij geen tijd heeft om de kinderen van school op te halen omdat haar werkzaamheden in de kraamzorg zijn toegenomen. Hieruit leidt de man af dat de inkomsten van de vrouw zijn gestegen. De man stelt dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij haar verdiencapaciteit volledig benut en dat haar verdiencapaciteit minimaal € 25.000,- bruto per jaar is. Als zij haar verdiencapaciteit volledig zou benutten, zou de vrouw volgens de man naar evenredigheid van haar inkomen een bijdrage kunnen leveren in de kosten van de kinderen.

5.13

Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn in het convenant overeengekomen dat het inkomen van de vrouw geen grond zou vormen voor verlaging van de overeengekomen kinderalimentatie. De man doet thans een beroep op de wettelijke maatstaven, van welke maatstaven partijen kennelijk bij voornoemd beding bewust zijn afgeweken. Het hof ziet in het door de man aangevoerde dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het beding niet in stand kan blijven. Daarbij komt dat de man naar het oordeel van het hof ook in hoger beroep onvoldoende heeft aangetoond dat het inkomen van de vrouw is toegenomen.

Zorgregeling

5.14

De man heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de zorgregeling is gewijzigd en dat de kinderen thans om de week bij hem verblijven, waarbij de man de kinderen haalt en brengt. Voorts stelt de man dat hij voor de kinderen de kosten voor kleding, hobby's en school betaalt. De man is daarom van mening dat een zorgkorting van 50% toegepast dient te worden.

5.15

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de kinderen vanaf 23 januari 2015 om de week bij de man verbleven, maar dat die regeling niet goed verliep en dat sinds begin mei 2015 de oude zorgregeling weer geldt, inhoudende dat de kinderen eenmaal per veertien dagen een weekend bij de man verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.

5.16

Het hof overweegt als volgt. De man heeft ter zitting in hoger beroep betwist dat de gewijzigde zorgregeling pas vanaf 23 januari 2015 zou gelden en heeft gesteld dat de kinderen reeds in 2014 om de week bij hem verbleven. De man heeft bovendien ontkend dat sinds begin mei 2015 de oude regeling weer geldt. Nu partijen verschillen van mening over de vraag welke zorgregeling voor 23 januari 2015 heeft gegolden en welke regeling vanaf mei 2015 geldt, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een bestendige wijziging van omstandigheden. Voor zover er een wijziging in de zorgregeling zou blijken, is het hof van oordeel dat deze wijziging nog zeer pril is en dat de man onvoldoende heeft aangetoond tot welke verandering in de kosten dit heeft geleid.

Wijzigingen per 1 januari 2015

5.17

De man heeft verder als wijziging van omstandigheden aangevoerd dat de vrouw vanaf 1 januari 2015 meer kindgebonden budget zal ontvangen (in verband met de zogeheten alleenstaande ouderkop). Dit betekent volgens de man dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen dient te worden verlaagd, omdat de huidige bijdrage van € 507,26 per kind per maand de behoefte overschrijdt en derhalve niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

5.18

Het hof overweegt als volgt. Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen in werking getreden. De alleenstaande oudertoeslag in de bijstand, de alleenstaande ouderkorting in de Wet Inkomstenbelasting en het fiscaal voordeel bij het betalen van kinderalimentatie zijn daarbij komen te vervallen. Inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders vindt vanaf 1 januari 2015 plaats op dezelfde, uniforme wijze door middel van een alleenstaande ouderkop van maximaal € 3.050,- per jaar te ontvangen in het kindgebonden budget. Dit alles leidt ertoe dat het kindgebonden budget dat na 1 januari 2015 wordt ontvangen, aanzienlijk hoger kan zijn dan het budget dat tot 1 januari 2015 werd ontvangen. De expertgroep Alimentatienormen beveelt aan om dit totale kindgebonden budget in mindering te doen strekken op de kosten van het kind.

5.19

Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding af te wijken van deze aanbeveling. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat de alleenstaande ouderkop - die gerelateerd is aan het huidige inkomen van de vrouw - de andere toeslagen vervangt, hetgeen kan leiden tot minder inkomen, overweegt het hof als volgt. Het mogelijk verlies aan een toeslag die ertoe dient om te voorkomen dat het inkomen van een uitkeringsgerechtigde, in dit geval de vrouw, tot onder het sociaal minimum daalt, doet niet, althans onvoldoende af aan de omstandigheid dat de vrouw over een kindgebonden budget beschikt dat speciaal is bestemd voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en met welk budget dus bij de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] rekening gehouden dient te worden.

5.20

Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van de kinderen met ingang van 1 januari 2015 € 507,26 per kind per maand bedragen, derhalve € 507,26 x 2 = € 1.014,52 in totaal per maand. De vrouw heeft in hoger beroep verklaard dat zij vanaf 1 januari 2015 naast het kindgebonden budget dat zij in 2014 ontving, een bedrag van € 3.050,- ontvangt (de alleenstaande ouderkop). Uit de aan het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 19 maart 2014 gehechte berekening van de vrouw, leidt het hof af dat de vrouw in 2014 een bedrag van € 128,- per maand aan kindgebonden budget ontving. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van dit bedrag. Op grond van deze bedragen zal de vrouw in 2015 maandelijks € 128,- + ( € 3.050,- / 12 = € 254,17) = € 382,17 ontvangen. De resterende behoefte bedraagt derhalve in totaal € 1.014,52 - € 382,17 / 2 = € 316,18 per kind per maand. Nu partijen in het echtscheidingsconvenant overeen zijn gekomen dat indien de vrouw eigen inkomsten uit arbeid gaat genieten, dit geen grond vormt voor verlaging van de door partijen vastgelegde kinderalimentatie (inhoudende dat de man € 430,- per kind per maand zal betalen), dient de volledige resterende behoefte door de man te worden voldaan. Zoals hierboven overwogen, is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de draagkracht van de man is gewijzigd. Het hof gaat er dan ook van uit dat de man nog altijd € 430,- per kind per maand kan betalen en daarom ook in de resterende behoefte van € 316,18 per kind per maand kan voorzien.

5.21

Nu naar het oordeel van het hof niet is gebleken van een bestendige wijziging in de zorgregeling en derhalve de oorspronkelijke regeling, waarbij de kinderen om de week een weekend bij de man verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, als uitgangspunt heeft te gelden, heeft de man recht op een zorgkorting van 25%, derhalve (25% van € 316,18) € 79,05. Als bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] resteert derhalve een bedrag van € 316,18 - € 79,05 = (afgerond) € 237,- per kind per maand. Het hof zal dan ook bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 237,- per kind per maand dient te betalen.

Terugbetalingsverplichting

5.22

De man heeft in hoger beroep verzocht te bepalen dat hetgeen hij ingevolge de door het hof te nemen beschikking teveel als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft betaald, onverschuldigd is betaald en de vrouw te verplichten om aan hem terug te betalen hetgeen hij onverschuldigd heeft betaald, althans de bijdrageplicht van de man vanaf 6 november 2008, althans een in goede justitie te bepalen datum, te bepalen op hetgeen hij daadwerkelijk heeft betaald.

5.23

De vrouw heeft in hoger beroep een overzicht van het LBIO van 13 april 2015 overgelegd, waaruit blijkt dat de man een betalingsachterstand heeft van € 18.758,52.

5.24

Ter zitting in hoger beroep heeft de man erkend dat hij vanaf maart 2013 geen kinderalimentatie meer heeft voldaan. Het hof stelt dan ook vast dat door de forse achterstand in het betalen van de bijdragen door de man, voor de vrouw geen terugbetalingsverplichting zal ontstaan als gevolg van het vaststellen van een lagere bijdrage per 1 januari 2015.

Proceskosten

5.25

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

5.26

Nu er vanaf 1 januari 2015 sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden en het verzoek van de man derhalve deels zal worden toegewezen, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Derhalve zal het hof, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5.27

Gelet op het voorgaande behoeven de grieven voor het overige geen bespreking meer.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 5 november 2014, voor de periode tot 1 januari 2015;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 5 november 2014, voor zover het betreft de periode vanaf 1 januari 2015, en in zoverre opnieuw beslissende;

wijzigt de beschikking van de (toenmalige) rechtbank Zutphen van 14 september 2005 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2002, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2004, € 237,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. W. Foppen en mr. A.H. Garos, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2015 in bijzijn van de griffier.