Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5668

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
200.133.888
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3201, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3201; bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet-betaling van deelbare koopprijs aandelentransactie in verband met medekopers en eigen kopersaandeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1430
INS-Updates.nl 2015-0245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.888

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 322074)

arrest van de tweede kamer van 28 juli 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.C. Heuving,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

niet in hoger beroep verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 9 september 2012 (in het vrijwaringsincident en tot een comparitie) en van 19 juni 2013 (verder: het eindvonnis) die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in de hoofdzaak heeft gewezen tussen [appellant] als een der gedaagden in conventie (naast de toen niet verschenen [gedaagde] ), tevens eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie. Het eindvonnis is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3201.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 september 2013,

- de verstekverlening tegen [geïntimeerde] ,

- de memorie van grieven tevens (wijziging van de grondslag van de) eis in reconventie met producties.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Het hof houdt geen rekening met de in de overgelegde stukken opgenomen akte overlegging producties van [geïntimeerde] d.d. 18 januari 2012 aangezien deze akte dateert van voor de inleidende dagvaarding d.d. 15 maart 2012, tevens is gericht tegen twee vennootschappen en waarvan de rechtbank in het procesverloop geen melding heeft gemaakt.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 3.1 tot en met 3.9 van het eindvonnis, met dien verstande dat, anders dan in rov. 3.1 en 5.8 van het eindvonnis vermeld, [appellant] niet 100% maar 95% van de aandelen van [de vennootschap 1] (verder: [de vennootschap 1] ) bezat. Aan de vaststaande feiten wordt verder toegevoegd dat [de holding] (verder: [de holding] ), [gedaagde] en [de vennootschap 1] inmiddels alle in staat van faillissement zijn verklaard.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Deze zaak van bestuurdersaansprakelijkheid gaat in het kort over het volgende.

[geïntimeerde] heeft bij overeenkomst van 18 augustus 2010 haar aandelen in [de vennootschap 2] (verder: [de vennootschap 2] , later genaamd: [bedrijfsnaam]
) verkocht voor 20% aan [de vennootschap 1] , bestuurd door [appellant] , en voor 80% aan [de holding] , bestuurd door [gedaagde] , voor een koopprijs van € 7.278,24 per aandeel, derhalve € 1.310.084, een en ander in drie jaar te voldoen in vier termijnen van elk € 240.825 en een slottermijn van € 346.784. Bij akte van levering van 23 augustus 2010 zijn de aandelen aan [de vennootschap 1] en [de holding] overgedragen en is de koopprijs omgezet in een geldlening met dezelfde termijnen. Op diezelfde datum heeft [de vennootschap 2] , tevens 80% aandeelhouder van [het bedrijf] , van [geïntimeerde] de aandelen gekocht in haar drie overige dochtervennootschappen, tevens werkmaatschappijen ( [werkmaatschappij 1] , [werkmaatschappij 2] en [werkmaatschappij 3] ). [de vennootschap 1] en [de holding] zijn bij gewijsden van 23 mei 2011 en 21 november 2012 hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de eerste en tweede respectievelijk de derde en vierde leningstermijn. Zij hebben hieraan niet voldaan. Uiteindelijk zijn met uitzondering van [geïntimeerde] al deze vennootschappen alsmede [gedaagde] gefailleerd.

4.2

[geïntimeerde] heeft van [appellant] en [gedaagde] onder wijziging van eis in conventie hoofdelijk schadevergoeding gevorderd wegens bestuurdersaansprakelijkheid.

[geïntimeerde] grondt dit op het volgende.

Bij de totstandkoming van de koopovereenkomst wisten [appellant] en [gedaagde] , althans behoorden zij redelijkerwijs te weten, dat [de vennootschap 1] en [de holding] de betalingsverplichting niet zouden (kunnen) nakomen en geen verhaal bieden voor de als gevolg daarvan door [geïntimeerde] te lijden schade. Verder hebben zij in ieder geval bewerkstelligd dat deze vennootschappen hun betalingsverplichtingen niet nakwamen en dat (nagenoeg) alle verhaalsmogelijkheden aan [geïntimeerde] zijn onttrokken. [appellant] / [de vennootschap 1] zou het dagelijks bestuur van de overgenomen werkmaatschappijen op zich nemen om deze te laten floreren. [appellant] en [gedaagde] hebben [geïntimeerde] met valse informatie toegezegd zorg te dragen voor de nodige kapitaalinjecties in de betreffende vennootschappen, waartoe aan [geïntimeerde] documenten zijn verstrekt om aan te tonen dat [gedaagde] belang en zeggenschap had in [de stichting] met een omvangrijk kapitaal van de familie [gedaagde] , dat kapitaalinjecties of garantievermogen daarvoor kon bieden. Bovendien heeft [appellant] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij in privé over (een vergoeding wegens ontbinding van een eerder dienstverband van) € 450.000 bruto beschikte. Ter wille van de financiering van de werkmaatschappijen heeft [geïntimeerde] ingestemd met betaling van de koopprijs in termijnen. De in het vooruitzicht gestelde financiële middelen zijn echter niet ter beschikking van de vennootschappen gekomen. Op onverklaarbare en onnodige wijze zijn [werkmaatschappij 1] en [werkmaatschappij 2] en later [werkmaatschappij 3] en [bedrijfsnaam] gefailleerd. [appellant] en [gedaagde] hebben met hun handelwijze verder bewerkstelligd dat de door [geïntimeerde] krachtens de overeenkomst bedongen zekerheidsrechten (bezitloze pandrechten op aandelen, activa en debiteuren) waardeloos zijn, nu de werkmaatschappijen door toedoen van [geïntimeerde] en [gedaagde] zijn gefailleerd en uit navraag bij de curator is gebleken dat de activa tegen schrootwaarde werden vervreemd.

Dit gedrag is zodanig onzorgvuldig dat [appellant] en [gedaagde] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [appellant] is hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade.

4.3

[appellant] heeft hiertegenover het volgende aangevoerd.

[appellant] / [de vennootschap 1] was aanvankelijk benaderd om te assisteren en te adviseren bij een advies- en due diligencetraject voor de verkoop van de aandelen van [de vennootschap 2] en de daaraan gelieerde ondernemingen. Daarvoor is [gedaagde] aangetrokken als investeerder/grote financier, die ook de voor [de vennootschap 1] bestemde 20% van de aandelen zou financieren en wel om niet vanwege haar netwerk en sectorspecifieke kennis. [appellant] heeft er op vertrouwd dat [de holding] daartoe in staat was op basis van een aanzienlijk familiekapitaal (van meer dan € 100.000.000) in [de stichting] waarvan hij de hem overgelegde balans heeft voorgehouden aan [geïntimeerde] . Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst had [de vennootschap 1] , een succesvolle managementvennootschap met voldoende inkomsten, de mogelijkheid om haar eigen termijnen van in totaal € 262.016,64, gespreid over drie jaar, te voldoen, zeker gezien de doorgerekende mogelijkheid om winst te boeken in de onderneming met de nieuw verworven werkmaatschappijen. Zij is niet hoofdelijk verbonden tot betaling van het aandeel van [gedaagde] in de koopprijs noch tot betaling van diens schadevergoedingsverplichting.

4.4

In de hoofdzaak heeft de rechtbank op vordering van [geïntimeerde] in conventie [appellant] tezamen met [gedaagde] wegens bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ter grootte van de vijf leningstermijnen, vermeerderd met rente, beslag- en proceskosten en onder afwijzing van het in reconventie gevorderde.

De rechtbank heeft daartoe in haar eindvonnis (rov. 5.8 en 5.9) bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant] aanwezig geoordeeld op de gronden dat [appellant] , die als enig bestuurder de volledige zeggenschap over [de vennootschap 1] had, zijn stelling niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst wist noch behoorde te weten dat [de vennootschap 1] niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden voor de ingevolge die wanprestatie door [geïntimeerde] te lijden schade, terwijl hij vóór het sluiten van de koopovereenkomst heeft toegezegd dat [de vennootschap 1] zelfstandig over voldoende liquide middelen beschikte om aan haar uit de koopovereenkomst voortvloeiende verbintenissen te voldoen en daarbij aan [geïntimeerde] heeft kenbaar gemaakt in privé over (een vergoeding wegens ontbinding van een eerder dienstverband van) € 450.000 bruto te beschikken, van welke financieringsmogelijkheid [de vennootschap 1] gebruik kon maken. Tegen dit oordeel richt [appellant] zijn grieven I en II.

Verder heeft de rechtbank in haar eindvonnis (rov. 5.12) geoordeeld dat [appellant] en [gedaagde] ingevolge artikel 6:102 lid 1 BW hoofdelijk zijn verbonden tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade. Tegen dit oordeel richt [appellant] zijn voorwaardelijke grief III.

Tegen de afwijzing van de vorderingen in reconventie richt [appellant] zijn grief IV.

4.5

Allereerst moet worden onderzocht of [de vennootschap 1] hoofdelijk aansprakelijk was voor de gehele koopprijs, omgezet in een lening, en wat dit voor een eventuele bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant] betekent.

De verkoopovereenkomst duidt [de holding] en [de vennootschap 1] aan als kopers, vermeldt in artikel 1 lid 1 de verkoop van 80% van de aandelen aan de eerste en 20% van de aandelen aan de tweede tegen een volgens artikel 2 lid 1 bepaalde koopprijs van € 7.278,24 euro per aandeel en in totaal van € 1.310.084. Deze prestatie is ingevolge artikel 6:6 lid 1 BW in beginsel deelbaar en wel voor de ongelijke delen van 80 en 20%. Uit de koopovereenkomst blijkt niet expliciet van hoofdelijkheid. Hetzelfde geldt voor de leveringsakte waarbij de verplichting tot betaling van de koopprijs werd omgezet in een geldlening.

Weliswaar zijn [de vennootschap 1] en [de holding] bij gewijsden van 23 mei 2011 en 21 november 2012 hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de eerste vier leningstermijnen, zodat daaraan tussen die partijen bindende kracht toekomt van de hoofdelijk aansprakelijkheid van [de vennootschap 1] en [de holding] , maar dit gezag van gewijsde kan niet worden tegengeworpen aan [appellant] die nu als derde wegens bestuurdersaansprakelijkheid in rechte wordt betrokken. Hem komt dan immers als hoofdelijk aansprakelijk bestuurder/schuldenaar tegenover [geïntimeerde] als schuldeiser het verweermiddel toe dat [de vennootschap 1] zich niet bij contract hoofdelijk had verbonden. Verder neemt een dergelijk gewijsde ook niet weg dat [appellant] destijds op grond van het in de tweede alinea overwogene in redelijkheid niet bedacht behoefde te zijn op hoofdelijke aansprakelijkheid van [de vennootschap 1] voor het na deelbaarheid resterende deel van de schuld van [de holding] . Bij de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant] moet er dus van worden uitgegaan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij [de vennootschap 1] enkel verbond tot betaling van haar aandeel van 20% ofwel € 262.016,64. Daarom is in beginsel niet van belang hoe [appellant] verwachtte dat [de holding] haar aandeel van 80% zou financieren, maar wel voor zover hij die financiering (mede) betrok op Knowledge Peoples aandeel van 20%. Wat betreft dit laatste aspect heeft [geïntimeerde] echter niet gesteld en is evenmin gebleken dat [appellant] bij het aangaan van de koopovereenkomst wist dan wel redelijkerwijze behoorde te weten;

- dat [gedaagde] c.q. [de holding] onvoldoende zeggenschap had over het vermogen van de familiestichting om daaruit middelen voor de koopprijs/lening dan wel financiering van de werkmaatschappijen te verkrijgen noch

- dat de vooraf aan [geïntimeerde] overhandigde balans van [de holding] per 31 december 2009 onjuist was dan wel geen getrouw beeld gaf.

Het kan daarom hierna alleen nog maar gaan over bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant] voor de enkele verplichting van [de vennootschap 1] tot betaling van het bedrag van € 262.016,64.

In zoverre slaagt grief I.

4.6

Voor de inhoudelijke beoordeling hiervan verwijst het hof allereerst naar het (standaard-) arrest HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627:

“4.2 (…) Daarbij wordt het volgende vooropgesteld.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21).

4.3

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie onder meer HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/[C]), geval (i)). In de kern houdt dit zogenoemde “Beklamelcriterium” de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.”

4.7

Wat betreft de stelplicht en bewijslastverdeling oriënteert het hof zich op het arrest HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393:

“3.5. (…) Deze klacht gaat ervan uit dat in een geval als het onderhavige, waarin degene die met een vennootschap heeft gecontracteerd en schade lijdt ten gevolge van haar wanprestatie, deswege verhaal zoekt op degene die als enig directeur, tevens enig aandeelhouder volledige zeggenschap over die vennootschap heeft, een 'bijzondere regel' als bedoeld in art. 177 Rv. geldt, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs dat hij ten tijde van het aangaan van de door de vennootschap niet nagekomen overeenkomst wist noch behoorde te weten dat zij niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden.

(…)

Het onderdeel is echter tevergeefs voorgesteld, nu het bestaan van een bijzondere regel van zo algemene strekking niet kan worden aanvaard.

(…)

Bij de beoordeling van deze onderdelen moet worden vooropgesteld dat — ook al geldt niet een bijzondere regel als in onderdeel III van het middel verdedigd — zich niettemin gevallen kunnen voordoen waarin het zozeer voor de hand ligt dat degeen die de volledige zeggenschap had over de vennootschap, wordt belast met het bewijs dat hij ten tijde van het aangaan van de door de vennootschap niet nagekomen overeenkomst wist noch behoorde te weten dat zij niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden, dat, indien de rechter niettemin de verhaal zoekende eiser belast met het bewijs van het tegendeel, hij behoort te preciseren welke bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen. Van zulk een geval zal onder meer sprake zijn indien aannemelijk is dat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst de vennootschap zelf niet, althans niet in voldoende mate over financiële middelen beschikte om aan haar verplichtingen uit die overeenkomst te voldoen en wat dat betreft afhankelijk was van haar daartoe door een andere, door haar beheerste vennootschap ter beschikking te stellen middelen.”

4.8

[appellant] heeft betwist dat [de vennootschap 1] in de loop van de eerste drie jaar na de koop niet over de financiële middelen beschikte om de lening termijnen (€ 262.016,64) te voldoen.

Voor zover [appellant] hierbij heeft gedoeld op de vermogenspositie van [de vennootschap 1] heeft hij deze betwisting onvoldoende gemotiveerd. Hij heeft immers niet, zoals van hem als bestuurder tevens grootaandeelhouder mocht worden verwacht, aan de hand van enige jaarrekening gedocumenteerd uiteengezet dat [de vennootschap 1] tot betaling van dit bedrag in termijnen in staat zou zijn.

Voor zover [appellant] het oog heeft op een door [de vennootschap 1] te verwerven inkomensstroom uit de aangekochte vennootschappen heeft hij niet gedocumenteerd uiteengezet waarop hij deze destijds heeft geprognosticeerd. Dit had wel van hem mogen worden verwacht aangezien, naar hij zelf erkent, de groep ruim voor zijn komst een negatieve waarde had en in grote financiële moeilijkheden verkeerde (zie ook het rapport Waardering & Verkoop van [geïntimeerde] ; productie 10 bij memorie van grieven), twee werkmaatschappijen ( [werkmaatschappij 3] en [werkmaatschappij 2] ) in surséance verkeerden en de hele groep in gevaar verkeerde wegens de onderlinge onttrekkingen en het schuiven met risico’s. Onder die gegeven omstandigheden had het op [appellant] ’ weg gelegen om inzichtelijk te maken hoe de verwachte kapitaalinjecties en doorstartmogelijkheden met redding van de werkzaamheden voldoende geld zouden gaan opleveren opdat [de vennootschap 1] uit die geldstroom, waartoe zij overigens slechts voor 20% was gerechtigd, haar aandeel in de koopprijs kon voldoen. Daartoe is de overlegging van het Restructuring Plan 2010 (productie 11 bij memorie van grieven) al onvoldoende omdat dit geen inzicht geeft in de te verwachten cashflow. Ook verder heeft [appellant] een behoorlijke cijfermatige onderbouwing achterwege gelaten.

Daarom staat als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat [de vennootschap 1] ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst zelf niet, althans niet in voldoende mate, over financiële middelen beschikte of zou gaan beschikken om aan haar verplichtingen uit die overeenkomst te voldoen en wat dat betreft afhankelijk was van haar daartoe door een ander ter beschikking te stellen middelen.

4.9

[appellant] was enig bestuurder van en hield 95% van de aandelen in [de vennootschap 1] . Nu omtrent het 5% aandeelhouderschap van [appellant] ’ echtgenote [de echtgenote] niets naders is gesteld, komt dit er in feite op neer dat [appellant] de volledige zeggenschap had.

Dan ligt het voor de hand dat [appellant] met in feite de volledige zeggenschap over [de vennootschap 1] wordt belast met het bewijs dat hij ten tijde van het aangaan van de door [de vennootschap 1] niet nagekomen overeenkomst wist noch behoorde te weten dat zij niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden. Bijzondere omstandigheden welke niettemin rechtvaardigen dat de verhaal zoekende [geïntimeerde] zou moeten worden belast met het bewijs van het tegendeel, zijn niet aangevoerd en heeft het hof evenmin aangetroffen.

[appellant] wijst er terecht op dat dit een en ander alleen geldt voor het geval de verhaal zoekende [geïntimeerde] voldoende heeft gesteld, hetgeen volgens [appellant] niet het geval is. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] echter wat betreft [appellant] ’ wetenschap blijkens zijn hiervoor in rov. 4.2 samengevatte standpunt voldoende gesteld voor aansprakelijkheid van [appellant] als bestuurder van [de vennootschap 1] . Dat [de vennootschap 1] niet zou kunnen nakomen noch verhaal bieden zonder financiële ondersteuning moet [appellant] als haar bestuurder tenminste redelijkerwijs hebben geweten.

De bewijslastverdeling door de rechtbank is dus juist en grief II is vergeefs voorgesteld.

4.10

Bij gebrek aan eigen vermogen of een voldoende eigen inkomensstroom in [de vennootschap 1] komen de door [appellant] verwachte externe financieringsmogelijkheden aan de orde, eerst die door [de holding] , verderop die door [appellant] zelf.

4.11

Wat betreft [de holding] staat tussen partijen het volgende vast.

[de holding] is voor de overname van de aandelen aangetrokken als participant en grote financier. Zij zou zorg dragen voor de benodigde kapitaalinjecties in de werkmaatschappijen. Aan [geïntimeerde] is voorgehouden dat zij, respectievelijk [gedaagde] belangen/vermogen en/of zeggenschap had in [de stichting] die het familiekapitaal beheerde van zo’n € 100.000.000, dat als onderpand of garantievermogen zou kunnen dienen voor externe financieringen ten behoeve van de werkmaatschappijen. [appellant] heeft deze financiële informatie, voorzien van de balansen van de stichting per 19 juli 2010 en van [de holding] per 31 december 2009, per e-mail van 28 juli 2010 aan [geïntimeerde] doorgesluisd. Later is echter aan [geïntimeerde] en [appellant] gebleken dat [gedaagde] geen enkel belang en/of zeggenschap had in de Stichting en niet kon beschikken over vermogen/gelden uit de Stichting, zodat de toezegging zorg te dragen voor kapitaalinjecties niet werd waargemaakt, en dat de balans van [de holding] per 31 december 2009 geen getrouw beeld schetste van haar daadwerkelijke financiële positie, welke betaling niet toeliet.

4.12

Volgens [geïntimeerde] hebben [appellant] en [gedaagde] haar overtuigd om de overeenkomst met hen aan te gaan door de verstrekking van valse informatie. [appellant] heeft aangevoerd dat hij geen wetenschap had van de onjuistheid van de informatie met betrekking tot [gedaagde] / [de holding] . [geïntimeerde] heeft niet met zoveel woorden gesteld dat [appellant] op de hoogte was of behoorde te zijn van de onjuistheid van die informatie maar dit ook na het daarop gerichte verweer van [appellant] niet weersproken. Bij deze stand van zaken is het standpunt van [appellant] dat hij -vanwege de toetreding van [de holding] als overnemer/financier c.q. [gedaagde] met zijn familiestichting als potentiële financier- ten tijde van het aangaan van de door [de vennootschap 1] niet nagekomen koopovereenkomst wist noch behoorde te weten dat [de vennootschap 1] om die reden niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden als onweersproken komen vast te staan.

4.13

[geïntimeerde] heeft verder gesteld dat [appellant] haar heeft meegedeeld dat hij in privé over (een vergoeding wegens ontbinding van een eerder dienstverband van) € 450.000 bruto beschikte. Ter comparitie in eerste aanleg heeft de advocaat van [appellant] , die zelf niet was verschenen, verklaard dat de som van € 450.000 een vergoeding was ter zake van een ontbinding van een arbeidsovereenkomst die [appellant] in privé zou ontvangen en dat deze, als de nood aan de man was, dit bedrag zou kunnen aanwenden voor de koop van de aandelen. In hoger beroep heeft [appellant] echter, kennelijk ter bestrijding van een dergelijke toezegging, aangevoerd dat de verklaring ter comparitie niet juist was omdat hij ter zake slechts een bedrag van € 80.000 bruto heeft ontvangen waarvan na belastingaftrek ongeveer € 40.000 resteerde voor zijn levensonderhoud, ten bewijze waarvan hij (als productie 24 bij memorie van grieven) een beëindigingsovereenkomst met [bedrijfsnaam] d.d. 18 juni 2009 heeft overgelegd en een salarisspecificatie over die maand. Aldus heeft [appellant] de stelling van [geïntimeerde] voldoende gemotiveerd betwist, waardoor deze niet is komen vast te staan. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg wel een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar is in hoger beroep niet verschenen, zodat er geen aanleiding bestaat haar tot bewijslevering toe te laten.

Grief I slaagt dus volledig.

4.14

Onder de devolutieve werking van het hoger beroep komen thans nog enkele andere door [geïntimeerde] gestelde onderdelen van bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde.

Volgens [geïntimeerde] zijn op onverklaarbare en onnodige wijze [werkmaatschappij 1] en [werkmaatschappij 2] en later ook [werkmaatschappij 3] en [bedrijfsnaam] gefailleerd.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] echter in strijd met haar stelplicht niet uiteengezet waarom dit aan [appellant] zou zijn te verwijten of toe te schrijven, zodat dit geen voldoende zelfstandige grondslag oplevert.

4.15

Volgens [geïntimeerde] hebben [appellant] en [gedaagde] met hun handelwijze verder bewerkstelligd dat de door [geïntimeerde] krachtens de overeenkomst bedongen zekerheidsrechten (bezitloze pandrechten op aandelen, activa en debiteuren) waardeloos zijn, nu de werkmaatschappijen door toedoen van [geïntimeerde] en [gedaagde] zijn gefailleerd en uit navraag bij de curator is gebleken dat de activa tegen schrootwaarde werden vervreemd, waarvoor [geïntimeerde] [appellant] en [gedaagde] persoonlijk verantwoordelijk houdt.

Naar het oordeel van het hof bouwt het eerste onderdeel van deze grondslag voort op de hiervoor in rov. 4.14 weerlegde stelling, zodat dit onderdeel faalt.

Het tweede onderdeel van deze grondslag strandt hierop dat het niet inhoudt waarom [appellant] daarvoor aansprakelijk zou zijn.

4.16

De conclusie moet zijn dat geen aansprakelijkheid van [appellant] kan worden vastgesteld. De voorwaardelijk voorgedragen grief III komt daarom niet meer aan de orde. In conventie moet het eindvonnis worden vernietigd en al het gevorderde worden afgewezen.

4.17

In reconventie heeft [appellant] aanvankelijk gevorderd dat de rechtbank voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de koopovereenkomst van 18 augustus 2010 zal vernietigen wegens een wilsgebrek aan de zijde van [appellant] ;

- [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van de schade aan de zijde van [appellant] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming bij de uitvoering van de koopovereenkomst van 18 augustus 2010, welke bestaat uit het verlies van inkomsten door de schade aan [de vennootschap 1] , alsmede de schade die is toegebracht door de onrechtmatige beslagleggingen en welke schade voor het overige dient te worden opgemaakt bij staat.

In zijn memorie van grieven heeft [appellant] zijn vordering aldus gewijzigd dat deze thans luidt dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

I zal verklaren voor recht dat alle door [geïntimeerde] ten laste van [appellant] gelegde beslagen onrechtmatig zijn en dat [geïntimeerde] gehouden is alle daaruit voortvloeiende schade te vergoeden;

II [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van alle uit de door [geïntimeerde] ten laste van [appellant] onrechtmatig gelegde beslagen voortvloeiende schade, een en ander nader op te maken bij staat.

Naar het oordeel van het hof vormt de intrekking van de vorderingen tot vernietiging van de koopovereenkomst en tot betaling van schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming geen verandering of vermeerdering maar een vermindering van het petitum, zodat deze intrekking ingevolge artikel 353 lid 1 in verband met artikel 130 lid 3 Rv zonder betekening aan de in hoger beroep niet verschenen [geïntimeerde] mogelijk is.

4.18

Nu niet is gebleken van aansprakelijkheid van [appellant] , is de stelling van [appellant] (bij conclusie van eis in reconventie onder 76) juist dat [geïntimeerde] de beslagen op de woning van [appellant] (aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] ) en op de onroerende zaak te [plaatsnaam] , kennelijk aan de [straatnaam] , onrechtmatig heeft gelegd, hetgeen mogelijk tot schade heeft geleid, zodat de schadevergoedingsvordering in zoverre toewijsbaar is. Voor zover [appellant] in hoger beroep deze grondslag heeft willen uitbreiden tot andere beslagobjecten en tot de door [geïntimeerde] uitgelokte faillietverklaring van [de vennootschap 1] (als algemeen vermogensbeslag), vormen dit vermeerderingen van de grondslag van de eis welke ingevolge artikel 353 lid 1 in verband met artikel 130 lid 3 Rv tegen de in hoger beroep niet verschenen [geïntimeerde] zijn uitgesloten, tenzij [appellant] de vermeerderingen tijdig bij exploot aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt, maar dit laatste is gesteld noch gebleken. Daarom zal [appellant] in dit deel van zijn vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Grief IV slaagt deels en wordt deels verworpen.

5 Slotsom

5.1

Het hoger beroep slaagt, zodat het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd. Het in conventie gevorderde zal worden afgewezen. Het in reconventie gevorderde zal beperkt worden toegewezen, terwijl [appellant] in het meer gevorderde niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

5.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie en in reconventie aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 73,00

- salaris advocaat € 6.874,00 (2 punten x tarief VIII en 1 punt x tarief II)

totaal € 6.947,00

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 95,85

- griffierecht € 1.553,00

subtotaal verschotten € 1.648,85

- salaris advocaat € 4.580,00 (1 punt x appeltarief VIII)

totaal € 6.228,85.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 juni 2013 in de hoofdzaak in conventie en in reconventie en doet opnieuw recht;

wijst al het in conventie gevorderde af;

verklaart in reconventie voor recht dat de door [geïntimeerde] ten laste van [appellant] gelegde beslagen op de woning van [appellant] aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] en op de onroerende zaak aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] onrechtmatig zijn en dat [geïntimeerde] gehouden is de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden;

veroordeelt [geïntimeerde] in reconventie tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

verklaart [geïntimeerde] in reconventie niet-ontvankelijk in zijn vermeerderingen van de grondslag van de eis;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg in conventie en in reconventie vastgesteld op € 73 voor verschotten en op € 6.874 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.648,85 voor verschotten en op € 4.580 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, M.B. Beekhoven van den Boezem en Ch.E. Bethlem, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.