Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5553

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
WAHV 200.143.322
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:240
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof beoordeelt, onder verwijzing naar zijn arrest van 5 juni 2014 (WAHV 200.138.964, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2014:4324), het systeem van sanctieoplegging in een geval waarin het APK-keuringsbewijs voor voertuigen lichter dan 3500 kg zijn geldigheid heeft verloren.

Met het bepaalde in artikel 3 van de WAHV valt niet te verenigen, dat wanneer de gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld, op geautomatiseerde wijze een sanctie wordt opgelegd, zonder dat daarbij (enige) ruimte bestaat voor een beoordeling van, al dan niet door de betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden. Gelet hierop, en in aanmerking genomen de door de advocaat-generaal verstrekte informatie met betrekking tot het systeem van sanctieoplegging in zaken als de onderhavige (zgn. APK-II zaken met betrekking tot voertuigen lichter dan 3500 kg), komt het hof tot de conclusie dat in dit geval niet is komen vast te staan dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV is opgelegd. Voor toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht acht het hof geen ruimte aanwezig.

Volgt vernietiging van de beslissing van de kantonrechter, gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de beslissing van de officier van justitie en van de inleidende beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.143.322

22 juli 2015

CJIB 171505647

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland

van 27 januari 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft, beslissend op het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing, de feitcode en de omschrijving van de gedraging in de inleidende beschikking gewijzigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

Op 9 april 2015 is nog een schrijven van de betrokkene ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting van 8 juli 2015. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen E.J. Swart.

Na de zitting is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder is geen keuringsbewijs afgegeven” (feitcode K045A), welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 18 april 2013 met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene heeft zich gedurende de procedure op het standpunt gesteld dat op

18 april 2013 geen geldig keuringsbewijs hoefde te zijn afgegeven, indien niet met het voertuig gereden werd, zoals het geval was. De betrokkene voert hiertoe aan dat artikel 72, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) volgens artikel 11, eerste lid, van het Besluit voertuigen voor het onderhavige voertuig pas gelding kreeg twee maanden na het uit de bedrijfsvoorraad halen op 28 maart 2013, dus op 29 mei 2013. Hieraan is voldaan doordat er op 13 mei 2013 een geldig keuringsbewijs is afgegeven. De betrokkene verwijst tevens naar artikel 12 van het Besluit voertuigen waarin is vermeld dat artikel 72, eerste lid, van de WVW 1994 niet geldt voor motorrijtuigen en aanhangwagens die behoren tot de bedrijfsvoorraad. De betrokkene stelt dat niet in valt te zien dat artikel 11 van het Besluit voertuigen wel van toepassing is na afloop van de in de artikelen 5, 6, 7 en 8 van het Besluit bedoelde situaties ('nieuwe voertuigen'), maar niet op de in artikel 12 bedoelde situatie ('uit handelsvoorraad'), nu al deze bepalingen het identieke 'Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet…' bevatten.

Ter zitting van het hof heeft de betrokkene aangevoerd dat hij reeds voor de zitting van de kantonrechter om toezending in afschrift van de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gevraagd. Het zaakoverzicht heeft hij uiteindelijk pas ontvangen bij het verweerschrift van de advocaat-generaal en het proces-verbaal bleek uiteindelijk - bij inzage - zich niet bij de stukken te bevinden. Voorts heeft de betrokkene geklaagd over de omstandigheid dat de zittingsvertegenwoordiger van de CVOM ter zitting van de kantonrechter een beroep heeft gedaan op een ongepubliceerde uitspraak van het hof en deze vervolgens niet heeft toegezonden aan hem, terwijl dit ter zitting was toegezegd. Deze handelswijze is in strijd met een behoorlijke procesorde, zodat het OM zijn vervolgingsrecht heeft verloren, aldus de betrokkene.

3. De kantonrechter heeft -naar het oordeel van het hof overigens terecht- de omschrijving van de gedraging en de feitcode gewijzigd in “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren” (feitcode K045B). Echter, ingevolge het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de WAHV kon de kantonrechter vervolgens niet volstaan met de wijziging van de inleidende beschikking, maar had hij het beroep gedeeltelijk gegrond dienen te verklaren en de beslissing van de officier van justitie moeten wijzigen. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter reeds om die reden niet in stand kan blijven.

4. In het onderhavige geval is een sanctie opgelegd ter zake van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB

de verbalisantcode 404040 is vermeld.

5. Het hof heeft in zijn arrest van 20 februari 2014 (WAHV 200.119.209, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2014:1236) ter zake van de op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging "niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden", waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB de verbalisantcode 404040 is vermeld, geoordeeld dat op grond van de in die zaak door de advocaat-generaal verstrekte informatie niet kon worden vastgesteld dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV is opgelegd. Dit leidde tot vernietiging van de beschikking waarbij de sanctie was opgelegd. Het hof heeft vervolgens in zijn arrest van 5 juni 2014 (WAHV 200.138.964, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2014:4324) ter zake van eenzelfde gedraging als hiervoor genoemd, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB eveneens de verbalisantcode 404040 is vermeld, op grond van door de advocaat-generaal verstrekte nadere informatie geoordeeld dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV is opgelegd. Net als bij registercontroles met betrekking tot de verzekeringsplicht, waarop voornoemde jurisprudentie betrekking heeft, wordt de onderhavige gedraging waar de keuringsplicht aan de orde is eveneens vastgesteld door middel van registervergelijking, zodat in de onderhavige zaak ook de vraag voorligt of de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV is opgelegd.

6. De advocaat-generaal heeft in deze zaak, in zijn verweerschrift, nadere informatie verschaft over de gehanteerde werkwijze bij het vaststellen van gedragingen en het opleggen van sancties als deze. De advocaat-generaal heeft betoogd dat deze werkwijze toelaatbaar is in het kader van de wettelijke regeling. De advocaat-generaal is van mening dat wel kan worden vastgesteld dat de sanctie is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar.

7. Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende bepalingen van belang.

8. Artikel 3, eerste lid, van de WAHV bepaalt dat met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren belast zijn.

9. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren, zo bepaalt het tweede lid van dit artikel, zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

10. In artikel 2, tweede lid, onder a, van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 zijn de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover deze ambtenaren krachtens de akte of aanwijzing, de bevoegdheid hebben tot het opsporen van alle strafbare feiten dan wel tot het opsporen van de bij of krachtens de WVW 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet strafbaar gestelde feiten, belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de WAHV.

11. Het hof stelt voorop dat de WAHV niet bepaalt dat administratieve sancties alleen kunnen worden opgelegd door ambtenaren die zelf de gedragingen hebben vastgesteld. Administratieve sancties kunnen ook worden opgelegd ter zake van op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen. Wel bepaalt de wet dat sancties enkel mogen worden opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaren.

12. Uit de vanwege de advocaat-generaal verstrekte informatie leidt het hof af dat gedragingen als de onderhavige op volledig geautomatiseerde wijze worden vastgesteld. Dit gebeurt door middel van registercontrole, waarbij verschillende door de RDW beheerde registers met elkaar worden vergeleken. Indien het systeem, na verschillende tussenstappen, constateert dat voor een bepaald voertuig geen sprake is van een geldig keuringsbewijs, wordt, wederom automatisch, een overdrachtsbestand gemaakt waarin zijn opgenomen de gegevens over de gedraging, de kentekenhouder en het sanctiebedrag.

13. Dit bestand wordt vervolgens naar het CJIB gezonden, waarna het CJIB de beschikking verzendt. Het verzenden van het overdrachtsbestand naar het CJIB moet, naar het oordeel van het hof, worden geduid als de beslissing tot oplegging van een sanctie. Immers, door deze handeling komen de gegevens van een (vastgestelde) gedraging, kentekenhouder en sanctiebedrag bij het CJIB terecht dat op zijn beurt de beschikking verzendt.

14. Met betrekking tot deze beslissing heeft [naam] , in dienst van de RDW, Voertuiginformatie en -toelating, unitmanager van de unit handhaving te Veendam, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zoals hierboven in overweging 10 bedoeld, opgemerkt dat het geautomatiseerde systeem in zijn opdracht zo is ingericht dat, indien zaken worden opgenomen in het overdrachtsbestand, er een administratieve sanctie moet volgen. Dit betekent dat in het opnemen in het overdrachtsbestand zijn beslissing besloten ligt tot het opleggen van een administratieve sanctie. Het overdrachtsbestand wordt in een zogenaamde batch door het systeem overgedragen aan het CJIB, met de opdracht om in al die zaken de beschikking uit te sturen naar de kentekenhouder.

15. Vastgesteld kan worden dat aangewezen ambtenaar [naam] niet afzonderlijk en individueel beslist dat ter zake van deze, op geautomatiseerde wijze vastgestelde, gedragingen sancties worden opgelegd. De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat artikel 3 van de WAHV daartoe ook niet verplicht. In dit verband heeft de advocaat-generaal gewezen op het arrest van het hof van 5 juni 2014, zoals hierboven in overweging 5 genoemd, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat in het proces dat leidt tot het bestand dat aan het CJIB wordt verzonden een aantal tussenstappen is opgenomen, en dat alleen zaken, waarin niet van bijzondere omstandigheden is gebleken en die geen nadere beoordeling vergen, door de RDW aan het CJIB worden toegezonden. De advocaat-generaal heeft voorts aangevoerd dat, anders dan in APK-I zaken, in APK-II zaken zoals de onderhavige (zie over dit onderscheid verder overweging 21) meer initiatief van de kentekenhouder wordt gevraagd. Zodra de kentekenhouder de juiste bewijzen overlegt, kan de buitengewoon opsporingsambtenaar van de Unit Handhaving van de RDW - afhankelijk van het verstrijken van de termijn na overdracht - een correctieverzoek indienen bij het CJIB dan wel de CVOM.

16. Zoals hiervoor is overwogen, bepaalt artikel 3, tweede lid, van de WAHV dat administratieve sancties worden opgelegd door daartoe aangewezen ambtenaren. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3, tweede lid, van WAHV, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2000, komt niet (duidelijk) naar voren op welke wijze in de ogen van de wetgever de sanctieoplegging plaatsvindt of moet plaatsvinden ingeval van op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen. In de memorie van toelichting (Tweede kamer 1997/1998, 25927, nr. 3, bladzijde 11) wordt hierover slechts opgemerkt dat (nadat de gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld) “dit wordt doorgegeven aan het CJIB, waarna betrokkene een beschikking ontvangt.”

17. Daarnaast kan uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3, tweede lid, van de WAHV niet worden afgeleid dat de aangewezen ambtenaar, nadat op geautomatiseerde wijze een gedraging is vastgesteld, afzonderlijk en individueel moet beslissen of een sanctie wordt opgelegd.

18. Het opleggen van een administratieve sanctie op grond van de WAHV is, zo volgt uit artikel 3, tweede en derde lid, van de WAHV, een bevoegdheid en geen verplichting. Dit brengt mee dat, nadat is vastgesteld dat de gedraging is verricht, moet kunnen worden beoordeeld of in een concrete situatie sprake is van, al dan niet door een betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden die meebrengen dat van het opleggen van een sanctie moet worden afgezien. Hierin zou grond kunnen worden gevonden voor de gedachte dat afzonderlijk en individueel moet worden beslist of een sanctie wordt opgelegd.

19. Hierbij past echter wel een relativering. Allereerst is de aangewezen ambtenaar gebonden aan de door de officier van justitie op de voet van artikel 3, derde lid, van de WAHV gegeven beleidsregels betreffende de uitoefening van zijn bevoegdheid tot sanctieoplegging. Verder maakt de WAHV (in de artikelen 5, 5a en 5b) het mogelijk dat, zonder dat de betrokkene in de gelegenheid is geweest om zodanige bijzondere omstandigheden naar voren te brengen, sanctieoplegging kan plaatsvinden. Het gaat hier om een niet gering aantal van het totaal van de in het kader van de WAHV opgelegde sancties, waarbij louter op basis van de vaststelling dat de gedraging is verricht en het niet gebleken zijn van bijzondere omstandigheden die zich daartegen verzetten, een sanctie wordt opgelegd. In een zodanig geval heeft de betrokkene eerst in het kader van het administratief beroep tegen de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd de gelegenheid om bijzondere omstandigheden naar voren te brengen die meebrengen dat het opleggen van de sanctie niet billijk is. Daarnaast kent de WAHV, op de voet van artikel 2, derde lid, voor elke gedraging vastgestelde sanctiebedragen. De aangewezen ambtenaar heeft niet de bevoegdheid om een ander sanctiebedrag te bepalen.

20. Een en ander brengt het hof tot het oordeel dat ingeval een gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld en geen bijzondere omstandigheden gebleken zijn terwijl evenmin een nadere beoordeling is vereist, de WAHV niet eist dat een aangewezen ambtenaar afzonderlijk en individueel beslist tot sanctieoplegging. In zodanig geval dient de sanctieoplegging echter wel aan een aangewezen ambtenaar te kunnen worden toegerekend.

21. Het hof stelt op basis van de thans door de advocaat-generaal verstrekte informatie met betrekking tot de onderhavige sanctieoplegging het volgende vast. Er zijn voor de keuringsplicht twee registervergelijkingen: één voor de zware voertuigen (APK-I) en één voor de lichte voertuigen (APK-II). Laatstgenoemde registervergelijking is van belang voor de beoordeling in de onderhavige zaak. In het proces dat leidt tot het bestand dat aan het CJIB wordt verzonden, is een aantal tussenstappen opgenomen. Zo worden de voertuigen waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van een geldige APK-registratie opgenomen in een waarnemingentabel. Elke werkdag vindt er uit de waarnemingentabel op basis van default criteria (zoals: de kentekenhouder is een natuurlijk persoon of een rechtspersoon) en parameters (zoals gedoogperiode APK) een selectie plaats, waarbij de geselecteerde zaken in een overtredingentabel worden opgenomen. Deze overtredingen worden dagelijks ingelezen in het handhavingssysteem. In APK-II zaken wordt, anders dan in APK-I zaken, geen brief gestuurd aan de kentekenhouder, waarin deze over de constatering wordt geïnformeerd en waarbij, in verband met mogelijke correspondentie, een wachttermijn wordt toegepast.

Het handhavingssysteem zet elke werkdag, nadat de eventuele wachttijd is verstreken, zaken klaar voor opname in een overdrachtsbestand aan het CJIB. Alvorens zaken in het overdrachtsbestand worden geplaatst voert het systeem een extra controle uit door nogmaals te controleren of op de datum van overtreding het voertuig een geldige APK-keuring had. Indien na die extra controle blijkt dat er nog steeds geen sprake is van een geldige APK-keuring dan komen die zaken in het overdrachtsbestand die aan het CJIB wordt toegezonden.

22. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de bevoegdheid om een administratieve sanctie op te leggen, valt niet met het bepaalde in artikel 3 van de WAHV te verenigen, dat in gevallen als de onderhavige, waarin de gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld, op geautomatiseerde wijze een sanctie wordt opgelegd, zonder dat daarbij (enige) ruimte bestaat voor een beoordeling van, al dan niet door een betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden, die meebrengen dat van het opleggen van een sanctie moet worden afgezien. Van belang is dat in alle APK-I zaken (motorrijtuigen van meer dan 3500 kg), waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van een geldige APK-registratie, een brief wordt gestuurd aan de kentekenhouder waarin deze over de constatering wordt geïnformeerd en waarbij deze in de gelegenheid wordt gesteld om aan te tonen dat voor het motorrijtuig wel een geldig keuringsbewijs is afgegeven. Als voornoemde brief leidt tot correspondentie, wordt de zaak in behandeling genomen door een buitengewoon opsporingsambtenaar die vervolgens zelf de zaak afhandelt. Aldus worden alleen (APK-I) zaken, waarin niet van bijzondere omstandigheden gebleken is en die geen nadere beoordeling vergen aan het CJIB toegezonden. Voor APK-II zaken (motorrijtuigen van 3500 kg of minder), waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van een geldige APK-registratie, geldt deze werkwijze echter, om voor het hof onvoldoende duidelijk geworden redenen, niet. Hier is sprake van een volledig geautomatiseerd proces waarin in alle zaken, doordat zij direct worden overgedragen aan het CJIB met de opdracht om in die zaken de beschikking uit te sturen, een sanctie wordt opgelegd. Dit brengt mee dat ook de zaken waar mogelijk sprake is van bijzondere omstandigheden en die een nadere beoordeling vergen, toch een sanctie wordt opgelegd. Het hof acht dit systeem van sanctieoplegging, waarbij onvoldoende is uitgesloten dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die een nadere beoordeling vergen, niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de WAHV. Dit leidt tot de conclusie dat in dit geval niet is komen vast te staan dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar is opgelegd.

23. Dat een buitengewoon opsporingsambtenaar van de RDW in een later stadium,

afhankelijk van het verstrijken van de termijn na overdracht, alsnog een correctieverzoek kan indienen bij het CJIB of de CVOM, acht het hof niet relevant voor deze beoordeling. Immers, gelet op hetgeen het hof hiervoor onder 13 heeft overwogen, is de sanctie op dat moment reeds opgelegd.

24. Het hof acht in het licht van de geschonden norm geen ruimte aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb, zoals de advocaat-generaal heeft voorgesteld.

25. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij die sanctie is opgelegd, niet in stand kan blijven en dat de overige gronden van het beroep geen bespreking meer behoeven. Het hof zal het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.

26. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Dit betreft een kennelijke omissie van de regelgever: bedoeld is onderdeel d. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt voor de betrokkene neer op een bedrag van € 27,24 (twee keer Surhuisterveen - Leeuwarden v.v.). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 30 augustus 2013 , alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 171505647 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 27,24.

Dit arrest is gewezen door mrs. Sekeris, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van

mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr. Van der Meulen buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.