Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5549

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.157.169-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zowel de werknemer (managing director) bij verzoek als de werkgever bij tegenverzoek verzoeken de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Werknemer verlangt een vergoeding van € 390.321,40, terwijl de werkgever een vergoeding aanbiedt van € 83.357,38. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding van € 100.000,-. De werknemer komt van deze beslissing in hoger beroep. Nadat in hoger beroep ook het verweerschrift is ingediend, volgen enige faxberichten van de advocaten van beide partijen over het al dan niet betalen van griffierecht door de andere partij. Hof stelt vast dat door beide partijen het griffierecht is betaald en oordeelt dat artikel 282a Rv zich tot de rechter richt, waarbij de rechter zonodig de partij hoort die mogelijk niet tijdig griffierecht heeft betaald, maar waarin de wederpartij geen rol speelt. Op grond van artikel XXII lid 1 sub c Overgangswet Wwz is de vóór 1 juli 2015 geldende bepaling 7:685 BW op het geschil van toepassing. Artikel 7:685 lid 11 BW (oud) staat tegen beschikking van de kantonrechter geen hoger beroep en cassatie toe. Volgens rechtspraak kan dit appelverbod in een drietal gevallen worden doorbroken. Beroep van werknemer is ontvankelijk. In hoger beroep dient het ervoor te worden gehouden dat de arbeidsovereenkomst op basis van het verzoek van de werknemer is ontbonden, zodat werknemer geen belang heeft bij zijn klachten over de beslissing van de kantonrechter op het tegenverzoek van de werkgever. Werknemer is door de kantonrechter voldoende in de gelegenheid gesteld om het eerst kort voor de zitting ingediende verweerschrift met tegenverzoek en producties te reageren. Geen schending van beginsel van hoor en wederhoor. Een motiveringsgebrek leidt niet tot doorbreking appelverbod. Gezien karakter ontbindingsprocedure mocht de kantonrechter voor het bepalen van de vergoeding op basis van het debat van partijen een standpunt innemen met betrekking onder meer de strafrechtelijke aangifte door de werknemer. De daartegen door de werknemer aangevoerde argumenten leveren geen doorbreking van het appelverbod op. Het hoger beroep wordt verworpen met veroordeling van de werknemer in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0692
AR 2015/1394

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.157.169/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/367114 / HL RK 14/25)

beschikking van de eerste kamer van 22 juli 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: verzoekster, tevens verweerster op tegenverzoek,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. Y. Moszkowicz, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster op tegenverzoek,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.F.M. Wasser, kantoorhoudend te Eindhoven.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 2 juli 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift aan de zijde van [appellante] d.d. 1 oktober 2014 (met producties), nadien aangevuld met de bestreden beschikking en het uitgebreide proces-verbaal van de mondelinge behandeling,

- het verweerschrift aan de zijde van [geïntimeerde] d.d. 7 januari 2015 (met producties).

De producties bij het verweerschrift betreffen de stukken uit eerste aanleg, zodat het hof op die stukken acht kan slaan zonder dat [appellante] in de gelegenheid behoeft te worden gesteld daarop te reageren.

2.2

Desgevraagd hebben beide partijen het hof bericht dat zij van een mondelinge behandeling afzien, waarna het hof op basis van de ingediende stukken de datum voor het geven van de beschikking heeft bepaald. Vervolgens hebben beide partijen nog enige faxen verzonden naar aanleiding van de door de advocaat van [appellante] opgeworpen vraag of [geïntimeerde] (tijdig) het griffierecht heeft voldaan.

2.3

[appellante] verzoekt:

1. te vernietigen de beschikking waarvan beroep;

2. alsnog ten laste van [geïntimeerde] een ontbindingsvergoeding toe te kennen van € 377.700,12;

3. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide/deze instantie(s), één en ander, voorzover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

2.4

[geïntimeerde] voert verweer en verzoekt:

1. Het beroep zijdens [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen dienen te worden ontzegd;

2. Met veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure, waarbij (…) het hoogste liquidatietarief zal worden gehanteerd, althans een zodanig liquidatietarief als u in goede justitie zult vermenen te behoren, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad.

3 De feiten

3.1

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het hof uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten, mede gelet op de inhoud van de overgelegde en niet betwiste stukken.

3.2

[appellante] , geboren op 29 april 1970, is op 1 april 1999 bij [geïntimeerde] in dienst getreden. [appellante] was aanvankelijk werkzaam in de functie van consultant (i.o.) en sinds 1 januari 2007 als managing director (vanaf 15 maart 2007 tevens als statutair bestuurder) van de Nederlandse vestiging van [geïntimeerde] , laatstelijk tegen een bruto salaris van € 9.916,67 per maand, inclusief 8% vakantiebijslag en te vermeerderen met emolumenten.

3.3

In artikel 11 van de “Contract of Employment” is een regeling over “Indemnification” opgenomen, luidende:

11.1 If the Company or [appellante] terminates or gives notice of termination of the contract of employment prematurely for any reason whatsoever, other than by means of termination for substantial reason in the meaning of the law, [appellante] can claim compensation from the Company in the manner described below. The term ‘termination’ referred to in the preceding sentence shall not be deemed to include termination of the contract of employment by operation of law on reaching the age of 65 or after two years disability, but shall include a court-ordered dissolution for substantial reason in the meaning of section 7:685 in conjunction with section 2:241 of the Dutch Civil Code at the request of the Company.

On the grounds of the aforementioned premature termination/notice of termination or dissolution on the contract of employment, the Company will be required to pay [appellante] a gross sum equivalent to 1 months’gross salary for every year of service after 1 January 2008 but before the 40th birthday of [appellante] , 1,5 month gross salary for every year of service between the 40th birthday and 50th birthday of [appellante] and 2 months gross salary for every year of service after the 50th birthday of [appellante] , excluding a proportion of the fringe benefits specified below, subject to the proviso that the maximum compensation under the terms of this clause shall not amount to more than six times her most recent gross annual salary. In any case, the compensation will not exceed the income the Company would have been required to pay if the contract of employment had continued until [appellante] reached the age of 65.

(…)

11.3 (…)

The above shall not prejudice the right of [appellante] to claim further compensation pursuant to section 7:681 of the Dutch Civil Code if there are grounds for doing so. If the employment agreement is rescinded pursuant to article 7:685 of the Dutch Civil Code and the court awards a compensation to [appellante] , the amount of the award shall be deducted from the amount of compensation to which the Employee is entitled under this clause.

3.4

[geïntimeerde] heeft in februari 2013 aan [appellante] een coach - [coach] (vice president Development [geïntimeerde] International Group) - toegewezen.

3.5

Op 20 augustus 2013 heeft [appellante] zich ziek gemeld.

3.6

Tijdens de Algemene vergadering van Aandeelhouders (AvA) van 6 februari 2014 is [appellante] als statutair bestuurder ontslagen. Op deze AvA was [appellante] zelf niet, maar haar advocaat wel aanwezig.

3.7

Nadat de advocaat van [appellante] de notulen van de AvA van 6 februari 2014 had ontvangen, berichtte hij [geïntimeerde] bij brief van 20 februari 2014 onder meer:

(…) Naar aanleiding van de heden ontvangen notulen van de Aandeelhoudersvergadering d.d. 6 februari jl. geef ik u te kennen dat ik mij niet met de inhoud kan verenigen. Immers, is deze m.i. onvolledig en behelst deze feitelijke onjuistheden. (…) Uit het voornoemde volgt immers dat de beslissing om cliënte te ontslaan van haar bevoegdheden als statutair bestuurder reeds in september/oktober 2013 is genomen, zonder dat er aan alle vereisten voor een dergelijke beslissing, i.c. een zodanig besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, is voldaan. (…) Ik wil u dan ook vriendelijk verzoeken om de notulen te herzien en aan te vullen met de ontbrekende onderdelen alsmede de feitelijke onjuistheden te herstellen. (…)

3.8

[geïntimeerde] heeft bij brief van 21 februari 2014 gereageerd en onder meer geschreven:

“(…) Ik zal uw brief van gisteren derhalve aan de notulen hechten. (…)

3.9

Bij brief van 11 april 2014 heeft de advocaat van [appellante] aangifte van valsheid in geschrifte (225 Sr), gepleegd door [geïntimeerde] , gedaan. In deze aangifte is namens [appellante] onder meer gemeld:

(…) Tijdens deze vergadering is het e.e.a. besproken terzake de reden van het ontslag van cliënte als statutair directeur van [geïntimeerde] (…) en de standpunten van cliënte dienaangaande. Ondergetekende was namens cliënte aanwezig bij deze vergadering. (…) Naar het oordeel van cliënte heeft [geïntimeerde] door willens en wetens de notulen onjuist en onvolledig op te stellen en bovendien ongewijzigd bij het handelsregister in te dienen in strijd met art. 225 Sr. gehandeld. (…)

4 Het verzoek en beoordeling in eerste aanleg

4.1

Op of omstreeks 14 april 2014 heeft [appellante] bij de kantonrechter een verzoekschrift met bijlagen ingediend en verzocht de arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] te ontbinden onder toekenning van een vergoeding van € 390.321,40, zijnde € 377.700,12 ontbindingsvergoeding en € 12.621,28 vergoeding van openstaande vakantiedagen. De ontbindingsvergoeding is gebaseerd op de kantonrechtersformule, waarbij volgens [appellante] de A-factor 12 gewogen dienstjaren is, de B-factor inclusief bonus € 10.491,67 bedraagt en de C-factor op 3 is gesteld.

4.2

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op maandag 19 mei 2014 (in de bestreden beschikking is per abuis de datum van – zaterdag - 19 april 2014 opgenomen). Op donderdag 15 mei 2014 heeft [geïntimeerde] het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig (tegen)verzoek met producties ingediend. [geïntimeerde] heeft in het zelfstandig (tegen)verzoek de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante] te ontbinden onder toekenning van een vergoeding van € 83.357,38 bruto met veroordeling van [appellante] in de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen. [geïntimeerde] baseert de aangeboden vergoeding van € 83.357,38 bruto op artikel 11 van de arbeidsovereenkomst en heeft een berekening van die vergoeding als productie 11 bij het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig (tegen)verzoek overgelegd.

4.3

[appellante] heeft de kantonrechter op de mondelinge behandeling onder meer verzocht de bij het verweerschrift in het geding gebrachte producties buiten beschouwing te laten. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen en [appellante] in de gelegenheid gesteld een akte met producties te nemen. [appellante] heeft vervolgens een akte met producties genomen, waarop [geïntimeerde] bij antwoord-akte heeft gereageerd.

4.4

Bij beschikking van 2 juli 2014 heeft de kantonrechter, voor het geval [appellante] het verzoek niet intrekt, de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 augustus 2014 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 100.000,- bruto met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van dit bedrag.

Voor het geval [appellante] het verzoek intrekt, heeft de kantonrechter in de beslissing op het (tegen)verzoek van [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 augustus 2014 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 100.000,- bruto en met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van dit bedrag.

De kantonrechter heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld haar verzoek uiterlijk op 9 juli 2014 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de kantonrechter in te trekken. Indien [appellante] van deze intrekkingsbevoegdheid gebruikt maakt, heeft de kantonrechter [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 16 juli 2014 haar tegenverzoek in te trekken.

De kantonrechter heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

5 De beoordeling

griffierecht

5.1

Het hof heeft op grond van de artikelen 362 Rv jo 282a Rv (ambtshalve) na te gaan of [appellante] en/of [geïntimeerde] het voor de hoger beroep procedure verschuldigde griffierecht heeft/hebben voldaan. Ingevolge artikel 282a lid 5 Rv staat tegen beslissingen geen hogere voorziening open. Het hof stelt vast dat het griffierecht door beide partijen is betaald.

5.2

Artikel 282a Rv richt zich tot de rechter. Dit artikel is ingevoerd met de (gefaseerde) invoering van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) en bevat de zogenaamde "heffing aan de poort", die (vooral) is ingevoerd om het incassorisico dat de Staat meende te lopen bij de afschaffing van het procuraat in te dekken. De in deze regeling opgenomen - door sommige auteurs als draconisch omschreven - sancties voor de partij die niet tijdig het griffierecht voldoet zijn met dat doel in het leven geroepen en strekken niet tot waarborging van enig belang van de wederpartij. Voordat de rechter desbetreffende sancties oplegt, dient hij wel de desbetreffende procespartij in staat te stellen zich daarover uit te laten, hetgeen inmiddels ook in de wettekst is verankerd. De wederpartij heeft in een dergelijk geschil geen rol. Derhalve is het hof van oordeel dat beide partijen geen rechtens te respecteren belang hebben bij een oordeel van het hof over de tijdigheid van de betalingen van het griffierecht van hun respectievelijke wederpartij, zodat het hof daarop verder niet zal ingaan.

doorbreking appelverbod

5.3

Het verzoek van [appellante] en het tegenverzoek van [geïntimeerde] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zijn in 2014 bij de kantonrechter ingediend, zodat op grond van artikel XXII lid 1 sub c Overgangswet Wwz de vóór 1 juli 2015 geldende bepaling 7:685 BW op het geschil van toepassing is.

5.4

Ingevolge artikel 7:685 lid 11 BW (oud) staat tegen de bestreden beschikking geen hoger beroep en cassatie open. Volgens vaste rechtspraak wordt dit appelverbod doorbroken als

  1. de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW is getreden,

  2. de kantonrechter artikel 7:685 BW ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten,

  3. zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

(onder meer HR 4 april 1986 ECLI:NL:HR:1986:AB8721; HR 5 maart 1999 ECLI:NL:HR:1999:ZC2865; HR 9 december 2011 ECLI:NL:HR:2011:BU7430).

5.5

[appellante] voert aan dat de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW is getreden (sub a) en de fundamentele rechtsbeginselen hoor en wederhoor en/of motivering heeft geschonden (sub c). Derhalve is [appellante] ontvankelijk in haar beroep. Het hof zal vervolgens toetsen of de aangevoerde doorbrekingsgronden daadwerkelijk opgaan.

5.6

Ter onderbouwing van de stelling dat de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW is getreden, voert [appellante] aan dat het tegenverzoek van [geïntimeerde] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst verband houdt met het opzegverbod bij ziekte, zodat de kantonrechter het tegenverzoek van [geïntimeerde] niet had kunnen toewijzen.

5.7

Het hof stelt voorop dat de kantonrechter eerst het verzoek van [appellante] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft behandeld en dit verzoek heeft toegewezen. Doordat de kantonrechter in de beslissing op dat verzoek een lagere vergoeding aan [appellante] toekende dan verzocht, heeft de kantonrechter [appellante] op de voet van artikel 7:685 lid 8 BW de mogelijkheid gegeven het verzoek uiterlijk op 9 juli 2014 in te trekken. Niet gesteld of gebleken is dat [appellante] het verzoek heeft ingetrokken, zodat het er voor dient te worden gehouden dat de arbeidsovereenkomst op grond van het verzoek van [appellante] is ontbonden. Deze beslissing valt binnen het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW en tegen die beslissing van de kantonrechter op haar verzoek komt [appellante] ook niet op. Dit brengt mee dat [appellante] in hoger beroep geen belang heeft bij haar bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het tegenverzoek van [geïntimeerde] voor het geval [appellante] haar verzoek intrekt. Deze grond levert derhalve geen doorbreking van het appelverbod op.

5.8

Ten tweede stelt [appellante] dat de kantonrechter ten aanzien van de vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst het beginsel van hoor- en wederhoor, althans het motiveringsbeginsel, heeft geschonden. [appellante] voegt hieraan toe dat op grond van artikel 6 EVRM ook schending van het motiveringsbeginsel tot een doorbreking van het appelverbod dient te leiden. [appellante] heeft deze stelling als volgt toegelicht.

Kort voor de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] een omvangrijk verweerschrift met producties toegezonden. De berekening van de door [geïntimeerde] aangeboden vergoeding in productie 11 bevat volgens [appellante] een fout. De berekening vangt aan op 1 januari 2008, terwijl [appellante] al vanaf 1 januari 2007 managing director was, zodat de toegekende vergoeding (tenminste) met een maandsalaris van € 10.419,67 dient te worden verhoogd.

[appellante] kreeg de producties (bij verweerschrift) zo laat toegezonden dat zij daarop niet adequaat heeft kunnen reageren. De kantonrechter heeft het ter zitting door [appellante] gemaakte bezwaar tegen overlegging van de producties verworpen en vervolgens de toegekende vergoeding op basis van de foute berekening van [geïntimeerde] bepaald. Doordat de kantonrechter heeft nagelaten de producties ter zijde te stellen, heeft volgens [appellante] geen eerlijke en onpartijdige behandeling plaatsgevonden en is het beginsel van hoor en wederhoor veronachtzaamd.

Voorts betoogt [appellante] dat de kantonrechter bij de toekenning van de vergoeding van € 100.000,- het motiveringsbeginsel heeft geschonden. De beschikking geeft ten aanzien van de (berekening van de) vergoeding geen “sufficient clarity”, zoals artikel 6 EVRM eist.

In de beschikking is verzuimd een berekening van het bedrag van € 100.000,- op te nemen. Ook ontbreekt een motivering waarom de vergoeding is afgerond en waarom de kantonrechter het bedrag heeft afgerond op € 100.000,-.

5.9

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 282 lid 1 Rv (in ieder geval) tot de aanvang van de behandeling van het verzoek een verweerschrift kan worden ingediend. Op grond van artikel 1.3.3. van het Procesreglement verzoekschriften rechtbank handel/voorzieningenrechter (hierna: het Procesreglement verzoekschriften) wordt in het belang van een goede voorbereiding van de zaak een verweerschrift bij voorkeur vijf werkdagen vóór de mondelinge behandeling ingediend. Die voorkeurstermijn geldt op grond van artikel 1.4.4. van het Procesreglement verzoekschriften eveneens voor indiening van bewijsstukken en andere stukken waarop een partij zich tijdens de mondelinge behandeling wil beroepen.

Gelet op het bepaalde in artikel 282 Rv en de bewoordingen “bij voorkeur” in het Procesreglement verzoekschriften staat het naar het oordeel van het hof de kantonrechter vrij ook stukken, die binnen de voorkeurstermijn van vijf dagen voor de mondelinge behandeling worden ingediend, toe te laten. Zeker in dat geval zal de kantonrechter, mede in het licht van het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, hebben na te gaan of de wederpartij voorafgaande aan de mondelinge behandeling in redelijkheid in staat is geweest op dat verweerschrift en/of die stukken te reageren. Als dat niet het geval is, staat de kantonrechter bij aanvang van de mondelinge behandeling voor de keuze hetzij dat stuk buiten behandeling te laten of het stuk toe te laten, waarbij aan de wederpartij een nadere redelijke termijn wordt gegeven op dat stuk te reageren.

5.10

Tussen de indiening van het verweerschrift met producties op donderdagmiddag 15 mei 2014, welk verweerschrift met producties die dag bij fax om 16:40 uur aan de advocaat van [appellante] is verzonden, en de mondelinge behandeling op maandag 10 mei 2014 zat één vrije werkdag, zodat de in het Procesreglement verzoekschriften opgenomen voorkeurstermijn niet in acht is genomen.

Het verweerschrift sec bevat 14 pagina’s. In hoger beroep is onbestreden dat [appellante] met nagenoeg alle producties bij het verweerschrift bekend was doordat die producties hetzij door [appellante] al bij verzoekschrift waren ingediend, hetzij van haar afkomstig waren, hetzij waarmee zij tijdens de uitoefening van haar functie bekend is geraakt. Dit geldt niet voor productie 11, waarin op 1/3 van een A-4 een berekening van de vergoeding op basis van het bepaalde in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Op zichzelf is de berekening in één oogopslag duidelijk. Na de vermelding van de geboortedatum, de leeftijd, het bruto maandsalaris € 10.491,67 inclusief vakantiegeld en bonus (van welk bedrag [appellante] blijkens sub 25 inleidend verzoekschrift ook uitgaat), wordt voor ieder jaar in de periode vanaf 2008 t/m 2013 de leeftijd vermeld, een maandsalaris per jaar in de eerste twee jaar (2008 en 2009) 1 maal vergoed en anderhalf maandsalaris per jaar in de volgende vier jaar (2010 t/m 2013) vergoed, waarna de zes bedragen worden opgeteld tot het totaalbedrag van € 83.357,38.

Uit het (uitgebreide) proces-verbaal van de zitting en de bestreden beschikking van de kantonrechter blijkt dat de kantonrechter bij aanvang van de zitting op het bezwaar van [appellante] heeft beslist dat het verweerschrift met producties tot het geding wordt toegelaten en dat aan het einde van de zitting met partijen zal worden besproken of [appellante] in de gelegenheid dient te worden gesteld nog een aanvullende schriftelijke reactie te geven. Aan het slot van de zitting is – blijkens de betreden beschikking met instemming van partijen – besloten dat [appellante] op een termijn van circa 2,5 weken een akte kan nemen waarop [geïntimeerde] binnen een termijn van circa 2,5 weken bij antwoord-akte kan reageren. Aan deze afspraak hebben [appellante] en [geïntimeerde] ook uitvoering gegeven.

Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden [appellante] voldoende in de gelegenheid is gesteld op het betrekkelijk kort voor de mondelinge behandeling ingediende verweerschrift tevens houdende (tegen)verzoek met producties, waaronder productie 11, te reageren. Het hof weegt daarin mee dat [appellante] niet heeft toegelicht waarom de aan haar gegeven nadere termijn van circa 2,5 weken voor het nemen van een akte niet toereikend zou zijn geweest.

Wat er verder ook zij van de klacht van [appellante] dat de kantonrechter de beslissing over de hoogte van de vergoeding gebrekkig heeft gemotiveerd, in ieder geval kan die klacht er niet toe leiden dat het appelverbod wordt doorbroken. Een motiveringsgebrek in een gerechtelijke beslissing levert geen schending op van een fundamentele rechtsbeginsel waardoor niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak (vgl. HR 22 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2209).

Ten overvloede overweegt het hof dat de kantonrechter in de bestreden beschikking onder de r.ovv. 4.13 t/m 4.16 de motivering van de vergoeding van € 100.000,- heeft gegeven. Die vergoeding bestaat uit € 16.642,62 op basis van de kantonrechtersformule met correctiefactor C is 1 voor de periode vanaf 1 april 1999 t/m 15 maart 2007 en € 83.357,38 wegens contractuele afvloeiingsregeling voor de periode vanaf 2008 t/m 2013. De kantonrechter heeft naar het oordeel van het hof de contractuele afvloeiingsregeling terecht vanaf 2008 berekend nu partijen dit aanvangsjaar in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst contractueel zijn overeengekomen en [appellante] van dat aanvangsjaar ook zelf uitgaat (sub 22 inleidend verzoekschrift).

[appellante] stelt dat een gebrekkige motivering van een rechterlijke uitspraak strijdig is met artikel 6 EVRM, maar zonder toelichting, die ontbreekt, leidt een dergelijke strijdigheid, daargelaten de vraag of daarvan in dit geval sprake is, naar het oordeel van het hof op zichzelf niet tot het doorbreken van een wettelijk appel- (en cassatie)verbod.

5.11

Ten derde stelt [appellante] dat de kantonrechter ten aanzien van de weging van de door (de advocaat van) [appellante] gedane aangifte tegen [geïntimeerde] wegens valsheid in geschrifte het beginsel van hoor en wederhoor, althans de ‘equality of arms’, althans het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Ter toelichting voert [appellante] het volgende aan.

[geïntimeerde] heeft in haar verweer niet aangevoerd dat vanwege de door (de advocaat van) [appellante] gedane aangifte de C-factor voor de berekening van de ontslagvergoeding niet boven de 1 kan uitvallen. Desondanks heeft de kantonrechter ter zitting verklaard dat [appellante] door (via tussenkomst van haar advocaat) tegen [geïntimeerde] aangifte te doen zij de zaak onnodig op scherp heeft gezet. Daardoor kan volgens de kantonrechter geen plaats zijn voor de door [appellante] bepleite C-factor 2 of 3. Daarmee is de kantonrechter volgens [appellante] buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft de kantonrechter de feiten ten onrechte aangevuld.

Voorts verwijt [appellante] de kantonrechter dat hij de ‘equality of arms’ heeft geschonden door voor hetgeen op de vergadering van aandeelhouders op 6 februari 2014 heeft plaatsgevonden meer gewicht toe te kennen aan de zienswijze van [geïntimeerde] dan de zienswijze van [appellante] . Gezien de door de kantonrechter gegeven waardering aan de door [appellante] gedane aangifte van valsheid in geschrifte voor het bepalen van de hoogte van de ontslagvergoeding betreft het een essentiële omstandigheid die de kantonrechter volgens [appellante] niet had mogen geven zonder behoorlijk feitenonderzoek en met voorbijgaan van haar bewijsaanbod.

Tot slot verwijt [appellante] de kantonrechter dat hij heeft verzuimd te motiveren waarom de aangifte de zaak “onnodig op scherp heeft gezet”. Volgens [appellante] kan op gelijke wijze van [geïntimeerde] worden gezegd dat [geïntimeerde] , door in de notulen van de AvA bewust onjuistheden op te nemen, de zaak op scherp heeft gezet.

5.12

Het hof stelt voorop dat de procedure op grond van artikel 7:685 BW een eenvoudige op een spoedige beslissing gerichte verzoekschriftprocedure is, waarin de rechter beslist zonder aan de wettelijke bewijsregels te zijn gebonden. Partijen worden gelijkwaardig behandeld en hebben gelijke kansen voor het aannemelijk maken van hun standpunt (vgl. HR 3 december 1982, NJ 1983, 182 en HR 22 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2208). Het karakter van deze procedure brengt met zich dat in beginsel zonder nadere bewijslevering op het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het toekennen van een vergoeding kan worden beslist. Het staat de rechter in beginsel vrij op hetgeen partijen ter zitting aandragen te waarderen voor de door hem te beantwoorden vragen. Zeker tegen deze achtergrond is het passeren van een bewijsaanbod daardoor geen schending van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling (HR 5 maart 1999 ECLI:NL:HR:1999:ZC2865).

Voor zover [appellante] betoogt dat de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van artikel 7:685 BW is getreden door voor de bepaling van de vergoeding naar billijkheid aspecten te betrekken die niet specifiek en uitdrukkelijk door de wederpartij zijn bestreden, gaat [appellante] uit van een onjuiste rechtsopvatting. De kantonrechter heeft voor de begroting van de vergoeding naar billijkheid alle omstandigheden van het geval te betrekken. Ter zitting heeft [appellante] een hogere factor C bepleit dan waarvan [geïntimeerde] uitging, zodat de kantonrechter op basis van het debat tussen partijen daarin een standpunt mocht innemen. De door [appellante] aangevoerde argumenten leveren derhalve geen doorbreking van het appelverbod op.

Slotsom

6.1

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet de slotsom zijn dat naar het oordeel van het hof zich geen doorbrekingsgrond voordoet, zodat het door [appellante] ingestelde hoger beroep moet worden verworpen. [appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. Het salaris gemachtigde wordt begroot op 1 punt, tarief V.

Beslissing

Het hof:

- verwerpt het hoger beroep;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.343 , waarvan € 711,- voor griffierecht en € 2632,- voor salaris advocaat;

- verklaart bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. de Witte, mr. J.H. Kuiper en mr. L. Groefsema en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 22 juli 2015.