Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5539

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.160.049-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag. Beslag op aandeel van de schuldenaar in een aan een gemeenschap van een ontbonden vennootschap toebehorend goed. Het hof overweegt dat de schuldeiser zich te dien aanzien wél kan verhalen op het gehele aandeel van de schuldenaar in de gemeenschap, maar - zonder toestemming van de andere deelgenoten - niet op een aandeel in een afzonderlijk gemeenschappelijk goed. Het door de schuldeiser gelegde conservatoir beslag is dientengevolge niet rechtsgeldig, zodat dit beslag dient te worden opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.160.049/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/137538 / KG ZA 14-289)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 21 juli 2015

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. D.C. Poiesz, kantoorhoudend te Sneek,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.P. van Stralen, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 19 november 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 november 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof op één dossier arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"(…) te vernietigen het vonnis, op 19 november 2014 door de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden tussen appellante en geïntimeerde gewezen, en, opnieuw rechtdoende appellante, in eerste aanleg eiseres, in haar vordering ontvankelijk te verklaren en haar vordering toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties."

3 De feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

[appellante] exploiteert een uitvaartonderneming (uitvaartverzorging en crematorium) in [plaats]. De onderneming wordt bestuurd door [bedrijf] welke vennootschap op haar beurt wordt bestuurd door [Y].

3.3

[Y] was voor de oprichting van [appellante] via zijn beheersmaatschappij vennoot in de vennootschap onder firma [de v.o.f.] (hierna: de v.o.f.). In deze v.o.f. waren naast [bedrijf] tevens deelgenoten [X] (broer van [Y] en ex-echtgenoot van [geïntimeerde]) en [Z] (echtgenote van wijlen de oprichter van de onderneming en moeder van [Y] en [X]).

3.4

Bij akte van 6 augustus 2009 hebben de vennoten de bepalingen waaronder de vennootschap werd voortgezet, gewijzigd. In deze akte is onder meer de volgende bepaling opgenomen:
"Ontbinding
Artikel 11
De vennootschap wordt ontbonden:
1. door een schriftelijke beëindigingovereenkomst tussen de vennoten;
(…)".

3.5

Bij beëindigingovereenkomst van 31 maart 2014 zijn [Z], [bedrijf] en [X] onder meer het volgende overeengekomen:
"Artikel 1
De vennootschap onder firma wordt ontbonden per de datum tussen vennoten nog overeen te komen, doch uiterlijk 1 juli 2014."
Diverse ontwikkelingen die zijn voortgekomen uit de complexe echtscheidingsproblematiek waarin [X] is verwikkeld met [geïntimeerde], hebben mede aanleiding gegeven tot dit besluit.

3.6

Op 19 augustus 2014 is de akte ontbinding vennootschap onder firma bij de notaris ondertekend. In de desbetreffende akte is onder meer de volgende passage opgenomen:
"partijen zijn per een juli tweeduizend veertien overeengekomen om de vennootschap onder firma te beëindigen en de afspraken hieromtrent nader in deze akte vast te leggen.
ONTBINDING, VERDELING, LEVERING, VRIJWARING
1. Op grond van genoemde overeenkomst verklaren partijen dat de tussen hen bestaande vennootschap onder firma met als handelsnaam: "Uitvaartverzorging [de v.o.f.]" voornoemd per een juli tweeduizend veertien reeds is ontbonden. Als peildatum voor deze verdeling geldt een april tweeduizend veertien.
(…)"
Per 19 augustus 2014 heeft tevens een verdeling van het vennootschapsvermogen plaatsgevonden en zijn de activa van de v.o.f. aan [bedrijf] toegedeeld. De verdeling is eveneens in de notariële akte d.d. 19 augustus 2014 vastgelegd.

3.7

[X] en [geïntimeerde] procederen bij de rechtbank Noord-Nederland (onder andere) over de waarde van het aandeel van [X] (36%) in de v.o.f. [geïntimeerde] maakt vanuit de nog te verdelen huwelijksgemeenschap aanspraak op 50% van dit aandeel. Op 8 januari 2014 heeft de rechtbank Noord-Nederland bepaald dat een deskundige zal moeten overgaan tot waardering van het aandeel van [X] in de v.o.f. Bij vonnis van 18 juni 2014 heeft de rechtbank Noord-Nederland in een nadere vraagstelling aan de deskundige verzocht rekening te houden met de uittreding van [X] uit de v.o.f. per 28 maart 2014.

3.8

[geïntimeerde] heeft ter zekerstelling van haar vordering op [X] op grond van de te verdelen huwelijksgemeenschap op 1 juli 2014 krachtens een hiertoe verkregen verlof van de rechtbank ten laste van [X] conservatoir beslag doen leggen op het onverdeelde 1/3 aandeel in de navolgende onroerende zaken, behorende tot de activa van de v.o.f.:
- [adres 1], [postcode] te [plaats];
- [adres 2], [postcode] te [plaats];
- [adres 3], [postcode] te [plaats];
- [adres 4 en 5], [postcode] te [plaats].

3.9

De beslagen zijn op 2 juli 2014 ingeschreven in de registers van het kadaster.

4 De vordering in eerste aanleg en de beslissing daarop

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg - samengevat weergegeven - gevorderd dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de door [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslagen opheft, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

4.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

4.3

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft het vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven opgeworpen. Het hof ziet aanleiding eerst grief 3 te behandelen.

5.2

Met deze grief betoogt [appellante] dat [geïntimeerde] geen rechtsgeldig beslag heeft kunnen leggen op de tot het vennootschapsvermogen behorende registergoederen. [geïntimeerde] kon zich naar de mening van [appellante] slechts verhalen op het gehele aandeel van [X] in de gemeenschap en niet op een afzonderlijk gemeenschappelijk goed.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Blijkens het exploot van overbetekening d.d. 4 juli 2014 (productie 6 bij inleidende dagvaarding), heeft [geïntimeerde] op 1 juli 2014 conservatoir beslag doen leggen op:
"het onverdeelde 1/3 aandeel in de navolgende onroerende zaken:
kadastraal omschreven als wonen, staande en gelegen te ([postcode]) [plaats], aan het adres [adres 1], kadastraal bekend gemeente [plaats], [perceel 1],
kadastraal omschreven als wonen, staande en gelegen te ([postcode]) [plaats] aan het adres [adres 2], kadastraal bekend gemeente [plaats], [perceel 2],
kadastraal omschreven als wonen met bedrijvigheid, staande en gelegen te ([postcode]) [plaats], aan het adres [adres 3], kadastraal bekend gemeente [plaats], [perceel 3],
kadastraal omschreven als wonen met bedrijvigheid, staande en gelegen te ([postcode]) [plaats], aan de adressen [adres 4 en 5], kadastraal bekend gemeente [plaats], [perceel 4], staande voormelde onroerende zaken ten name van [X] wonende te [plaats], aan het adres [adres 6] ([postcode]), voornoemd."

5.4

Op grond van artikel 1 van de beëindigingovereenkomst d.d. 31 maart 2014, alsmede de hiervoor onder rechtsoverweging 3.6 weergegeven passage in de akte ontbinding vennootschap onder firma, stelt het hof vast dat de v.o.f. met ingang van 1 juli 2014 is ontbonden. De desbetreffende onroerende zaken vielen op het moment van de beslaglegging derhalve in de gemeenschap van een ontbonden vennootschap, waarop [X] een van de rechthebbenden was. Deze gemeenschap moet worden gekwalificeerd als een bijzondere gemeenschap zoals bedoeld in artikel 3:189 lid 2 BW.

5.5

Bij de gemeenschap van een ontbonden vennootschap gelden ingevolge artikel 3:189 lid 2 BW bijzondere regels, zoals artikel 3:190 BW: de schuldeiser van een deelgenoot kan zich zonder toestemming van de andere deelgenoten niet verhalen op een aandeel in een afzonderlijk gemeenschappelijk goed. De schuldeiser kan zich wél verhalen op het gehele aandeel van de schuldenaar in de gemeenschap (artikel 3:191 lid 1 BW). In dat laatste geval moet volgens de VV II Inv, Parl. Gesch. Inv., p. 1278-1279 beslag worden gelegd op de voet van artikel 474bb Rv. In het onderhavige geval heeft [geïntimeerde] geen beslag gelegd op het aandeel van [X] in de gemeenschap van de ontbonden vennootschap, maar op zijn aandeel in het tot deze gemeenschap behorende vastgoed, terwijl [Z] en [bedrijf] daarmee niet hebben ingestemd zodat op laatstgenoemd aandeel geen verhaal voor een schuld van [X] mogelijk was (vgl. HR 30 maart 2011, ECLI:NL:HR:2001:AB0805, HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008: BG1816, en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9956, bekrachtigd bij arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600). Dat bij dit vastgoed is uitgegaan van het percentage dat (nagenoeg) correspondeert met het aandeel van [X] in de v.o.f., is derhalve onvoldoende om van een geldig beslag te kunnen spreken, omdat niet gebleken is dat het vennootschapsvermogen uitsluitend het vastgoed omvatte.

5.6

Het hof concludeert op grond van het vorenstaande dat het door [geïntimeerde] gelegde conservatoir beslag niet rechtsgeldig is, zodat dit beslag dient te worden opgeheven.

5.7

Grief 3 slaagt.

5.8

Nu de derde grief slaagt, heeft [appellante] geen belang meer bij bespreking van de grieven 1, 2 en 4.

5.9

Met grief 5 richt [appellante] zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter aangaande de proceskosten. Deze grief behoeft geen nadere bespreking en treft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, doel.

5.10

Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigen en het beslag opheffen. Als de in het ongelijk te stellen partij wordt [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep (geliquideerd salaris advocaat: 1 punt, tarief II).

De beslissing
Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

heft op het door [geïntimeerde] gelegde conservatoir beslag op het onverdeelde een derde aandeel in de onder rechtsoverweging 5.3 omschreven onroerende zaken;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellante] gevallen op € 781,52 aan verschotten en op € 816,- voor geliquideerd salaris van de advocaat voor de procedure in eerste aanleg en op € 704,- en € 894,- voor de procedure in hoger beroep;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. L. Groefsema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 juli 2015.