Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5536

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.149.267-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding omtrent verrekening pensioenrechten. Boon/Van Loon. Geen spoedeisend belang bij verrekening. Veroordeling terhandstelling gegevens versterkt met dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.149.267/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/364431 / KL ZA 14-81)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 21 juli 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.L.A. Verleun, kantoorhoudend te Mijdrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de man,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 14 april 2014 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 mei 2014,

- de memorie van grieven.

2.2

Tegen de man is verstek verleend.

2.3

Vervolgens heeft de vrouw de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof op één dossier arrest bepaald.

2.4

De vordering van de vrouw luidt:

"…dat het aan het Gerechtshof behage het vonnis van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad d.d. 14 april 2014 onder nummer C/16/364431 / KL ZA 14-81 te vernietigen, en de vordering van de vrouw in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten van beide instanties."

3 De feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2. (2.1. tot en met 2.3.) van het bestreden vonnis is geen grief gericht en ook anderszins is niet van bezwaren tegen die feitenvaststelling gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

3.2

Partijen zijn op 7 september 1970 met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij vonnis van 19 september 1991 is de echtscheiding uitgesproken, welk vonnis op [datum] in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. In dit vonnis is onder meer bepaald dat partijen tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen dienden over te gaan.

3.3

Tot de gemeenschap van goederen behoorden onder meer de door de man opgebouwde pensioenrechten bij het bedrijfstakpensioenfonds voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf (BPF Schilders) onder registratienummer [1] . Daarnaast heeft de man pensioenrechten opgebouwd bij de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid onder registratienummer [2] en bij het ABP onder klantnummer [klantnummer] .

3.4

De man is op [in 2015] 65 jaar geworden.

4 Het geschil in eerste aanleg en de beslissing van de voorzieningenrechter

4.1

De vrouw heeft in kort geding gevorderd dat de man wordt veroordeeld:

primair: om de vrouw binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de opgave van de contante waarde van de door hem tot [datum] opgebouwde pensioenrechten bij ABP onder klantnummer [klantnummer] en de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid onder registratienummer [2] , althans onder zodanig nummers als deze pensioenrechten blijken te zijn opgebouwd en te zijn geregistreerd, ter hand te stellen, waarbij deze contante waarde dient te zijn berekend door de instanties, waarbij de pensioenrechten zijn opgebouwd, althans door een te goeder naam en faam bekend staande actuaris, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) voor elke dag of gedeelte van een dag dat de man, nadat vijf dagen na voornoemde betekening zijn verstreken, met de aan hem opgelegde veroordeling in gebreke blijft;

subsidiair: om de vrouw binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zodanige gegevens van de door hem tot [datum] opgebouwde pensioenrechten bij ABP onder klantnummer [klantnummer] en de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid onder registratienummer [2] , althans onder zodanige nummers als deze pensioenrechten blijken te zijn opgebouwd en te zijn geregistreerd, ter hand te stellen dat een actuaris in staat is de contante waarde van deze pensioenrechten per [datum] te bereken, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) voor elke dag of gedeelte van een dag dat de man, nadat vijf dagen na voornoemde betekening zijn verstreken, met de aan hem opgelegde veroordeling in gebreke blijft;

meer subsidiair: om ABP en de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid te machtigen aan de vrouw ter hand te stellen de door hen berekende contante waarde van de door de man tot [datum] opgebouwde pensioenrechten respectievelijk zodanige gegevens aan de vrouw ter hand te stellen dat een actuaris in staat is de contante waarde per 4 december 991 te berekenen, en de man te veroordelen om binnen vijf dagen na het in dezen te wijzen vonnis een kopie van deze machtiging aan de vrouw ter hand te stellen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) voor elke dag of gedeelte van een dag dat de man, nadat vijf dagen na voornoemde betekening zijn verstreken, met enig deel van de aan hem opgelegde veroordeling in gebreke blijft;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

  • -

    tot betaling van een bedrag van € 2.318,45, zijnde het aan de vrouw toekomende aandeel in de contante waarde van de door de man bij BPF Schilders opgebouwde pensioenrechten tegen een rekenrente van 4%, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    tot betaling van een bedrag van € 3.677,92 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

4.2

De man heeft verweer gevoerd.

4.3

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep - samengevat weergegeven - de man veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis aan de vrouw ter hand te stellen de door de betreffende instanties berekende opgave van de contante waarde van de door hem tot [datum] opgebouwde pensioenrechten bij het ABP en de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid. De voorzieningenrechter heeft aan deze veroordeling geen dwangsom verbonden. Voorts heeft de voorzieningenrechter de vordering tot betaling van het aan de vrouw beweerdelijk toekomende aandeel in de contante waarde van de door de man bij BPF Schilders opgebouwde pensioenrechten afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

De vrouw is van de beslissing van de voorzieningenrechter in appel gekomen en heeft daarbij vijf grieven geformuleerd.

5.2

Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is, hetgeen het hof zo nodig ambtshalve dient vast te stellen (ECLI:NL:HR:2002:AE3437 en ECLI:NL:HR:2002:AE4553). Voor zover de voorziening een geldvordering betreft, zal het hof bovendien dienen te onderzoeken of de vordering van de vrouw voldoende aannemelijk is, terwijl het hof bij de afweging van de belangen van partijen mede het restitutierisico zal hebben te betrekken (ECLI:NL:HR:2004:AP0263).

5.3

De vrouw heeft voor wat betreft het spoedeisend belang bij haar vorderingen in de inleidende dagvaarding aangevoerd dat zij vreest dat de man niet aan zijn verplichtingen zal voldoen. De man heeft dat belang in eerste aanleg betwist en aangevoerd dat hij op dat moment 64 jaar oud was en dat hij bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd het pensioenfonds kan machtigen om het aandeel van de vrouw aan haar uit te keren.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw een spoedeisend belang bij haar vorderingen, nu de man inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt zodat tot verrekening van de pensioenrechten kan worden overgegaan.

5.4

Met de grieven 1 en 2 komt de vrouw op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de vordering van de vrouw strekkende tot uitbetaling van haar aandeel in de door de man opgebouwde pensioenrechten bij BPF Schilders dient te worden afgewezen, aangezien de bodemrechter dient te onderzoeken of er op grond van de redelijkheid en billijkheid een verplichting tot voorwaardelijke uitkering wordt opgelegd of dat er een contante afrekening dient plaats te vinden en er geen aanleiding is om op die beslissing vooruit te lopen.

5.5

Het hof overweegt dat het huwelijk van partijen is ontbonden in de periode nadat de Hoge Raad het arrest Boon/Van Loon (ECLI:NL:HR:1981:AG4271) heeft gewezen en voorafgaand aan de invoering van de Wet verevening pensioenrechten na scheiding op 1 mei 1995, zodat op de opgebouwde pensioenrechten de regels van het arrest Boon/Van Loon van toepassing zijn.

5.6

Blijkens de toelichting op de grieven stelt de vrouw zich op het standpunt dat uit het arrest Boon/Van Loon zou volgen dat voor haar aanspraak bestaat op directe uitkering van haar aandeel in de contante waarde van de tijdens het huwelijk van partijen door de man opgebouwde pensioenrechten. Deze lezing van genoemd arrest is echter onjuist. In het Boon/Van Loon-arrest is slechts bepaald dat pensioenrechten, alleen voor het gedeelte dat op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap was opgebouwd, bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking genomen moeten worden. De wijze van verrekening dient aan de hand van de redelijkheid en billijkheid plaats te vinden. Deze maatstaf laat de (bodem)rechter een grote mate van vrijheid bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, in hoeverre verrekening van pensioenrechten in een bepaald geval dient plaats te vinden. Daarbij zijn in het algemeen twee methoden gebruikelijk: ofwel uitkering van een deel van het maandelijkse ouderdomspensioen vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door de pensioengerechtigde, zolang beide partijen in leven zijn (de voorwaardelijke verrekeningsuitkering) ofwel een eenmalige uitkering overeenkomend met de contante waarde van de helft van de tot de scheiding opgebouwde pensioenrechten (eenmalige uitkering van de contante waarde). De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen, gelet op de omstandigheden van het geval, ook meebrengen dat verrekening van pensioenrechten achterwege blijft (ECLI:NL:HR:2014:1402).

Voor de beantwoording van de vraag op welke manier verrekening van de pensioenrechten dient te plaats te vinden, heeft de voorzieningenrechter een juiste maatstaf gehanteerd.

Grief 1 faalt daarmee.

5.7

Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot contante uitbetaling van haar aandeel in de door de man opgebouwde pensioenrechten bij BPF Schilders op de juiste gronden heeft afgewezen. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen (en ook niet met een grief is bestreden), geldt met betrekking tot een veroordeling in kort geding tot betaling van een geldsom in het algemeen dat terughoudendheid op zijn plaats is, en dat dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Zulks temeer nu, gelet op hetgeen onder 5.6 is overwogen, nog onvoldoende duidelijk is of en, zo ja, hoe de pensioenrechten verrekend worden. In het onderhavige geval heeft de vrouw noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep iets omtrent feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld, gesteld en daarvan is ook niets gebleken. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw zodoende onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat zij bij haar vordering over een zodanig spoedeisend belang beschikt dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de beslissing in een bodemprocedure afwacht, ook al kan haar worden toegegeven dat de houding van de man tot op heden weinig coöperatief is gebleken. Grief 2 faalt dan ook.

5.8

Grief 3 betreft de beslissing van de voorzieningenrechter geen dwangsom te verbinden aan de veroordeling van de man om aan de vrouw de door de betreffende instanties berekende opgave van de contante waarde van de door hem tot [datum] opgebouwde pensioenrechten bij het ABP en bij de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid te verstrekken.

De voorzieningenrechter heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het opleggen van een dwangsom, gelet op de toezegging van de man de bedoelde stukken aan de vrouw ter hand te stellen en dat de man ook overigens heeft laten blijken mee te willen werken aan de verdeling van de pensioenrechten.

De grief slaagt. In de toelichting op deze grief heeft de vrouw aangevoerd dat zij de betreffende gegevens nog altijd niet van de man heeft ontvangen. Gezien deze omstandigheid is het hof van oordeel dat alsnog een dwangsom dient te worden verbonden aan de veroordeling van de man om de vrouw de gegevens van de twee genoemde pensioenfondsen ter hand te stellen. Als stimulans tot nakoming van deze veroordeling zal het hof een dwangsom bepalen van € 100,- per dag dat de man hieraan niet voldoet, met ingang van 2 maanden na de dag van betekening van dit arrest en met dien verstande dat deze dwangsom wordt gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000,- .

5.9

Grief 4 luidt dat de voorzieningenrechter ten onrechte zonder nadere motivering de vordering van de vrouw tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen. Het hof overweegt het volgende. Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten geldt dat zij op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. De vrouw heeft in eerste aanleg een bedrag van € 3.667,92 gevorderd terzake van verleende juridische bijstand. Zij heeft evenwel niet onderbouwd dat deze kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de vrouw vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden. De grief faalt.

5.10

In haar vijfde grief komt de vrouw, kort gezegd, op tegen de afwijzing van haar vordering om de man te veroordelen in de proceskosten van het geding in eerste aanleg.

Het hof ziet, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, in het door de vrouw aangevoerde geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten worden gecompenseerd. De grief faalt.

Slotsom

5.11

Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 14 april 2014 vernietigen, voor zover geen dwangsom is verbonden aan de veroordeling van de man om aan de vrouw de door de betreffende instanties berekende opgave van de contante waarde van de door hem tot [datum] opgebouwde pensioenrechten bij het ABP en de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid te verstrekken en opnieuw rechtdoende alsnog een dwangsom aan deze veroordeling verbinden. Het hof zal het vonnis voor het overige bekrachtigen.

5.12

Hoewel de man zijn toezegging in eerste aanleg om de vrouw de gegevens van bovengenoemde twee pensioenfondsen te verstrekken niet is nagekomen, ziet het hof aanleiding de kosten van het geding in hoger beroep te compenseren, nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 14 april 2014 ten aanzien van de veroordeling onder 5.1.;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt de man om binnen 2 maanden na de dag van betekening van dit arrest aan de vrouw ter hand te stellen, de door de betreffende instanties berekende opgave van de contante waarde van de door hem op [datum] opgebouwde pensioenrechten bij het ABP onder klantnummer [klantnummer] en bij de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid onder registratienummer [2] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat de man in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

- compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. M.E.L. Fikkers en mr. N.A. Baarsma en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag

21 juli 2015 in bijzijn van de griffier.