Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5535

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.135.234-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuur van standplaats ten behoeve van woonwagen. Verhuurder vordert primair vernietiging van de huurovereenkomst wegens dwaling en subsidiair ontbinding van de huurovereenkomst wegens tekortkoming. De kantonrechter heeft de primaire vordering tot vernietiging wegens dwaling toegewezen. Dit oordeel wordt in hoger beroep bekrachtigd. Huurder verlangt langere ontruimingstermijn teneinde eerst de gelegenheid te hebben de woonwagen te verkopen en overleg met de verhuurder kan plaatsvinden om de koper als nieuwe huurder te accepteren. Hof wijst langere ontruimingstermijn af. Verhuurder vordert gebruiksvergoeding tot datum ontruiming. Deze vordering wordt toegewezen op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Door de vernietiging van de huurovereenkomst komt de verhuurder geen beroep toe op de contractuele boete en vergoeding van de werkelijke proceskosten. Aan de wettelijke vereisten ex art. 3:53 lid 2 BW voor het ontzeggen van de werking van de vernietiging voor wat betreft de boete en de werkelijke proceskosten is niet voldaan. Daarnaast is de contractuele boete als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn 93/13 te beschouwen. De grief tegen de beslissing van de kantonrechter onder meer de veroordeling tot ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.135.234/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 372438/ CV EXPL 13-1936)

arrest van de eerste kamer van 21 juli 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.H. Bussink, kantoorhoudend te Emmen, die zich heeft onttrokken,

tegen

Stichting Actium,

gevestigd te Assen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Actium,

advocaat: mr. A.J. Klok, kantoorhoudend te Drachten.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 december 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij tussenarrest van 3 december 2013 is een comparitie van partijen gelast. Nadat partijen het hof hebben verzocht van de comparitie van partijen af te zien, is de zaak naar de rol verwezen voor verder schriftelijk procederen, waarna de volgende processtukken zijn genomen:

  • -

    de memorie van grieven,

  • -

    de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel en wijziging van eis, met een productie,

  • -

    de akte uitlating wijziging eis,

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Vervolgens heeft [appellant] pleidooi gevraagd. De pleidooien zijn gehouden op 3 september 2014. De advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt.

1.2

Na afloop van het pleidooi hebben beide partijen twee weken beraad gevraagd voor het beproeven van een minnelijke regeling. Na verlenging van dat beraad heeft Actium een akte genomen waarin is gemeld dat partijen geen minnelijke overeenstemming hebben bereikt. Partijen hebben de procesdossiers overgelegd. Het hof heeft arrest bepaald.

1.3

De vordering van [appellant] in de memorie van grieven luidt:

(…) te vernietigen het vonnis d.d. 17 september 2013 (…) en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

onderhavige kwestie zelf af te doen overeenkomstig het gevorderde: De Stichting Actium in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren dan wel deze vordering af te wijzen met veroordeling van Stichting Actium uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste aanleg. Met veroordeling van geïntimeerde in beide instanties in de proceskosten.”

1.4

In de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel en wijziging van eis luidt de vordering van Actium:

“(…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met verbetering van de gronden:

Primair:

I. het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen;

II. aan de vernietiging ten dele haar werking te ontzeggen, voor zover de werking van de vernietiging ziet op (1) de door haar op grond van artikel 20 van de algemene huurvoorwaarden verbeurde contractuele boete en (2) de werking van artikel 18.4 van de algemene huurvoorwaarden betreffende het door [appellant] verschuldigd zijn van alle kosten, waaronder uitdrukkelijk begrepen de gerechtelijke kosten, die Actium maakt in het geval [appellant] toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen;

Subsidiair:

III. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de standplaats aan de [adres] te [woonplaats] te ontbinden, danwel als ontbonden te verklaren tegen een door het hof in goede justitie redelijk te achten datum;

Zowel primair als subsidiair:

IV. [appellant] te gelasten om binnen drie dagen na de uitspraak van het in dezen te wijzen arrest, althans binnen drie dagen na betekening van het arrest, althans binnen een zodanige termijn als het hof in goede justitie vermeent te behoren, de standplaats gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] , met al het hare en de haren te ontruimen en te verlaten en ontruimd en verlaten te houden met achterlating van al hetgeen [appellant] niet in eigendom toebehoort en onder afgifte van de sleutels ter algehele en vrije beschikking aan Actium te stellen;

V. tot betaling van een dwangsom van € 500,-, althans een door het hof te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat [appellant] niet voldoet aan het gevorderde onder IV c.q. per overtreding van het gevorderde onder IV;

VI. [appellant] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van € 266,37 dan wel € 274,92 na de huurverhoging per 1 juli 2013 dan wel € 285,92 na de huurverhoging per 1 juli 2014 voor elke maand of gedeeltelijk daarvan, tijdens welke [appellant] na datum van de vernietiging c.q. ontbinding de standplaats nog in gebruik heeft, onder voorbehoud van (wettelijk) toegestane huurverhogingen;

VII. [appellant] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan Actium de verbeurde contractuele boete ad € 3.528,70, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening;

VIII. [appellant] overeenkomstig de randnummers 5.1-5.3 van de dagvaarding in eerste aanleg en de 3.4.1-3.4.5 van de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel en wijziging van eis, tevens te veroordelen in de kosten van dit geding, tot en met de dag van indiening van de memorie van antwoord begroot op € 6.050,-, althans volgens het liquidatietarief, te vermeerderen met de explootkosten en het verschuldigde griffierecht in eerste aanleg en hoger beroep, alsmede de nakosten ad € 131,- aan salaris advocaat en, indien [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis voldoet, € 68,- aan salaris advocaat en de daadwerkelijke kosten van betekening en voorts te bepalen dat indien de verschuldigde proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving worden betaald, [appellant] daarover de wettelijke rente verschuldigd is.”

2 De feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder de randnummers 1 t/m 12 de feiten vastgesteld. In het principale appel is grief I tegen die feitenvaststelling gericht. Volgens [appellant] zijn een drietal door de kantonrechter vastgestelde feiten onvolledig. Het hof wijst erop dat aan de rechter een grote vrijheid toekomt uit de vaststaande feiten die feiten te selecteren die voor de beoordeling van het geschil van belang zijn. Voor zover in de door [appellant] aangedragen aanvullingen van de feiten een inhoudelijk standpunt wordt ingenomen, zal het hof bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil daarop ingaan. Het hof zal met inachtneming van de grief de feiten opnieuw vaststellen. Het belang bij grief I in het principale appel komt hierdoor te vervallen.

2.2

[X] huurde van Actium een standplaats aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de standplaats). Op die standplaats had [X] een aan hem toebehorende woonwagen geplaatst.

2.3

Jurist [Y] heeft Actium bij e-mailbericht van 7 juni 2012 bericht dat [Z] (geboren op 28 september 1971) op zijn spreekuur is verschenen en hem heeft gemeld dat hij de woonwagen van [X] heeft gekocht. [Z] heeft begrepen dat Actium de standplaats niet aan hem wil verhuren en vraagt naar de reden daarvan. Actium antwoordt diezelfde dag bij e-mailbericht:

“(…) Actium bepaalt op basis van het toewijzingsbeleid aan wie de standplaats wordt verhuurd. Dit betekent dat het recht om de standplaats te mogen huren niet automatisch overgaat bij overname van de woonwagen. Aspecten welke een rol spelen bij de toewijzing van een woonwagenstandplaats zijn onder andere:

- bekendheid van de toekomstige huurder bij Actium (of één van haar rechtsvoorgangers), heeft de huurder bijv. overlast veroorzaakt en/of een huurachterstand laten ontstaan, dan komt hij/zij niet in aanmerking:

(…)

- inspraak zittende kampbewoners bij nieuwe huurders;

Op basis van zowel het eerste als ook het laatste punt komt de heer [Z] niet in aanmerking voor de huur van de standplaats van de heer [X] .”

2.4

Op 15 november 2012 heeft een bespreking tussen Actium, [appellant] en [X] plaatsgevonden. [appellant] is bevriend met de vriendin van [X] . In dat gesprek is de wens van [appellant] aan de orde gekomen de standplaats van Actium te huren omdat zij de woonwagen van [X] had gekocht. [appellant] heeft toen verklaard een relatie met ene [Q] te hebben met wie zij mogelijk op termijn wil samenwonen, alsmede dat zij de woonwagen inclusief de inboedel voor € 80.000,- heeft gekocht. Voorts heeft [appellant] verteld dat haar ouders en de ouders van [Q] de koopsom gaan betalen, omdat zij dat zelf niet kan.

2.5

In een schriftelijke overeenkomst, gedateerd 1 december 2012, wordt vermeld dat [X] aan [appellant] (geboren op 17 juni 1990) de woonwagen met inboedel heeft verkocht. In de overeenkomst is de koopprijs niet genoemd.

2.6

Bij schriftelijke huurovereenkomst van 21 december 2012 heeft Actium aan [appellant] met ingang van 1 januari 2013 de standplaats verhuurd tegen een aanvangshuurprijs van € 266,37 per maand, inclusief servicekosten. In artikel 7 lid 1 van de huurovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte van Actium (hierna: algemene huurvoorwaarden) van toepassing verklaard. In aanvulling op die algemene huurvoorwaarden is in artikel 7 lid 2 van de huurovereenkomst onder meer opgenomen:

“(…) a. Het is huurder uitdrukkelijk niet toegestaan de huur van de standplaats over te dragen of in gebruik te geven aan een derde; (…)”

2.7

Voorts is aan de huurovereenkomst een op 21 december 2012 ondertekend addendum toegevoegd, waarin onder meer is opgenomen:

“(…)

- Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als woonruimte ten behoeve van huurder. Inwoning door derden is niet toegestaan tenzij Actium hier toestemming voor verleent.

(…)”

2.8

In de algemene huurvoorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 11 Algemene verplichtingen van huurder

(…)

11.5

Huurder dient het gehuurde gedurende de huurtijd feitelijk als woonruimte voor hem zelf en de leden van zijn huishouden te gebruiken en dient in het gehuurde zijn hoofdverblijf te hebben en te houden.

11.6

Het is huurder verboden om zonder schriftelijke toestemming van verhuurder het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of in gebruik te geven aan derden.

(…)

Artikel 18 Verzuim

(…)

18.4

Alle kosten, waaronder uitdrukkelijk begrepen buitengerechtelijke of gerechtelijke kosten, die verhuurder maakt in geval huurder toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van zijn hiervoor omschreven verplichtingen zijn voor rekening van huurder.

18.5

De ingevolge dit artikel door huurder aan verhuurder te vergoeden buitengerechtelijke kosten bedragen ten minste 15% van de (uit handen gegeven) vordering van verhuurder, met een minimum van € 500,00 te vermeerderen met de btw.

(…)

Artikel 20 Boetebeding

In geval van niet-nakoming door huurder van één of meer van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst en/of deze Algemene Huurvoorwaarden, verbeurt hij aan verhuurder een direct opeisbare boete ter hoogte van twee maal de op dat moment geldende kale maandhuur, die huurder krachtens de huurovereenkomst aan verhuurder is verschuldigd en € 200,00 voor iedere (volgende) dag gedurende welke huurder in gebreke blijft, doch niet dan na deugdelijke aanmaning of sommatie zijdens verhuurder, een en ander onverminderd het recht van verhuurder om nakoming te verlangen en/of (aanvullende) schadevergoeding en/of ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen.

2.9

[Z] staat in de gemeentelijke basisadministratie sinds medio 2012 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] . Hij heeft in dat jaar ook in de woonwagen gewoond. [appellant] staat sinds medio januari 2013 in de gemeentelijke basisadministratie op dat adres ingeschreven.

2.10

Actium heeft [appellant] bij brief van 8 februari 2013 bericht dat zij heeft geconstateerd dat naast [appellant] nog iemand anders op het adres van de standplaats verblijft. [appellant] wordt uitgenodigd voor een gesprek op 12 februari 2013. Na dat gesprek heeft Actium bij aangetekend verzonden brief van 28 februari 2013 [appellant] bericht dat alleen zij op de standplaats mag verblijven en dat zij daar hoofdverblijf dient te hebben. In de brief heeft Actium aangekondigd dat als [appellant] in strijd met deze verplichtingen uit de huurovereenkomst blijft handelen dit voor Actium reden kan zijn de huurovereenkomst te ontbinden. Voorts is in de brief opgenomen:

In het gesprek hebben wij aan u teruggekoppeld dat wij signalen hebben ontvangen dat u niet (meer) woonachtig bent aan de [adres] . Het schijnt dat anderen dan u verblijven op het door u gehuurde adres. Er zijn diverse controles gedaan door medewerkers van Actium en (…) daaruit hebben wij geconcludeerd dat u zeer waarschijnlijk niet uw hoofdverblijf heeft aan de [adres] . Bij de controles is geconstateerd dat de heer [Z] verblijft op het door u gehuurde adres.

De heer [Z] heeft in het verleden, net als u, een verzoek neergelegd om de standplaats over te nemen van de vorige huurder (de heer [X] ). Hij is hiervoor toen afgewezen. Op 15 november 2012 heeft u, samen met de heer [X] , gesproken met mevrouw [R] . In dat gesprek was naar voren gekomen dat de heer [Z] is afgewezen voor het overnemen van de standplaats. U was dus op de hoogte van het feit dat Actium de heer [Z] heeft afgewezen voor het adres [adres] .

Op 21 december 2012 heeft u het huurcontract voor de standplaats aan de [adres] ondertekend. (…) u heeft aangegeven hier alleen te gaan wonen. U gaf aan dat u een relatie had met [Q] en dat u mogelijk binnen afzienbare tijd met hem zou gaan samenwonen.

Echter volgens de gemeentelijke basisadministratie staat de heer [Z] ingeschreven als bewoner op het adres [adres] . In ons gesprek op 12 februari 2013 heeft u aangegeven dat u op vakantie was, dat u de heer [Z] tijdelijk liet verblijven op het adres [adres] voor kluswerkzaamheden in de woonwagen en dat hij een goede vriend van u was. Later in het gesprek gaf u opeens aan dat u met hem bent verloofd en dat u gaat trouwen.”

2.11

[Z] heeft Actium bij brief van 12 maart 2013 gevraagd naar de redenen waarom hij niet samen met zijn verloofde [appellant] op de standplaats mag wonen.

2.12

De toenmalige advocaat van Actium heeft [appellant] bij aangetekend verzonden brief van 5 april 2013 erop gewezen dat zij in strijd met haar verplichtingen uit de huurovereenkomst [Z] in het gehuurde laat verblijven en dat zij in het gehuurde geen hoofdverblijf heeft. [appellant] wordt in de gelegenheid gesteld een gerechtelijke procedure te voorkomen door de huurovereenkomst op te zeggen bij gebreke waarvan Actium [appellant] zal dagvaarden en daarbij, naast de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, tevens aanspraak zal maken op vergoeding van de gerechtelijke kosten (artikel 18.4 algemene huurvoorwaarden) en de contractuele boete van € 200,- per dag (artikel 20 algemene huurvoorwaarden), tot en met 5 april 2013 reeds opgelopen tot € 7.732,75.

2.13

[appellant] heeft bij brief van 6 april 2013 geantwoord dat zij vanwege verbouwingswerkzaamheden tijdelijk elders woont en dat zij een relatie met [Z] heeft. [appellant] heeft in de brief voorts gemeld dat zij en [Z] van plan zijn dat jaar met elkaar in het huwelijk te treden.

2.14

[appellant] en [Z] zijn op 17 mei 2013 met elkaar getrouwd.

3 De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

3.1

Actium heeft gevorderd primair vernietiging van de huurovereenkomst wegens dwaling danwel bedrog en subsidiair ontbinding van de huurovereenkomst wegens een tekortkoming. Primair en subsidiair heeft Actium gevorderd [appellant] te veroordelen tot ontruiming van de standplaats en tot betaling van € 266,37 per maand bij wege van schadevergoeding na ontbinding van de huurovereenkomst en tot aan de ontruiming en voorts betaling van € 3.528,70 aan verbeurde boetes, met veroordeling van [appellant] in de werkelijke proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2

Actium heeft haar beroep op dwaling gegrond op de stelling dat tijdens het gesprek op 15 november 2012 aan de orde is geweest dat en waarom Actium eerder [Z] als kandidaat-huurder had afgewezen, waarna [appellant] desgevraagd had aangegeven [Z] niet te kennen en voorts verklaard zoals onder 2.4 is vermeld. Daarmee heeft zij volgens Actium opzettelijk onjuiste mededelingen gedaan dan wel relevante informatie achtergehouden, waardoor Actium heeft gedwaald. In eerste aanleg heeft [appellant] de gestelde gang van zaken op 15 november 2012 niet betwist.

3.3

De kantonrechter heeft, zonder in te gaan op de hiervoor genoemde niet betwiste stelling, aan de hand van andere (tegenstrijdige) verklaringen van [appellant] zelf geoordeeld dat [appellant] (redelijkerwijs) geweten heeft dat voor Actium van belang was wie de woonwagen zou gaan bewonen en dat zij ten onrechte Actium niet (juist) heeft geïnformeerd over haar relatie met [Z] , waardoor Actium bij het aangaan van de huurovereenkomst een onjuiste voorstelling van zaken had en dat Actium de huurovereenkomst niet met [appellant] zou hebben gesloten als zij geweten zou hebben dat daarmee [Z] in de woonwagen zou gaan wonen. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst wegens dwaling vernietigd en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de standplaats. De gevorderde schadevergoeding bij voortgezet gebruik na ontbinding van de huurovereenkomst is afgewezen, omdat de huurovereenkomst niet wordt ontbonden, maar vernietigd. Voorts oordeelde de kantonrechter dat door de vernietiging van de huurovereenkomst de grondslag voor de gevorderde contractuele boete ontbreekt. [appellant] is als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Na afweging van de wederzijdse belangen heeft de kantonrechter de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring afgewezen.

4 De beoordeling in hoger beroep

eiswijziging

4.1

Actium heeft bij memorie van antwoord, en dus tijdig (zie o.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4859, HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064) haar eis gewijzigd. [appellant] heeft tegen deze eiswijziging geen bezwaar gemaakt, terwijl de eiswijziging het hof niet ontoelaatbaar voorkomt.

grieven in het principale en incidentele appel; nieuw verweer

4.2

[appellant] heeft in het principale appel drie grieven en Actium in het incidentele appel, naast de eiswijziging, vier grieven tegen het bestreden vonnis geformuleerd. Voorts heeft [appellant] een nieuw verweer gevoerd door alsnog te betwisten dat op 15 november 2012 de kwestie- [Z] onderwerp van gesprek is geweest; de verwijzing naar de inhoud van dat gesprek in de brief van 28 februari 2013 (zie onder 2.10) heeft haar, zo heeft zij in haar pleidooi nog aangevoerd, pas achteraf verbaasd.

Op grief I in het principale appel is hiervoor reeds beslist. [appellant] bestrijdt in het principale appel met grief II het oordeel van de kantonrechter dat Actium bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft gedwaald en met grief III dat [appellant] de woonwagen (op korte termijn) van de standplaats heeft te ontruimen.

4.3

In het incidentele appel komt Actium met grief I op tegen afwijzing van haar vordering het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met grief II tegen de afwijzing van de door haar gevorderde schadevergoeding, met grief III tegen de afwijzing van de contractuele boete en met grief IV tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van de integrale proceskosten.

dwaling

4.4

In de rechtsoverwegingen 16 t/m 21 van het bestreden vonnis beoordeelt de kantonrechter de vordering van Actium tot vernietiging van de huurovereenkomst op grond van dwaling, waarna in overweging 22 wordt geoordeeld, dat Actium bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft gedwaald, zodat de huurovereenkomst op deze grond wordt vernietigd.

Met grief II in het principale appel komt [appellant] tegen dit oordeel op. [appellant] voert aan dat zij ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst op 21 december 2012 niet bekend was met de bezwaren van Actium tegen [Z] . Zo is volgens haar op de bespreking van 15 november 2012 niet aan de orde geweest dat [X] de woonwagen eerst aan [Z] heeft willen verkopen en dat Actium [Z] niet als huurder van de standplaats wilde. Ook hebben [X] en [Z] voor het ondertekenen van de huurovereenkomst daarover niet met haar gesproken. Eerst tijdens de bespreking met Actium op 12 februari 2013 is [appellant] daarmee bekend geraakt. Voorts maakt [appellant] bezwaar tegen de waardering door de kantonrechter van de door partijen aangevoerde stellingen. [appellant] verwijt de kantonrechter dat zij wel oog heeft voor de tegenstrijdigheden tussen de conclusie van antwoord en hetgeen [appellant] op de comparitie van partijen heeft verklaard, maar slaafs de verklaringen van Actium volgt.

4.5

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6:228 lid 2 sub a en b BW de overeenkomst, die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is, indien, kort gezegd, [appellant] Actium onjuist heeft geïnformeerd of informatie heeft verzwegen, en moest begrijpen dat die informatie voor Actium bij het sluiten van de overeenkomst van groot belang was. Zoals reeds onder 3.2 is weergegeven, heeft Actium aan haar vordering tot vernietiging van de huurovereenkomst wegens dwaling ten grondslag gelegd, dat [appellant] ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst wist dat Actium niet wilde dat [Z] (mede)huurder werd van de standplaats en dat hij de woonwagen op die standplaats ging bewonen en dat [appellant] Actium daarover had behoren in te lichten, hetgeen zij heeft nagelaten, c.q. dat zij een onjuiste mededeling heeft gedaan. Hierdoor heeft Actium gedwaald en zou zij bij een juiste voorstelling van zaken de huurovereenkomst met [appellant] niet hebben gesloten.

4.6

Tussen partijen is niet in geschil dat Actium bij het aangaan van de huurovereenkomst een onjuiste voorstelling van zaken had. Actium veronderstelde dat zij een huurovereenkomst aanging met [appellant] , die een relatie had met [Q] tegen wie Actium geen bezwaar had. Deze voorstelling van zaken was onjuist omdat [appellant] , volgens haar eigen verklaringen ter comparitie in eerste aanleg, op 21 december 2012, toen Actium de huurovereenkomst met haar aanging, een zodanig serieuze relatie met [Z] had dat zij vóór de kerstdagen al voor enkele weken met hem op vakantie naar het buitenland ging, rond dat tijdstip huwelijksplannen maakte en de trouwdag op 17 mei 2013 vaststelde, en voor vertrek samen met hem besproken had wat er aan de ook door [Z] te bewonen woonwagen verbouwd moest worden na hun terugkeer van vakantie.

4.7

Tussen partijen is evenmin in geschil dat Actium de huurovereenkomst op 21 december 2012 niet met [appellant] zou zijn aangegaan als zij toen zou hebben geweten dat [appellant] van plan was met [Z] te gaan samenwonen, laat staan wanneer zij met [Z] zou trouwen, waardoor deze van rechtswege medehuurder zou worden. Daarmee is aan het causaal verband tussen (het aangaan van) de overeenkomst en de onjuiste voorstelling van zaken voldaan.

4.8

Het geschil tussen partijen spitst zich in het bijzonder toe op de vraag of [appellant] bij het aangaan van de huurovereenkomst ervan op de hoogte was dat Actium [Z] niet als bewoner wenste en zij Actium over haar huwelijks- en samenwoonplan had behoren in te lichten, maar heeft gezwegen.

Nu [appellant] in hoger beroep alsnog heeft betwist dat zij op 15 november 2012 al op de hoogte was van het feit dat Actium [Z] niet zou dulden, is het in beginsel aan Actium om haar andersluidende stelling te bewijzen. Met het oog op dit nieuwe verweer in hoger beroep heeft Actium onder randnummer 2.2.3 van haar memorie van antwoord alsnog uitdrukkelijk bewijs aangeboden van haar stelling. Het hof is echter van oordeel dat bewijslevering niet nodig is, omdat [appellant] haar nieuwe verweer onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de onder 2.10 geciteerde brief aan haar van 28 februari 2013 waarin het gesprek van 15 november 2012 is weergegeven. Dat die brief op dit punt onjuist zou zijn, heeft [appellant] niet gesteld. Pas bij pleidooi is zij op deze passage ingegaan, terwijl ook voor nieuwe verweren in hoger beroep de tweeconclusieregel geldt (zie de onder 4.1 aangehaalde arresten). [appellant] komt dan bovendien niet verder dan achteraf haar verbazing te uiten. Van een tijdige, adequate betwisting van ook die passage is geen sprake.

Het hof wijst er voorts op dat [appellant] niet uitdrukkelijk heeft betwist de al bij inleidende dagvaarding door Actium betrokken stelling dat zij op 15 november 2012 desgevraagd heeft geantwoord [Z] niet te kennen.

Daarnaast heeft [appellant] zich weinig consistent uitgelaten. Zo heeft [appellant]

  • -

    op de bespreking van 15 november 2012 tegen Actium verklaard dat zij een relatie had met [Q] wiens ouders wilden meebetalen aan de woonwagen, terwijl zij op de comparitie tegen de kantonrechter verklaarde dat zij meer met hem bevriend was;

  • -

    in de conclusie van antwoord verklaard dat zij voorafgaand aan de ondertekening van de huurovereenkomst geen relatie met [Z] had (sub 9 cva), terwijl [appellant] op de zitting verklaarde dat zij begin december 2012 een relatie met [Z] heeft gekregen.

4.9

De tweede pijler waarop Actium haar beroep op dwaling bouwt is, dat [appellant] op 15 november 2012 heeft meegedeeld met wie zij de woonwagen waarschijnlijk zou gaan bewonen, maar die mededeling niet heeft gecorrigeerd toen de omstandigheden voor ondertekening van de huurovereenkomst wijzigden.

Naar het oordeel van het hof heeft Actium voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] wist, althans kon weten, dat voor Actium van belang was aan wie zij de standplaats verhuurde en wie de standplaats zou gebruiken, niet alleen omdat Actium daar op 15 november 2012 navraag naar heeft gedaan, maar ook omdat daarvoor slechts enkele weken later nog een specifieke bepaling in het addendum bij de huurovereenkomst is opgenomen. Zelfs als [appellant] niet zou hebben begrepen dat Actium specifiek tegen [Z] als bewoner een bezwaar had, had zij alvorens te ondertekenen wel moeten meedelen dat zij niet meer voornemens was met [Q] , maar met [Z] haar leven in de woonwagen te delen. Door dat na te laten heeft zij Actium in een verkeerde veronderstelling gelaten terwijl zij moest begrijpen dat kennis van de persoon van haar mogelijke medebewoner voor Actium essentieel was.

4.10

Onder deze omstandigheden faalt de grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat Actium heeft gedwaald.

ontruimingstermijn

4.11

Met grief III in het principale appel komt [appellant] op tegen de door de kantonrechter gegeven beslissing de standplaats binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.

Het hof stelt voorop dat het oordeel van de kantonrechter, dat de huurovereenkomst wegens dwaling is vernietigd, in stand blijft en [appellant] niet op komt tegen de overweging van de kantonrechter dat zij daardoor zonder recht of titel een woonwagen op de standplaats houdt.

Aan haar stelling dat verdedigbaar is dat de woonwagen door natrekking eigendom van Actium is geworden, heeft [appellant] geen consequenties verbonden. Voorzover zij daarmee wil betogen dat zij de standplaats alleen kan ontruimen als Actium als eigenaar, veronderstellenderwijs aannemende dat de stelling van [appellant] op zou gaan, daarvoor toestemming geeft, heeft zij die toestemming nu Actium verlangt dat zij de door haar bewoonde woonwagen van de standplaats ontruimt.

4.12

[appellant] acht de ontruimingstermijn van 14 dagen te kort. Zij wenst een ruime ontruimingstermijn van 7 maanden, waarbij zij eerst in de gelegenheid is de woonwagen te verkopen aan een koper die door Actium als huurder van de standplaats wordt geaccepteerd en, als dat na 6 maanden niet is gelukt, zij nog een maand heeft om de woonwagen te demonteren en van de standplaats te verwijderen.

4.13

Het hof is van oordeel dat er geen bijzondere feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan aan [appellant] die zeer ruime termijn dient te worden gegeven. Het hof weegt daarin mee dat [appellant] door haar eigen toedoen in deze situatie is komen te verkeren, terwijl [appellant] na het vonnis van de kantonrechter, dat niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, inmiddels alle tijd en ruimte heeft gehad haar schade in de door haar betoogde zin te beperken. Het hof zal de door de kantonrechter gegeven ontruimingstermijn bekrachtigen, met dien verstande dat die termijn ingaat na betekening van dit arrest. Het hof weegt daarin mee dat [appellant] haar stelling dat een termijn van een maand na betekening van het rechterlijk oordeel nodig zou zijn voor demontage en verplaatsen van de woonwagen, niet met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.

4.14

In hoger beroep heeft Actium haar eis in die zin gewijzigd en aangevuld dat gevorderd wordt aan de ontruimingsverplichting een dwangsom te verbinden. [appellant] heeft daartegen geen verweer gevoerd. Het hof zal de hoogte van de gevorderde dwangsom matigen en aan een maximum verbinden, zoals in het dictum vermeld.

gebruiksvergoeding

4.15

Actium heeft in hoger beroep haar eis ten aanzien van de gebruiksvergoeding in die zin gewijzigd dat gevorderd wordt [appellant] te veroordelen tot betaling van € 266,37, dan wel € 274,92 vanaf de huurverhoging per 1 juli 2013, dan wel € 285,92 na de huurverhoging per 1 juli 2014, voor elke maand dat [appellant] na datum van vernietiging, althans ontbinding, van de huurovereenkomst de standplaats nog in gebruik heeft. Met grief II in het incidentele appel komt Actium op tegen de afgewezen gebruiksvergoeding bij ontbinding van de huurovereenkomst.

4.16

In hoger beroep blijft de beslissing dat de huurovereenkomst wegens dwaling is vernietigd in stand, zodat Actium geen belang heeft bij behandeling van grief II in het incidentele appel over de gebruiksvergoeding in geval de huurovereenkomst wegens een tekortkoming wordt ontbonden. Het hof heeft te beslissen op de in hoger beroep gewijzigde eis ten aanzien van de gebruiksvergoeding.

4.17

Het hof stelt voorop dat de vernietiging van de huurovereenkomst op grond van artikel 3:35 lid 1 BW terugwerkt tot het tijdstip waarop de huurovereenkomst tot stand is gekomen. Actium heeft niet op de voet van artikel 3:53 lid 2 BW gevraagd ten aanzien van de vergoeding voor het gebruik van de standplaats de werking van de vernietiging geheel of ten dele te ontzeggen. Hierdoor is de betalingsverplichting voor het gebruik van de standplaats op basis van de huurovereenkomst vervallen.

4.18

[appellant] heeft er terecht op gewezen dat Actium bij de eiswijziging de juridische grondslag voor de betalingsverplichting van [appellant] niet expliciet heeft vermeld. De tijdens het pleidooi genoemde bepaling van artikel 7:225 BW is niet rechtstreeks van toepassing. Die bepaling heeft immers betrekking op de gebruiksvergoeding na rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst wegens opzegging of ontbinding.

[appellant] bestrijdt op zichzelf niet dat zij voor het gebruik van de standplaats een vergoeding verschuldigd is.

4.19

Het hof zal de rechtsgrond voor de vordering van Actium aanvullen, nu zij wel heeft gesteld dat [appellant] het gebruik van de standplaats heeft gehad en zij, Actium, gedurende die periode die standplaats en een vergoeding daarvoor mist. Het hof leest hierin een beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Dit leidt ertoe dat naar het oordeel van het hof na vernietiging van de huurovereenkomst de gebruiksvergoeding voor de periode dat het gehuurde is gebruikt kan worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking als neergelegd in artikel 6:212 BW (vgl. HR 24 mei 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ1782).

Het hof neemt tot uitgangspunt dat het permanente gebruik van een standplaats ten behoeve van een woonwagen in het maatschappelijk verkeer slechts plaatsvindt tegen betaling van een vergoeding, terwijl [appellant] door de vernietiging van de huurovereenkomst wegens dwaling is bevrijd van haar contractuele verplichting tot betaling van de huur. Hierdoor is [appellant] door het gebruik van de standplaats verrijkt. Actium leidt als verhuurder schade als een derde haar standplaats gebruikt zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Naar analogie van de bepalingen 7:225 BW en 7:230a BW kan de vergoeding worden gesteld op de contractueel overeengekomen huurprijs, te meer daar niet in geschil is dat die huurprijs redelijk is en aan de eisen van de wet voldoet. Het hof zal de vordering aldus toewijzen. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] in ieder geval tot de datum van pleidooi geen huurachterstand heeft laten ontstaan, zodat de reeds door haar gedane betalingen kunnen worden verrekend met hetgeen in dit vonnis wordt toegewezen.

contractuele boete

4.20

Met grief III in het incidentele appel komt Actium op tegen de afwijzing van de contractuele boete. Actium betoogt dat - kennelijk op de voet van artikel 3:53 lid 2 BW - de werking van de vernietiging van de huurovereenkomst wegens dwaling in die zin dient te worden beperkt dat [appellant] tegenover Actium gehouden blijft de contractuele boete op grond van artikel 20 van de algemene huurvoorwaarden te voldoen.

[appellant] betwist dat zij tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, zodat zij geen boete is verschuldigd.

4.21

Het hof veronderstelt dat Actium haar verzoek de werking van de vernietiging van de huurovereenkomst ten aanzien van artikel 20 van de algemene huurvoorwaarden te ontzeggen baseert op artikel 3:53 lid 2 BW. Op grond van deze bepaling kan de rechter daartoe overgaan “indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden”. De vordering tot betaling van de contractuele boete betreft geen reeds verrichte rechtshandeling en bovendien gaat het hier niet om een gevolg dat bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt. Dit leidt ertoe dat het beroep van Actium op artikel 3:35 lid 2 BW niet slaagt.

4.22

Daarnaast heeft te gelden dat het hof (ambtshalve) ook de vraag heeft te beantwoorden of artikel 20 van de algemene huurvoorwaarden nietig is.

Ingevolge de rechtspraak van het Hof van Justitie EU en de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691)) is de rechter op basis van het Unierecht gehouden ambtshalve na te gaan of een beding uit het oogpunt van de in Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13) gegeven criteria oneerlijk is, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Dit geldt ook indien de appelrechter daarbij buiten het door de grieven ontsloten gebied moet treden. Volgens het Nederlandse appelprocesrecht behoort de rechter immers recht van openbare orde in beginsel ook toe te passen buiten het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen dient te respecteren.

4.23

Richtlijn 93/13 is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek ambtshalve te verrichten. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie EU is de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een beding in een overeenkomst tussen een professionele partij en een consument oneerlijk is, zonder meer verplicht dat beding voor de consument buiten toepassing te laten. Voor het Nederlandse recht betekent dit dat de rechter, indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, gehouden is het beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen. Dit lijdt uitzondering indien de consument zich verzet tegen het vernietigen van het betreffende beding. Het hof merkt daarbij op dat uit het arrest van het Hof van Justitie EU van 14 juni 2012, nr. C-618/10, ECLI:EU:C:2012:349, volgt dat de rechter een oneerlijk beding buiten toepassing dient te laten en niet de bevoegdheid heeft om de inhoud van een dergelijk beding te herzien. In aansluiting daarop heeft het Hof van Justitie EU in zijn arrest van 30 mei 2013, nr. C-488/11, ECLI:EU:C:2013:341 beslist dat de nationale rechter, wanneer hij vaststelt dat een boetebeding in een consumentenovereenkomst oneerlijk is, de hoogte van de aan de consument in rekening gebrachte boete niet mag verlagen in plaats van voor de consument het betrokken beding geheel buiten toepassing te laten .

4.24

Tijdens het pleidooi heeft het hof partijen gehoord over de vraag of het boetebeding onder het bereik van de Richtlijn 93/13 valt en vernietigbaar is.

4.25

Het hof is van oordeel dat de verhuur van een standplaats ten behoeve van woonruimte onder het bereik van Richtlijn 93/13 valt. Het hof is voorts van oordeel dat het beding in artikel 20 van de algemene huurvoorwaarden moet worden aangemerkt als onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW, omdat deze bepaling uit het oogpunt van de in Richtlijn 93/13 gegeven criteria het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Zo geldt het boetebeding voor iedere tekortkoming uit de huurovereenkomst en/of de algemene huurvoorwaarden en ongeacht de ernst van de tekortkoming, geldt het boetebeding alleen voor tekortkomingen van de huurder en is de boete niet gemaximeerd. Door het ontbreken van een maximum kan de boete bij het voortduren van de overtreding, door welke omstandigheid dan ook, in beginsel oneindig oplopen, waardoor op enig moment het belang van de verhuurder bij nakoming van de verplichtingen door de huurder niet meer in verhouding staat tot de belangen van de verhuurder.

4.26

De omstandigheid dat Actium de gevorderde boete heeft beperkt tot de periode vanaf 12 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 en daardoor heeft gesteld op € 3.528,70 maakt dit oordeel niet anders. Het gaat erom dat de gebruiker, in dit geval Actium, bij het formuleren van de boetebepaling vooraf in abstracto een afweging tussen de onderscheiden belangen dient te maken en dat het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst duidelijk is welke sanctie ten hoogste rust op het niet nakomen van de verplichtingen door de huurder.

4.27

Het voorgaande leidt ertoe dat het contractuele beding buiten toepassing gelaten wordt, zodat grief III in het incidentele appel niet slaagt en de in hoger beroep gewijzigde vordering op dit punt wordt afgewezen.

uitvoerbaar bij voorraad

4.28

De kantonrechter heeft na afweging van de wederzijdse belangen zijn vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Met grief I in het incidentele appel komt Actium tegen deze beslissing op.

4.29

Op grond van artikel 233 Rv kan de rechter een vonnis desgevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaren. [appellant] heeft in hoger beroep alsnog specifiek verweer gevoerd tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring en heeft zich bij de argumenten van de kantonrechter aangesloten.

4.30

Het hof oordeelt als volgt. Al ruim 2 jaar sinds het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellant] met [Z] de standplaats in gebruik. Actium heeft er belang bij dat aan deze door haar niet gewenste situatie zo spoedig mogelijk een einde komt. Dit gebruik is thans zonder recht of titel. [appellant] heeft naar een andere standplaats of andere woonruimte om te zien en heeft mede gelet op de duur van de gerechtelijke procedure daarvoor al ruimschoots de tijd gehad. Onder deze omstandigheden weegt naar het oordeel van het hof het belang van Actium zwaarder dan het belang van [appellant] . Dit leidt ertoe dat grief I in het incidentele appel slaagt. Het hof zal de veroordelingen in eerste aanleg en in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

(werkelijke) proceskosten

4.31

De kantonrechter heeft beslist dat door de vernietiging van de huurovereenkomst wegens dwaling aan Actium geen beroep meer toekomt op artikel 18 lid 4 van de algemene huurvoorwaarden. Met grief IV in het incidentele appel komt Actium tegen deze beslissing met het gelijktijdige – voor het eerst in hoger beroep gedane – verzoek de vernietiging ten dele haar werking te ontzeggen voor zover die ziet op de werking van artikel 18.4 van de algemene huurvoorwaarden. Tot en met de memorie van antwoord zijn deze kosten begroot op € 6.050,- incl. btw.

[appellant] heeft verweer gevoerd.

4.32

Het hof veronderstelt dat Actium haar verzoek de werking van de vernietiging van de huurovereenkomst ten aanzien van artikel 18 lid 4 van de algemene huurvoorwaarden te ontzeggen baseert op artikel 3:53 lid 2 BW. Op grond van deze bepaling kan de rechter daartoe overgaan “indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden”. De vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten betreft geen reeds verrichte rechtshandeling en bovendien gaat het hier niet om een gevolg dat bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt. Dit leidt ertoe dat het beroep van Actium op artikel 3:35 lid 2 BW niet slaagt. Ten gevolge van de vernietiging van de huurovereenkomst ontbreekt de contractuele grondslag tot vergoeding van de volledige proceskosten, zodat het hof het salaris van de advocaat op basis van het forfaitaire tarief (tarief II) zal begroten.

5 Slotsom

Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven in het principale appel falen. In het incidentele appel slagen de grieven II, III en IV niet. Grief I in incidenteel appel treft doel, terwijl eveneens de in hoger beroep gewijzigde vordering ten aanzien van de gebruiksvergoeding wordt toegewezen. Bij deze uitkomst van de procedure wordt [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal appel veroordeeld. In het incidentele appel zijn beide partijen deels in het ongelijk gesteld zodat de proceskosten daarvan worden gecompenseerd.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het bestreden vonnis onder verbetering van gronden, met dien verstande dat [appellant] de standplaats dient te ontruimen binnen 14 dagen na betekening van dit arrest;

veroordeelt [appellant] tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor elke dag of deel daarvan dat [appellant] niet voldoet aan de veroordeling tot ontruiming , zulks tot een maximum van € 50.000,-;

veroordeelt [appellant] tot betaling van een vergoeding voor het gebruik van de standplaats vanaf 1 januari 2013 tot de datum van ontruiming, welke wordt gesteld op:

  • -

    € 266,37 per maand vanaf 1 januari 2013 tot 1 juli 2013,

  • -

    € 285,92 per maand vanaf 1 juli 2013 tot 1 juli 2014,

  • -

    € 285,92 per maand vanaf 1 juli 2014 tot de datum van ontruiming;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel en bepaalt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Actium gevallen, op € 683,- aan verschotten en op

€ 2.682,- voor geliquideerd salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] tot betaling van € 131,- voor nasalaris van de advocaat, dan wel € 199,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf 14 dagen na betekening van deze uitspraak tot de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten in het incidentele appel in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordelingen in het bestreden vonnis en dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. M.E.L. Fikkers en mr. M.C.D. Boon-Niks en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 juli 2015.