Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5533

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.128.180-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid. Op perceel A rust een erfdienstbaarheid van voetpad ten behoeve van perceel B. De percelen A en B grenzen met de achterzijde aan elkaar. Op perceel B bevindt zich een winkelpand met bovenwoning. Op enig moment koopt de eigenaar van perceel B het naastgelegen perceel C, waarop zich eveneens een winkelpand met bovenwoning bevindt. Beide panden worden samengevoegd tot één winkel en één bovenwoning, welke bovenwoning naderhand weer wordt gesplitst in twee bovenwoningen. Door het verwijderen van de trapopgangen van de beide bovenwoningen aan de straatzijde van de panden B en C ter uitbreiding van de winkelruimte, zijn de beide bovenwoningen uitsluitend noch bereikbaar via perceel A. Dit leidt tot een aanzienlijke verzwaring van de erfdienstbaarheid, die de eigenaar van perceel A niet hoeft te dulden. Het beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring strandt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.128.180/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/118108/ HA ZA 12-54)

arrest van de eerste kamer van 21 juli 2015

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna: [appellant 1],

2. [appellant 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna: [appellant 2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. W.S. Santema, kantoorhoudend te Drachten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Pieters, kantoorhoudend te Sneek.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 juni 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ter uitvoering van het tussenarrest van 17 juni 2014 heeft op 25 augustus 2014 een descente en aansluitend een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.2

[appellanten] hebben op 10 februari 2015 een akte genomen en [geïntimeerde] heeft op
24 maart 2015 een antwoordakte genomen.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

Vooraf

2.1

Het hof stelt voorop dat in het proces-verbaal van de descente van 25 augustus 2014 een kennelijke fout is gemaakt. Telkens waar in de vijfde alinea van blad 2 wordt gesproken over [adres 1] en [adres 2] is bedoeld [adres 3] , respectievelijk [adres 4] .

De feiten

2.2

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis van 13 maart 2013 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep met name ter gelegenheid van de descente zijn komen vast te staan, luiden als volgt.

2.3

[appellanten] zijn sinds 27 juni 1989 eigenaar van het perceel [adres 3] , te [woonplaats 1] , waarop zich hun woning bevindt. Naast de woning loopt over dit perceel een steeg van de [straat 1] naar de achterzijde van onder meer [adres 5] . De voordeur van de woning van [appellanten] bevindt zich halverwege de steeg.

2.4

In een notariële akte van 19 maart 1938 is de volgende passage opgenomen:

"De steeg behorende bij het aan de verkoper verblijvende gedeelte van gemeld perceel nummer [1] wordt bij deze ten behoeve van het bij deze verkochte gedeelte van gemeld perceel nummer [1] bezwaard met de erfdienstbaarheid van voet- en kruipad naar en van de [straat 1] met welke erfdienstbaarheid het bij deze verkochte mitsdien wordt bevoorrecht."

2.5

Het aan de [straat 1] gelegen gedeelte van het perceel nummer [1] is naderhand vernummerd tot sectie A, nr. [2] en is plaatselijk bekend als [adres 3] . Het aan de [straat 2] gelegen gedeelte van perceel nummer [1] is vernummerd tot sectie A nummer [3] en plaatselijk bekend als [adres 5] .

2.6

Op het perceel [adres 5] bevond zich eertijds een winkel met een bovenwoning in eigendom bij derden. Ten behoeve van de toegang tot de woning boven het pand beschikte het pand [adres 5] aan de zijde van de [straat 2] over een voordeur met daarachter een trapopgang. Aan de achterzijde werd het pand ontsloten door een deur naar de steeg. De vader van [geïntimeerde] heeft in 1970 de eigendom van het perceel [adres 5] verworven.

2.7

Het perceel [adres 6] , kadastraal bekend sectie A, nr. [4] , met de zich daarop bevindende winkel met bovenwoning is sinds 1928 in het bezit geweest van eerst de overgrootouders en later de grootouders en ouders van [geïntimeerde] . De toegang tot de woning boven [adres 6] liep via de winkeldeur aan de [straat 2] en de winkel naar een trapopgang in de winkel.

2.8

Op een bepaald moment hebben de ouders van [geïntimeerde] de benedenverdiepingen van [adressen 5 en 6] samengevoegd tot één winkelruimte en de bovenverdiepingen van de beide panden verbouwd tot één bovenwoning.

2.9

Na de samenvoeging van de bovenwoningen kon de woning aanvankelijk worden verlaten via de trap in de winkel en een deur in de achterzijde van de winkel uitkomend op de steeg op het perceel [adres 3] , richting [straat 1] . Op enig moment is de trap in de winkel opgeheven en kon de woning worden verlaten via een trap aan de achterzijde van het pand uitkomend op de steeg.

2.10

Vanaf 17 juli 1998 is [geïntimeerde] de eigenaar van de percelen [adres 5] en [adres 6] . In de periode 1998/1999 zijn de kadastrale percelen sectie A, nummer [3] en sectie A, nummer [4] samengevoegd en vernummerd tot sectie A, nummer [5] , [adressen 5 en 6] .

2.11

[geïntimeerde] heeft de bovenwoning tot 2008 zelf bewoond en is daarna verhuisd. Enige tijd daarna heeft [geïntimeerde] de bovenwoning weer gesplitst in twee wooneenheden, [adres 5] en [adres 6] die afzonderlijk aan derden worden verhuurd.

2.12

Beide bovenwoningen zijn uitsluitend te bereiken via de steeg op het perceel [adres 3] . Aan het eind van de steeg bevindt zich een deur die toegang geeft tot een portaal in eigendom van [geïntimeerde] , waar de trapopgang naar de bovenwoningen en een deur van de winkelruimte [adressen 5 en 6] op uitkomen.

2.13

Aan de zijde van de [straat 1] is de steeg afgesloten met een deur die is voorzien van een op afstand bedienbaar slot, welk slot sinds 2009 defect is als gevolg van vandalisme.

2.14

In het verslag van een bespreking op 9 december 2002 tussen [appellant 1] , [geïntimeerde] en [de moeder van geïntimeerde] (de moeder van [geïntimeerde] ) ten kantore van [X] Architecten getiteld "Bespreking bouwplan [adres 3] te [woonplaats 1] " zijn de volgende passages opgenomen:

"5. De steeg is eigendom van de heer [appellant 1] . O.a. de heer [geïntimeerde] heeft recht van overpad. De steegdeur zal vanaf de straatzijde d.m.v. een sleutel afsluitbaar zijn. De sleutel zal aan gebruikers van de steeg ter beschikking worden gesteld. De steegdeur is van binnenuit ten allen tijde te openen. (…)

Algemeen.

Het realiseren van het pand [adres 3] moet voor familie [geïntimeerde] geen nadelige gevolgen hebben en/of kosten met zich meebrengen. (…)"

Het verslag is door betrokkenen voor akkoord ondertekend.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2.15

[appellanten] hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat zij niet gehouden zijn [geïntimeerde] toegang te verlenen tot de steeg ten behoeve van het gaan van en naar de bovenwoning [adres 6] ;

2. [geïntimeerde] en tevens de bewoners/huurders van [adres 6] te verbieden de steeg te betreden om van en naar de bovenwoning [adres 6] te gaan, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding, zonder daar een maximum aan te verbinden;

3. [geïntimeerde] te veroordelen tot het creëren van een eigen uitgang naar de [straat 2] en/of [straat 1] over eigen grond, zodanig dat de steeg niet langer de hoofdingang vormt van de appartementen [adressen 5 en 6] .

4. [geïntimeerde] te verbieden te verhinderen dat [appellanten] de deur van de steeg op slot kunnen doen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding van dit verbod.

5. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.16

[geïntimeerde] heeft in reconventie samengevat gevorderd voor recht te verklaren dat een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van het perceel [adres 5] en ten laste van het perceel [adres 3] om gebruikte maken van de steeg om te komen van en te gaan naar de [straat 1] , alsmede [appellanten] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van twee sleutels van de toegangsdeur van de steeg voor de huurders van de bovenwoning [adres 5] .

Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd voor recht te verklaren dat een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd, dan wel ontstaan ten behoeve van het perceel [adres 6] en ten laste van het perceel [adres 3] om gebruikte maken van de steeg om te komen van en te gaan naar de [straat 1] , alsmede [appellanten] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van twee sleutels van de toegangsdeur van de steeg voor de huurders van de bovenwoning [adres 6] .

Voorts heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellanten] op straffe van een dwangsom te gebieden primair een ieder, subsidiair [geïntimeerde] , huurders, personeel van de speelgoedwinkel 'Intertoys’, familie en bezoek, toe te staan gebruik te maken van de steeg op het perceel [adres 3] om vanaf de [straat 1] via die steeg naar de percelen, staande en gelegen aan de [adres 5] en [adres 6] te gaan en omgekeerd.

[geïntimeerde] heeft tevens op straffe van dwangsom gevorderd [appellanten] te veroordelen tot afgifte van acht extra sleutels ten behoeve van het personeel van de speelgoedwinkel.

2.17

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] in conventie afgewezen.

2.18

De vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie zijn als volgt toegewezen:

"6.3. veroordeelt [appellanten] om jegens [geïntimeerde] kosteloos tot afgifte over te gaan van

één extra sleutel ten behoeve van de huurders van de bovenwoning aan de [adres 5] , op

straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [appellanten] in gebreke mochten

zijn met deze verplichting, waarbij een gedeelte van een dag voor een hele heeft te gelden,

met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom wordt gemaximeerd tot een totaalbedrag

van € 5.000,-;

6.4.

veroordeelt [appellanten] om jegens [geïntimeerde] kosteloos tot afgifte over te gaan van

twee extra sleutels ten behoeve van de huurders van de bovenwoning aan de [adres 6] ,

op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [appellanten] in gebreke

mochten zijn met deze verplichting, waarbij een gedeelte van een dag voor een hele heeft te

gelden, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom wordt gemaximeerd tot een

totaalbedrag van € 5.000,-;

6.5, veroordeelt [appellanten] om [geïntimeerde] , de huurders van [adressen 5 en 6] en

hun familie en bezoek en voorts het personeel van de speelgoedwinkel “Intertoys” gevestigd

aan de [adressen 5 en 6] toe te staan gebruik te mogen maken van de steeg op hun perceel [adres 3] die via die steeg van en naar de percelen [adres 5] en

[adres 6] wensen te gaan, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere

overtreding van deze verplichting, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom wordt

gemaximeerd tot een totaalbedrag van € 5.000,-;

6.6.

veroordeelt [appellanten] om jegens [geïntimeerde] kosteloos tot afgifte over te gaan van

twee extra sleutels ten behoeve van het personeel van de in 6.5 genoemde speelgoedwinkel,

op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [appellanten] in gebreke

mochten zijn met deze verplichting, waarbij een gedeelte van een dag voor een hele heeft te

gelden, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom wordt gemaximeerd tot een

totaalbedrag van € 5.000,-;"

Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.

2.19

De rechtbank heeft de kosten van de procedure zowel in conventie als in reconventie gecompenseerd.

De omvang van het geschil

2.20

[appellanten] hebben in hoger beroep in het petitum van de memorie van grieven hun vordering gewijzigd ten opzichte van hun vorderingen in eerste aanleg en de dagvaarding in hoger beroep. Nu [appellanten] hun vordering hebben verminderd en artikel 129 Rv eiser de mogelijkheid biedt zijn eis te allen tijde te verminderen, alsmede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, zal het hof de zaak beoordelen op grondslag van de gewijzigde vordering.

2.21

Blijkens de dagvaarding in eerste aanleg en de memorie van grieven (zie onder meer grief II en punt 37) is de inzet van het onderhavige geschil of ten behoeve van de bovenwoning [adres 6] aanspraak kan worden gemaakt op het recht van erfdienstbaarheid dat bij de hiervoor vermelde akte van 19 maart 1938 ten laste van het perceel [adres 3] is gevestigd.

De grieven

2.22

Grief I komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het feit dat er zowel feitelijk als kadastraal een vergroting van het heersende erf heeft plaatsgevonden er toe leidt dat de werking van de onderhavige erfdienstbaarheid zich thans uitstrekt tot het gezamenlijke perceel [adressen 5 en 6] , hoewel bij akte van 19 maart 1938 niet mede een erfdienstbaarheid is gevestigd ten aanzien van [adres 6] (rechtsoverweging 5.9). Naar de opvatting van [appellanten] is de erfdienstbaarheid uitsluitend gevestigd ten behoeve van het perceel [adres 5] en kan deze erfdienstbaarheid niet eenzijdig worden uitgebreid en verzwaard door het heersende erf samen te voegen met het naastgelegen erf.

2.23

Bij de uitleg van de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (Hoge Raad 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2397 en Hoge Raad 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9168).

2.24

Het hof stelt vast dat bij de hiervoor vermelde akte van 19 maart 1938 ter gelegenheid van de splitsing van het perceel nummer [1] uitsluitend ten behoeve van het perceel [adres 5] als heersend erf een erfdienstbaarheid van voet- en kruipad naar en van de [straat 1] is gevestigd.

Verder staat vast dat de ouders van [geïntimeerde] eerst de begane grond en vervolgens de bovenverdiepingen van de panden [adres 5] en [adres 6] hebben samengevoegd en om te gaan van en te komen naar zowel de begane grond als de bovenverdieping van de gecombineerde panden gebruik hebben gemaakt van de steeg tussen de achterzijde van [adres 5] en de [straat 1] . Voor de gecombineerde bovenverdieping is dit op een bepaald moment zelfs de enige ontsluiting naar de openbare weg geworden. Ook nadat de bovenverdieping weer is gesplitst in twee woningen is de steeg voor beide bovenwoningen de enige ontsluiting naar de openbare weg gebleven. Aldus is de enkel ten gunste van het perceel [adres 5] gevestigde erfdienstbaarheid in aanzienlijke mate verzwaard. [appellanten] behoeven een dergelijke verzwaring van de erfdienstbaarheid niet te aanvaarden.

2.25

Derhalve slaagt grief I.

2.26

In het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep moeten thans de niet behandelde of verworpen weren en de niet prijsgegeven stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg, voor zover niet al besproken bij de grief I, nog worden beoordeeld.

2.27

[geïntimeerde] heeft zich er op beroepen dat door verkrijgende verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van de bovenwoning [adres 6] . Daarnaast heeft hij benadrukt dat [appellanten] het recht van erfdienstbaarheid ten behoeve van [adres 6] hebben erkend door ondertekening van het verslag van de bespreking op 9 december 2002.

2.28

Op grond van artikel 3:99 BW verkrijgt een bezitter te goeder trouw van een recht op erfdienstbaarheid die erfdienstbaarheid door een onafgebroken bezit van tien jaren.

Is het bezit niet te goeder trouw, dan kan de bezitter de erfdienstbaarheid verkrijgen door verloop van twintig jaar (artikel 3:105 BW in verbinding met artikel 3:306 BW).

Er is sprake van bezit van een erfdienstbaarheid, wanneer er feitelijke omstandigheden, zoals gedragingen, een bestendige toestand van een erf en dergelijke, aanwezig zijn waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om een bevoegdheid als gerechtigde tot een erfdienstbaarheid uit te oefenen (zie artikel 3:108 BW).

In dat verband is vereist dat de gebruiker zich zodanig gedraagt dat de eigenaar daaruit niet anders kan afleiden dan dat de gebruiker pretendeert rechthebbende tot de erfdienstbaarheid te zijn (vgl. Hoge Raad 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826).

2.29

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] en zijn rechtsvoorgangers als eigenaren van het heersend erf [adres 5] gebruik hebben gemaakt en ook mochten maken van de onderhavige steeg. Ook na de samenvoeging van de percelen [adressen 5 en 6] zijn zij gebruik blijven maken van de onderhavige steeg. Dat kan evenwel niet tot de conclusie leiden dat zij door verjaring een erfdienstbaarheid van voet- en kruipad ten behoeve van het perceel [adres 6] en ten laste van [adres 3] hebben verkregen. Er zijn namelijk geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat voor [appellanten] en hun rechtsvoorgangers was vast te stellen dat [geïntimeerde] en/of zijn rechtsvoorgangers gebruik maakten van de steeg als eigenaren van [adres 6] en pretendeerden uit dien hoofde rechthebbende tot de erfdienstbaarheid te zijn. [appellanten] hebben er evenals voorheen vanuit kunnen gaan dat [geïntimeerde] en zijn rechtsvoorgangers gebruik maakten van de steeg als eigenaren van [adres 5] .

2.30

Tegen die achtergrond kan de afspraak die tussen partijen is gemaakt in een overleg dat op 9 december 2002 heeft plaatsgevonden op het kantoor van [X] Architecten dat het realiseren van het pand [adres 3] geen nadelige gevolgen voor de familie [geïntimeerde] mag hebben en/of geen kosten voor hen met zich mag brengen, niet leiden tot het oordeel dat [appellanten] een erfdienstbaarheid hebben gevestigd ten behoeve van [adres 6] , dan wel hebben erkend dat de bestaande erfdienstbaarheid mede het perceel [adres 6] omvat. Afgezien nog van het feit dat uit artikel 5:72 BW voortvloeit dat erfdienstbaarheden niet door erkenning kunnen ontstaan, behoefden [appellanten] er niet vanuit te gaan dat [geïntimeerde] op dat moment pretendeerde als eigenaar van [adres 6] rechthebbende tot de bestaande erfdienstbaarheid te zijn. Daarnaast staat de realisering van de woning op de [adres 3] los van de vraag naar de omvang van de erfdienstbaarheid, omdat onverkort een steeg over het perceel [adres 3] is gehandhaafd.

2.31

Voor zover [geïntimeerde] mocht hebben bedoeld te stellen dat het recht op erfdienstbaarheid ten behoeve van [adres 6] is ontstaan door het jarenlange gebruik van de bewoners/gebruikers van het perceel [adres 6] van de steeg voordat dit perceel werd samengevoegd met het perceel [adres 5] , kan dat evenmin leiden tot het door [geïntimeerde] beoogde gevolg. Het hof verwijst op dit punt naar de door de rechtbank in rechtsoverweging 5:18 gegeven motivering en neemt deze over.

2.32

Met betrekking tot de stelling van [geïntimeerde] dat hij in reconventie meer subsidiair een recht van noodweg zal vorderen (onderdeel 6 van de conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie), overweegt het hof dat hij die stelling niet nader heeft uitgewerkt en dat in het petitum van de vordering in reconventie ook niet is verzocht om de vaststelling van een dergelijk recht. Het hof zal daar dan ook aan voorbij gaan.

2.33

De verweren van [geïntimeerde] treffen geen doel. Het hof zal daarom overeenkomstig de vordering van [appellanten] het bestreden vonnis vernietigen voor zover dat in conventie is gewezen en voor recht verklaren dat het bij akte van 19 maart 1938 gevestigde recht van erfdienstbaarheid uitsluitend geldt voor het perceel [adres 5] als heersend erf. Daarnaast zal het hof bepalen dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan gebruik te maken van de steeg om van en naar de bovenwoning [adres 6] te gaan. Hieraan zal het hof een dwangsom verbinden van € 250,- per overtreding. Anders dan [appellanten] hebben bepleit zal het hof aan de dwangsom een maximum van € 25.000,- verbinden, omdat anders op enig moment de verbeurde dwangsommen niet langer in verhouding staan tot de aard en de ernst van de overtreding. Tevens zal worden bepaald dat de dwangsom voor het eerst kan worden verbeurd een jaar na betekening van dit arrest, ten einde [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen een andere ontsluiting voor de bovenwoning [adres 6] te realiseren. Voor zover [appellanten] hebben gevorderd de bewoners/gebruikers van de bovenwoning [adres 6] en hun bezoekers te verbieden gebruik te maken van de steeg op straffe van een dwangsom, zal het hof de vordering afwijzen, omdat deze personen geen partij zijn in deze procedure.

2.34

Grief II, gericht tegen onder meer rechtsoverweging 5.3 van het vonnis van
13 maart 2013, berust op een onjuiste lezing van die overweging. Anders dan [appellanten] hebben aangevoerd valt daarin niet te lezen dat [appellanten] ook de huurders van [adres 5] de toegang tot de steeg zouden willen ontzeggen. Daarentegen slaagt de grief wel voor zover deze is gericht tegen het dictum onder 6.5 van het bestreden vonnis waarbij [appellanten] zijn veroordeeld om [geïntimeerde] , de huurder van [adres 5] en haar familie en bezoek, alsmede het personeel van de speelgoedwinkel op straffe van een dwangsom toe te staan gebruik te maken van de steeg om te gaan naar en te komen van de [straat 1] . Het staat als onweersproken vast dat [appellanten] het bij akte van 19 maart 1938 gevestigde recht van erfdienstbaarheid niet hebben aangetast om te komen van en te gaan naar het perceel [adres 5] . Voor het opleggen van een gebod versterkt met dwangsom bestaat daarom geen grond.

2.35

Grief III komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] vijf extra sleutels van de toegangsdeur tot de steeg aan de zijde van de [straat 1] aan [geïntimeerde] dienen te verstrekken. Het hof zal [appellanten] gelasten kosteloos vier sleutels aan [geïntimeerde] af te geven, één voor [geïntimeerde] zelf, één voor de bewoner van [adres 5] en twee ten behoeve van het personeel van de winkel. Het hof zal hieraan een dwangsom verbinden van € 100,- per dag dat [appellanten] in gebreke blijven aan deze verplichting te voldoen, waarbij een gedeelte van een dag voor een hele dag heeft te gelden, met een maximum van € 5.000,-.

2.36

Grief III slaagt.

Slotsom

2.37

Gelet op het feit dat de grieven geheel (grieven I en III), dan wel gedeeltelijk (grief II) slagen kan het bestreden vonnis van 13 maart 2013 niet in stand blijven. Uit een oogpunt van overzichtelijkheid zal het hof het bestreden vonnis in zijn geheel vernietigen en zelf opnieuw recht doen in deze zaak.

2.38

[geïntimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Deze worden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 299,- aan griffierecht, € 92,82 aan explootkosten, en € 2.235,- (2,5 punten, tarief II, € 894,- per punt) aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

2.39

De kosten van de procedure in eerste aanleg heeft de rechtbank zowel in conventie als in reconventie gecompenseerd. Nu hiertegen niet is gegriefd blijft die beslissing in stand.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 13 maart 2013,

en opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat het bij akte van 19 maart 1938 gevestigde recht van erfdienstbaarheid uitsluitend geldt voor het perceel [adres 5] als heersend erf;

bepaalt dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan gebruik te maken van de steeg om van en naar de bovenwoning [adres 6] te gaan, op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding, met een maximum van € 25.000,-, welke dwangsom niet kan worden verbeurd binnen een jaar na betekening van dit arrest;

gelast [appellanten] kosteloos vier sleutels aan [geïntimeerde] af te geven vanaf het moment dat het slot op de toegangsdeur is hersteld, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat [appellanten] in gebreke blijven aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 5.000,-;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep, welke aan de zijde van [appellanten] worden begroot op € 299,- aan griffierecht, € 92,82 aan explootkosten, en € 2.235,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart de hiervoor vermelde veroordelingen, met uitzondering van de verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. M.W. Zandbergen en mr. G. van Rijssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.