Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5532

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.105.072-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding van schade als gevolg van lekkende douchepijpen. Hof komt niet terug op bindende eindbeslissing in tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.105.072/01

(zaaknummer rechtbank Assen 84272/HA ZA 11-26)

arrest van de eerste kamer van 21 juli 2015

in de zaak van

[appellante] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.A. Venema, kantoorhoudend te Emmen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 december 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

[appellante] heeft op 3 februari 2015 een akte na tussenarrest, met de producties 34 tot en met 38 genomen, en [geïntimeerden] hebben op 17 maart 2015 een antwoordakte na tussenarrest genomen.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het hof heeft [appellante] bij het tussenarrest van 23 december 2014 in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten naar aanleiding van de rechtsoverwegingen 2.13 en 2.38 van dat arrest, waarna [geïntimeerden] een antwoordakte mochten nemen.

Vermeerdering van eis

2.2

[appellante] heeft bij akte van 3 februari 2015 haar eis, voor zover nodig zo, gewijzigd dat de door haar gevorderde verklaring voor recht en de veroordeling tot schadevergoeding betrekking hebben op 92 (van de 94 zich voorgedaan hebbende) lekkages, naar de stand van zaken per 3 februari 2015.

2.3

[geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging.

2.4

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 6.5 tot en met 6.8 van het tussenarrest van 21 januari 2014 zal het hof recht doen op de gewijzigde eis.

De in het tussenarrest van 23 december 2014 gegeven bindende eindbeslissingen

2.5

[appellante] heeft zich in haar akte niet alleen uitgelaten naar aanleiding van de rechtsoverwegingen 2.13 en 2.38 van het tussenarrest, maar heeft tevens een tweetal in dat tussenarrest vervatte eindbeslissingen ter discussie gesteld. Het hof stelt in dat verband voorop dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800).

2.6

[appellante] heeft in haar akte aangevoerd dat het hof in het tussenarrest van 23 december 2014 ten aanzien van de "kosten veroorzaakt door de plaatsing" is uitgegaan van een verkeerde feitelijke voorstelling van zaken die volgens haar leidt tot een onjuiste juridische afweging. Allereerst heeft zij aangevoerd dat het hof in zijn tussenarrest er blijkbaar van is uitgegaan dat de in de handleiding voorgeschreven wijze van plaatsing, die zodanig moet zijn dat “de toegang tot de douchepijpen zonder veel ingrepen gerealiseerd moet kunnen worden”, inhoudt dat de douchepijp in de meterkast kan en moet worden geplaatst en dat die daar (regelmatig) in het volle zicht hangt, en dat zodoende een lekkage zou worden opgemerkt voordat het lekwater de vloer en muren aantast en bruin kleurt. Bovendien zijn volgens [appellante] de regels over stelplicht en bewijslast, en de mate waaraan die aan elkaar dienen te beantwoorden, onjuist toegepast.

2.7

Het hof heeft zowel in het tussenarrest van 21 januari 2014 (r.o. 6.34 en 6.35) als dat van 23 december 2014 (r.o. 2.23) overwogen dat de douchepijpen volgens de handleiding zodanig geplaatst moesten worden dat de toegang zonder veel ingrepen gerealiseerd zou kunnen worden, maar dat de wijze van installatie door [appellante] (namelijk – met uitzondering van de twee gevallen in [project 3] – in een dichte GIBO koker) daaraan niet voldeed. Het hof heeft geoordeeld dat voor zover de door [appellante] gemaakte kosten door de wijze van plaatsen zijn ontstaan, de schade niet kan worden toegerekend aan de door [geïntimeerden] geleverde lekkende douchepijpen.
2.8 Het hof heeft vervolgens in zijn tussenarrest van 23 december 2014 overwogen dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat zij de kosten van vocht meten en spuiten/afwerken van de wanden ook zou hebben moeten maken in het geval zij de douchepijpen conform de handleiding zou hebben geplaatst. Daarbij heeft het hof de stelling van [appellante] dat de lekkage ook bij plaatsing in de meterkast niet eerder zou zijn opgemerkt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Het hof heeft niet overwogen dat de in de handleiding voorgeschreven wijze van plaatsing noodzakelijkerwijs inhield dat de douchepijp in de meterkast en/of in volle zicht moest worden geplaatst.

Het hof heeft geoordeeld dat [appellante] niet voldoende heeft onderbouwd dat de door haar gestelde kosten voor "vocht meten en spuiten/afwerken wanden" in dezelfde mate zouden zijn gemaakt indien de douchepijpen zouden zijn geïnstalleerd op een plaats waar zij zonder veel ingrepen zouden kunnen worden bereikt, hetgeen wel op haar weg had gelegen.

2.9

[appellante] heeft in haar akte van 1 juli 2014 gesteld dat de douchepijpen van het project [project 1] evenals die in de woningen van het project [project 2] allemaal waren geplaatst in een afgesloten GIBO-koker, terwijl de douchepijpen in het project [project 3] – waar zich de minste schadegevallen hebben voorgedaan – in een schacht met een afneembaar paneel met GIBO er omheen. UBO heeft in haar laatste akte onder 4.14 opgemerkt dat de informatie in haar akte van 1 juli 2014 niet juist was omdat bij sommige woningtypen in het project [project 4] de pijpen eveneens achter een verwijderbaar paneel in de trapkast waren geplaatst. [appellante] stelt thans dat de schade aan de omliggende vloeren en muren in woningen waarin de douchepijpen waren geïnstalleerd op een plaats die ‘zonder veel ingrepen toegankelijk is’ even hoog is als de schade aan woningen waarin de douchepijp in een dichte koof was geplaatst.

2.10

Wat daarvan ook zij, het hof ziet geen aanleiding om naar aanleiding van de gewijzigde stellingen van [appellante] in haar laatste akte terug te komen op zijn eerdere eindbeslissing, nu [appellante] een en ander in een eerder stadium van deze procedure naar voren had kunnen brengen, maar dat heeft nagelaten.

2.11

[appellante] heeft verder aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft miskend dat [appellante] , voordat zij een loodgieter op pad stuurde, eerst zelf een inspectie moest laten uitvoeren om vast te stellen wat de oorzaak van de gemelde lekkage was. Volgens [appellante] was in een aantal gevallen van onterechte lekkagemeldingen geen sprake van waterschade en zijn er in de loop der jaren wel eens meldingen geweest van waterschade die een andere oorzaak bleek te hebben, zoals een gesprongen waterleiding of een kapotte aansluiting, ter zake waarvan [appellante] de kosten van die inspecties niet heeft gevorderd.

2.12

Het hof heeft in rechtsoverweging 2.16 van het tussenarrest van 23 december 2014 overwogen dat [appellante] , nadat diverse malen bij inspectie was gebleken dat de lekkage in de woningen werd veroorzaakt door een lekkende douchepijp, bij melding van een nieuwe lekkage in een woning waar een dergelijke douchepijp was geïnstalleerd kon volstaan met het inschakelen van de loodgieter die ter plaatse de douchepijp zou inspecteren en vervolgens de aangewezen werkzaamheden - vervanging van de douchepijp of het aanbrengen van een bypass - zou verrichten. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding om op deze eindbeslissing terug te komen.

Akte als bedoeld onder 2.13 van voormeld tussenarrest: facturen loodgieter

2.13

Het hof heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld in het kader van de onderbouwing van haar kosten de facturen van de loodgieter in het geding te brengen.

2.14

[appellante] heeft bij akte van 3 februari 2015 als productie 34 een factuur van [X] (hierna: [X] ) d.d. 29 december 2014 in het geding gebracht voor een totaalbedrag van € 18.938,75 exclusief btw voor de lekkages genummerd 21 tot en met 75 in project " [project 2] ". Daarnaast heeft [appellante] als productie 35 een factuur van [Y] (hierna: [Y] ) d.d. 27 januari 2015 voor een totaalbedrag van € 6.232,36 overgelegd voor 18 adressen in de projecten " [project 4] " en " [project 3] ", waarvan één douchepijp is vervangen door Technea en in één geval een vergoeding van € 125,- van Technea is ontvangen.

2.15

[appellante] heeft reeds eerder de factuur van [appellante] van 14 juli 2010 van € 5.173,60 exclusief btw voor de lekkages genummerd 1 tot en met 20 in project " [project 2] " in het geding gebracht.

2.16

[geïntimeerden] blijven van mening dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij deze schade daadwerkelijk heeft geleden. Zij hebben aangevoerd dat de facturen zijn opgesteld in het kader van de onderhavige procedure, waaruit moet blijken dat beide bedrijven vanaf 2010 werkzaamheden hebben verricht die pas achteraf alsnog in rekening zijn gebracht. Volgens hen is de uitdraai van een rekenprogramma overgezet naar beide facturen en is opvallend dat [appellante] geen betalingsbewijzen heeft overgelegd.

2.17

Het hof acht met deze facturen voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante] kosten voor het vervangen respectievelijk het aanbrengen van een bypass heeft moeten maken.

2.18

Het hof constateert dat [X] en [Y] voor het vervangen van een douchepijp € 257,25 respectievelijk € 258,68 hebben gefactureerd en dat [X] en Walraven voor het maken van een omleiding € 379,25 respectievelijk € 365,- hebben gefactureerd.

2.19

De door [geïntimeerden] gestelde all-in prijs van [Z] groot € 220,- exclusief btw heeft betrekking op de vervanging van de douchepijpen. Het verschil met voormelde bedragen van € 257,25 en € 258,68 is niet zodanig, dat dit buitenproportioneel moet worden geacht.

2.20

Wat betreft de kosten van het aanbrengen van een bypass heeft [geïntimeerden] niet betwist dat het aanbrengen van een bypass een hier geëigende manier van verhelpen van de lekkage is, zodat het hof hiervan uitgaat. Dat de daarmee gepaard gaande kosten hoger zijn, namelijk € 365,- per keer, heeft [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd betwist.
[geïntimeerden] heeft uitsluitend facturen voor het vervangen van douchepijpen in het geding gebracht. Haar berekening van de volgens haar te maken kosten van € 140,- heeft zij niet met stukken onderbouwd.

2.21

Het hof acht de door [X] en [Y] gefactureerde bedragen van € 5.173,60, € 18.938,75 en € 6.232.36 in redelijkheid gemaakt en zal de betaling van deze bedragen aan [appellante] als vergoeding van de door de lekkages voor haar ontstane schade toewijzen.

2.22

[appellante] heeft over de door haar gevorderde bedragen de wettelijke rente gevorderd vanaf 1 juli 2010 althans vanaf 5 april 2012 tot de dag van algehele voldoening.

2.23

[geïntimeerden] hebben de ingangsdatum van de wettelijke rente betwist. Die rente gaat volgens hen pas in op het moment dat de gemaakte kosten werkelijk zijn gemaakt.

2.24

Op grond van artikel 6:119 BW in combinatie met artikel 6:83 sub b BW gaat de wettelijke rente lopen zodra de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is. Dat is het geval wanneer de schade geacht wordt te zijn geleden. Bij concreet begrote schade ontstaat de opeisbaarheid op het moment dat de benadeelde de kosten verschuldigd wordt. Het hof zal dan ook uitgaan van de vervaldata van de facturen van [X] en [Y] .

2.25

Het hof acht over de door [X] en [Y] gefactureerde bedragen de wettelijke rente als volgt toewijsbaar: vanaf 13 augustus 2010 over het bedrag van € 5.173,60, vanaf 28 januari 2015 over het bedrag van € 18.938,75 en vanaf 26 februari 2015 over het bedrag van € 6.232.36 (overeenkomstig de vervaltermijn in de betreffende facturen).

Akte als bedoeld onder 2.38 van het tussenarrest van 23 december 2014

2.26

[appellante] heeft in haar akte na tussenarrest gesteld dat de verhuurder van de woning aan de [adres 1] te [plaats] een loodgieter heeft ingeschakeld om de lekkage te verhelpen middels een bypass. Deze lekkage is daarom wel opgenomen in het overzicht van de lekkages en is niet opgenomen in de factuur van [X] .

2.27

Het hof zal, overeenkomstig het in r.o. 2.38 van voormeld tussenarrest van 23 december 2014 overwogene, in verband met het aanbrengen van een bypass in deze woning hetzelfde bedrag toewijzen als voor het door [appellante] inschakelen van een loodgieter, te weten € 365,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012, nu [appellante] blijkens productie 6 bij memorie van grieven op die datum tot betaling van de schade aan de woning aan de [adres 1] is aangesproken door de verzekeraar van de verhuurder.


En voorts

2.28

Ter zake de kosten van begeleiding door [appellante] van de vervanging dan wel het aanbrengen van een bypass is overeenkomstig r.o. 2.24 van het tussenarrest van 23 december 2014 een bedrag van € 30,- per geval, zijnde in totaal 92 x € 30,- , ofwel € 2.760,-, toewijsbaar.

2.29

De wettelijke rente over de door [appellante] gemaakte begeleidingskosten zal het hof voor de lekkagegevallen 1-19 en 21, 22, 23 van de factuur van [X] toewijzen (22 x € 30,- ofwel € 660,-) vanaf 1 juli 2010, nu ter zake die lekkages blijkens die factuur voordien actie is ondernomen. Wat betreft de lekkagegevallen 20, 23-51 en 4 gevallen van de factuur van [Y] (34 x € 30,-, ofwel € 1.020,-) is deze rente om dezelfde reden toewijsbaar vanaf 5 april 2012. Wat betreft de overige 36 gevallen van lekkage (36 x € 30,- ofwel
€ 1.080,-) gaat die rente in op het moment dat de betreffende lekkage in opdracht van [appellante] is verholpen. Nu dit 36 verschillende ingangsdata zijn en [appellante] dit niet gespecificeerd heeft gesteld, zal het hof de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de akte van [appellante] van 3 februari 2015 toewijzen.

2.30

Daarnaast wordt toegewezen het bedrag van € 1.870,- voor voorrijkosten en kosten van inspectie (rechtsoverweging 2.15 tot en met 2.17 van het tussenarrest van 23 december 2014), alsmede het bedrag van 20 x € 10,-, ofwel € 200,- voor de kosten van begeleiding van [appellante] van deze inspectie (rechtsoverweging 2.24 van voormeld tussenarrest), maakt samen € 2.070,-. De wettelijke rente over € 2.070,- is toewijsbaar vanaf 1 juli 2010, nu uit de factuur van [X] van 14 juli 2010 blijkt dat die schade reeds voorafgaand aan de in de vordering genoemde datum van 1 juli 2010 is geleden.

2.31

Voorts worden toegewezen:

- de bedragen van € 3.214,45 en € 2.224,20, beide exclusief btw, ten aanzien van de facturen van [Q] van 30 juli 2010 en van 17 december 2010, te vermeerderen met de wettelijke rente voor die bedragen per respectievelijk 29 augustus 2010 en 16 januari 2011 (op grond van die facturen 30 dagen na factuurdatum)

- een bedrag van € 1.158,- ten aanzien van de declaraties van [R] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2010 (op grond van de eerste factuur 14 dagen na de factuurdatum);

- een bedrag van € 154,87 voor de kosten van het proces-verbaal van beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande de dag van het uitbrengen van het beslagexploot op 17 december 2010;

- een bedrag van € 62,56 exclusief btw voor de declaratie van de deurwaarder voor het uitgebrachte beslagexploot, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande op de dag van het uitbrengen van 17 december 2010.

2.32

Overeenkomstig rechtsoverweging 6.16 van het tussenarrest van 21 januari 2014 is [geïntimeerde 2] aansprakelijk voor de tot 11 november 2009 geproduceerde, eventueel gebrekkige douchepijpen in " [project 3] " en [geïntimeerde 1] voor die nadien zijn geproduceerd.

2.33

Nu het hier, blijkens onderdeel 1.1 van de akte na tussenarrest van [appellante] van 3 februari 2015, 2 lekkages betreft, te weten aan de [adres 2] , uitgevoerd op 4 maart 2014 en 22 december 2012 en uit de (na voormeld tussenarrest overgelegde) stukken niet blijkt wie deze douchepijpen in het project " [project 3] " heeft geproduceerd, zal het hof [geïntimeerden] tezamen veroordelen tot vergoeding van het door [Y] gefactureerde bedrag dat betrekking heeft op die 2 lekkages, door het hof gesteld op 2 x (€ 365,-+ € 30,-) is € 790,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2015.

2.34

De douchepijpen in de projecten " [project 4] " en " [project 2] " (waaronder die aan de [adres 1] te [plaats] ) zijn voor 11 november 2009 geïnstalleerd en voor die eventueel gebrekkige pijpen is [geïntimeerde 2] aansprakelijk.

2.34

Het hof zal Heidemans respectievelijk [geïntimeerde 1] veroordelen tot vergoeding van de (hierna onder 2.36 opgesomde) op 3 februari 2015 (datum laatste akte [appellante] ) als gevolg van de lekkende douchepijpen reeds door [appellante] geleden schade en voorts voor recht verklaren dat zij ter vergoeding van schade als gevolg van na die datum nog optredende lekkages € 395,- dienen te betalen per aan te brengen bypass (bestaande uit de kosten van de loodgieter van
€ 365,- en € 30,- voor begeleidingskosten van [appellante] ) en € 288,68 (idem € 258,68 + € 30,-) per te vervangen douchepijp. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure zal het hof afwijzen, nu voor toewijzing van een dergelijke vordering de kans op schade aannemelijk moet zijn, terwijl in onzeker is of er in de toekomst nog schade zal optreden.

2.35

Het hof zal [geïntimeerden] als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen, te vermeerderen met het nasalaris zoals nader in het dictum bepaald (waaronder 3,5 punten x € 894,- (tarief IV), ofwel € 3.129,- voor salaris advocaat in eerste aanleg en 4,5 punten x € 1.631,- (tarief IV) ofwel € 7.339,50 voor salaris advocaat in hoger beroep).

Slotsom

2.36

De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis wordt vernietigd.
Het hof zal [geïntimeerde 2] veroordelen om ter zake van de op 3 februari 2015 reeds geleden schade als gevolg van lekkage van douchepijpen in de projecten " [project 2] ", " [project 4] " en van de voor 11 november 2009 geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " om aan [appellante] te vergoeden:

- een bedrag van € 5.173,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2010;

- een bedrag van € 18.938,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
28 januari 2015;

- een bedrag van € 6.232,36 -/- € 790,- ( [project 4] ) ofwel € 5,442,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2015;

- een bedrag van € 365,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012;

- een bedrag van € 2.070,- + € 660,-, ofwel € 2.730,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2010;

- een bedrag van € 1.020,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2012;

- een bedrag van € 1.080,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
3 februari 2015.

Het hof zal Hei -Tech c.s. veroordelen om ter zake van de op 3 februari 2015 reeds geleden schade als gevolg van lekkage van de na 11 november 2009 geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " aan [appellante] te vergoeden:

- een bedrag van € 790,- ( [project 4] ) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 februari 2015;

- een bedrag van € 3.214,45 en van € 2.224,20, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van respectievelijk 29 augustus 2010 en 16 januari 2011;

- een bedrag van € 1.158,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
16 augustus 2010;

- een bedrag van € 154,87 en van € 62,56, ofwel € 217,43 voor de kosten van de beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2010.

Bij een afzonderlijke verklaring voor recht ten aanzien van de reeds geleden schade heeft [appellante] daarnaast geen belang.

2.37

Voor wat betreft de na 3 februari 2015 nog door [appellante] te lijden schade als gevolg van lekkage van de douchepijpen in de projecten " [project 2] ", " [project 4] " en in het project " [project 3] " zal het hof voor recht verklaren dat [geïntimeerde 2] respectievelijk [geïntimeerden] gehouden zijn ter vergoeding van die schade aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 395,- in geval van het aanbrengen van een bypass en een bedrag van € 288,68 in geval van het vervangen van een douchepijp. Het hof zal [geïntimeerden] tot slot in de proceskosten in beide instanties veroordelen.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Assen van 8 februari 2012 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde 2] om ter zake van de op 3 februari 2015 reeds geleden schade als gevolg van lekkage van douchepijpen in de projecten " [project 2] ", " [project 4] " en van de voor 11 november 2009 geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " aan [appellante] te vergoeden:

- een bedrag van € 5.173,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2010;

- een bedrag van € 18.938,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
28 januari 2015;

- een bedrag van € € 5,442,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
26 februari 2015;

- een bedrag van € 365,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012;

- een bedrag van € 2.730,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2010;

- een bedrag van € 1.020,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2012;

- een bedrag van € 1.080,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
3 februari 2015;

veroordeelt [geïntimeerden] om ter zake van de op 3 februari 2015 reeds geleden schade als gevolg van lekkage van de na 11 november 2009 geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " buitengerechtelijke kosten en beslagkosten aan [appellante] te vergoeden:

- een bedrag van € 790,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 februari 2015;

- een bedrag van € 3.214,45 en van € 2.224,20, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van respectievelijk 29 augustus 2010 en 16 januari 2011;

- een bedrag van € 1.158,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
16 augustus 2010;

- een bedrag van € 217,43 voor de kosten van de beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2010;

verklaart voor recht dat [geïntimeerde 2] gehouden is om in geval van na 3 februari 2015 nog optredende lekkages van de door haar geproduceerde douchepijpen in de projecten " [project 2] ", " [project 4] " en van lekkage van de voor 11 november 2009 door haar geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " ter vergoeding van de dientengevolge door [appellante] te lijden schade € 395,- dient te betalen aan te brengen bypass (bestaande uit de kosten van de loodgieter van € 365,- en € 30,- voor begeleidingskosten van [appellante] ) en € 288,68 (idem € 258,68 + € 30,-) per te vervangen douchepijp;

verklaart voor recht dat [geïntimeerde 1] gehouden is om in geval van na 3 februari 2015 nog optredende lekkages van de na 11 november 2009 door haar geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " ter vergoeding van de dientengevolge door [appellante] te lijden schade € 395,- dient te betalen per aangebrachte bypass (bestaande uit de kosten van de loodgieter van € 365,- en € 30,- voor begeleidingskosten van [appellante] ) en € 288,68 (idem € 258,68 +
€ 30,-) per vervangen douchepijp;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 3.129,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.254,89 voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 7.339,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.891,17 voor verschotten, alsmede € 131,00 voor nasalaris van de advocaat,

verklaart dit arrest - behoudens zover het de hierin vermelde verklaringen voor recht - uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. H. de Hek en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 juli 2015.