Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5207

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
200.153.540-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding en pensioenverweer. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht voor herstel band echtscheiding en nevenvoorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0267
EB 2015/90
RFR 2015/136

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.153.540/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 133442/FARK 12-861)

beschikking van de familiekamer van 9 juli 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. Skála, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Weissink, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 4 september 2012, 29 januari 2013, 3 september 2013, 4 maart 2014 en 6 mei 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vrouw, ingekomen op 4 augustus 2014;

- het verweerschrift van de man, ingekomen op 10 oktober 2014;

- een journaalbericht van mr. Skála van 3 december 2014 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Skála van 5 december 2014 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Skála van 9 december 2014 met bijlage;

- een journaalbericht van mr. Weissink van 10 december 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 december 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen. De vrouw werd bijgestaan door mr. Skála en de man werd bijgestaan door mr. Wortmann, kantoorgenote van mr. Weissink, zoals deze op voorhand bij journaalbericht van 10 december 2014 had aangekondigd. Beide advocaten hebben mede het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1992 in [C] , Duitsland, in het huwelijk getreden. De man heeft de Nederlandse en de vrouw heeft de Duitse nationaliteit.

3.2

Voorafgaand aan het huwelijk zijn partijen bij notariële akte van 4 november 1992 huwelijkse voorwaarden aangegaan waarin zij de vermogensrechtelijke gevolgen van hun voorgenomen huwelijk hebben geregeld.

3.3

Blijkens de akte van huwelijkse voorwaarden van 4 november 1992 zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

"RECHTSKEUZE

ARTIKEL 1

De rechtsgevolgen van het huwelijk zullen worden beheerst door het Nederlands recht voor zoveel een keuze voor dat recht mogelijk is.

UITSLUITING HUWELIJKSGOEDERENGEMEENSCHAP
ARTIKEL 2

Tussen de echtgenoten wordt iedere vermogensrechtelijke gemeenschap uitgesloten, behalve die welke hierna in artikel 6 is vermeld.

GEMEENSCHAPPELIJKE WONING
ARTIKEL 6

Tussen de echtgenoten zal een beperkte gemeenschap van goederen bestaan welke uitsluitend omvat: het woonhuis met erf en tuin, plaatselijk bekend [a-straat] 28 te [D] , provincie Groningen, kadastraal bekend gemeente [D] , provincie Groningen, sectie [Y] nummer [0000] , groot vijf are één en dertig centiare; zodat, ingeval die onroerende zaak door de echtgenoten wordt vervreemd, op welke wijze dan ook, tussen hen geen enkele gemeenschap van goederen meer zal bestaan terwijl de tegenprestatie welke voor genoemde onroerende zaak wordt verkregen, waartoe zij dan ieder voor de helft gerechtigd zullen zijn, privé-vermogen van de echtgenoten zal zijn. (…)

PENSIOENVEREVENING
ARTIKEL 8

Indien het huwelijk wordt ontbonden door echtscheiding, alsmede in het geval van scheiding van tafel en bed, zullen door de echtgenoten tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken worden verrekend/verevend op de door de Nederlandse wet voorgeschreven wijze.

Indien alsdan in Nederland geen wettelijke regeling ter zake bestaat, dan zal door de echtgenoten onderling worden verrekend het door de echtgenoten tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen (mitsdien niet het weduwen- of weduwnaarspensioen), analoog aan de thans in de Nederlandse rechtspraak ontwikkelde wijze voor het geval echtgenoten zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

Tenzij partijen bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed anders overeenkomen zal de verrekening/verevening tussen hen alleen plaatsvinden als, en niet eerder plaatsvinden dan nadat, het ouderdomspensioen onvoorwaardelijk tot uitkering komt, of bij afkoop van in de verrekening/verevening betrokken pensioenrechten, en zal, indien de pensioenrechten leiden tot periodieke uitkeringen, de afrekening plaatsvinden in de vorm van uitkering van een gedeelte van die betalingen.

De man verplicht zich het weduwen pensioen her te verzekeren bij een verzekeringsmaatschappij.

Alle vanaf heden door de man en de vrouw gezamenlijk te sluiten risicoverzekeringen dan wel gemengde verzekeringen in welke vorm dan ook, zullen het eigendom zijn van beide echtgenoten. De waarde van de betreffende verzekering zal bij echtscheiding bij helfte worden verdeeld. De te betalen premies worden geacht te behoren tot de kosten van de huishouding.

INLICHTINGEN

ARTIKEL 11

De echtgenoten zijn verplicht elkaar desgewenst inlichtingen te verschaffen over hun inkomsten en de daaruit betaalde kosten en belastingen, alsmede alle verdere gegevens welke nodig mochten zijn voor een behoorlijke uitvoering van deze huwelijksvoorwaarden."

3.4

Na tussenbeschikkingen van 4 september 2012, 29 januari 2013, 3 september 2013 en 4 maart 2014 heeft de rechtbank bij beschikking van 6 mei 2014 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de afwikkeling van de beperkte gemeenschap, de huwelijkse voorwaarden en het pensioen alsmede de partneralimentatie opnieuw aangehouden.

3.5

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld van deze echtscheidingsbeschikking en de daaraan voorafgaande beschikkingen, te weten die van 4 maart 2014, 3 september 2013 en 29 januari 2013.

4 De omvang van het geschil

Het hoger beroep van de vrouw richt zich tegen de uitgesproken echtscheiding waarbij door haar primair een beroep wordt gedaan op het pensioenverweer als bedoeld in artikel 1:153 BW en subsidiair wordt verzocht de zaak terug te verwijzen met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

5 De motivering van de beslissing

het motiveringsbeginsel

5.1

De vrouw klaagt in grief I onder meer over het feit dat de rechtbank bij haar beoordeling (in het bijzonder bij de beschikking van 3 september 2013) geen althans onvoldoende kenbaar acht heeft geslagen op de inhoud van haar brieven van 3, 10 en 24 juni 2013 met de bijbehorende bijlagen waaronder de polissen [E] en de polis spaarplan [F] . Zij betoogt dat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van deze polissen mede daardoor onvoldoende is gemotiveerd.

5.2

Daargelaten het antwoord op de vraag of de rechter genoemde brieven en bijlagen al dan niet bij de comparitie en de daarop volgende beschikking van 3 september 2013 en haar (uiteindelijk) beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, heeft de vrouw geen belang bij behandeling van de klacht. Zij heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd, waarbij zij de genoemde brieven met bijlagen opnieuw heeft overgelegd zodat deze in ieder geval in hoger beroep deel uitmaken van het procesdossier en waarbij zij in de gelegenheid is gesteld haar inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 6 mei 2014 en de voorliggende beschikkingen, waaronder die van 3 september 2013, kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.

HET PENSIOENVERWEER

5.3

Het hof zal eerst beoordelen of de vrouw een beroep kan doen op het pensioenverweer als bedoeld in artikel 1:153 BW.

* algemeen

5.4

Indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat echtscheidingsverzoek verweer voert, kan dit verzoek -ingevolge het bepaalde in artikel 1:153 lid 1 BW- niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.

5.5

In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 6 mei 1971, Stb. 290 wordt erop gewezen dat "door echtscheiding met name de vrouw het ernstige risico loopt bij vooroverlijden van de man slecht verzorgd achter te blijven. De alimentatie houdt dan op, en een pensioenvoorziening of levensverzekering is veelal zo geregeld dat weduwenuitkeringen slechts ten goede komen aan de vrouw met wie de man op het ogenblik van overlijden was gehuwd. Ondanks wettelijke sociale voorzieningen (…) kan verlies van toekomstige pensioenrechten onherstelbaar afbreuk doen aan de voorziening in het levensonderhoud die voor de vrouw bij voortduring van het huwelijk na 's mans overlijden gewaarborgd zou zijn. De hoop en verwachting worden uitgesproken dat meer pensioenregelingen zullen worden getroffen zoals in de toenmalige Algemene Burgerlijke Pensioenwet voorzien, inhoudende een bijzonder weduwenpensioen dat evenredig is aan de diensttijd van de man voor ontbinding van het huwelijk. Naarmate dit geschiedt, zal artikel 1:153 BW “in belang verminderen", aldus de toelichting. Benadrukt wordt dat ten tijde van de rechterlijke uitspraak een pensioenvoorziening of daarmee vergelijkbare levensverzekering moet bestaan welke bij vooroverlijden van de verzoeker aan de andere echtgenoot rechten op uitkeringen geeft.

5.6

Volgens de memorie van antwoord is de betekenis van het artikel dat, als door de echtscheiding enig vooruitzicht op weduwenpensioen en dergelijke teloor zou gaan of ernstig wordt aangetast, verweer kan worden gevoerd: de scheiding kan niettemin worden uitgesproken, indien een voldoende voorziening wordt getroffen. Aan het verweer kan onder meer tegemoet worden gekomen door toekenning van het weduwenpensioen, voor zover op de datum der echtscheiding reeds opgebouwd, aan de vrouw. Enerzijds betekent dit niet dat een zodanige tegemoetkoming in alle gevallen als een voldoende voorziening zal kunnen worden beschouwd, anderzijds is met 'voldoende voorziening' ook niet bedoeld dat een volledige compensatie moet worden gegeven voor het gemis van het verwachte weduwenpensioen.

5.7

Volgens vaste rechtspraak moet uit de hiervoor geciteerde passage in de memorie van toelichting en uit de tekst van de wet - sprekend van "een vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan" - worden afgeleid dat de bepaling slechts betrekking heeft op een vooruitzicht op uitkeringen uit hoofde van een nabestaandenpensioen en daarmee vergelijkbare uitkeringen, zoals die krachtens een levensverzekering, en niet op bijvoorbeeld uitkeringen uit het ouderdomspensioen van de verzoekende echtgenoot, spaargelden of onroerende zaken. Het gebruikelijke begrip 'pensioenverweer' dient derhalve in beperkte zin te worden opgevat.

* het pensioen in eigen beheer

5.8

Voor de man als directeur groot-aandeelhouder is pensioen in eigen beheer opgebouwd in de Beheermaatschappij [G] BV. Ter zake van deze pensioenopbouw is overgelegd een "Pensioenovereenkomst voor directeur grootaandeelhouder met pensioen in eigen beheer" aangegaan tussen hem als werknemer en de Beheermaatschappij als werkgever, gedateerd 27 mei 2004. Voorts is overgelegd een "Aanvulling op de pensioenovereenkomst voor directeur grootaandeelhouder met pensioen in eigen beheer, d.d. 26 mei 2004" welke overeenkomst is overeengekomen en getekend op 27 mei 2004 door de Beheermaatschappij en de man en - naar tussen partijen in geschil is - al dan niet door de vrouw.

5.9

Uit de pensioenovereenkomst van 27 mei 2004 blijkt dat aan de man een ouderdomspensioen wordt toegekend ingaande op de 65ste jarige leeftijd (artikel 1 onder a in verbinding met artikel 2 onder a). Daarnaast wordt een nabestaandenpensioen toegekend aan de partner van de man, te weten de persoon met wie de man is gehuwd of een geregistreerd partnerschap heeft ten tijde van het overlijden (artikel 2 onder b). Ingeval het huwelijk of geregistreerd partnerschap anders dan door overlijden wordt verbroken - zoals bijvoorbeeld ontbinding van het huwelijk door echtscheiding - wordt aan de gewezen echtgenoot/geregistreerd partner premievrije aanspraken op bijzonder nabestaandenpensioen verleend (artikel 11).

5.10

In de aanvulling op de pensioenovereenkomst van 27 mei 2004 is onder andere opgenomen: “de verdere opbouw van pensioenen is thans stopgezet. Er vindt tot nader overeen te komen tijdstip geen toevoeging aan de pensioenreserve plaats, noch worden premiebetalingen voor pensioenrechten gedaan. Alle pensioenrechten worden beperkt tot de pensioenen die kunnen worden aangekocht voor de thans aanwezige reserve.” Niet in geschil is dat op dat moment op de balans van de vennootschap een voorziening voor pensioen van € 225.000,- stond opgenomen.

5.11

Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank in haar beschikking van 3 september 2013 ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat in de pensioenovereenkomst geen voorziening is getroffen voor een nabestaandenpensioen voor de gewezen echtgenoot. De derde grief van de vrouw waarin zij dit oordeel bestrijdt - is in zoverre terecht voorgesteld maar dit kan de vrouw niet baten. In haar beschikking van 4 maart 2014 heeft de rechtbank deze fout onderkend en dit oordeel reeds gecorrigeerd door vast te stellen dat de vrouw op grond van de pensioenovereenkomst wel recht heeft op een dergelijk bijzonder nabestaandenpensioen.

5.12

Ook gelet op het debat tussen partijen in hoger beroep is niet in geschil dat in de pensioenovereenkomst aan de vrouw een premievrije aanspraak op bijzonder nabestaandenpensioen wordt verleend. Het hof onderschrijft, na eigen beoordeling, dit oordeel van de rechtbank. In de kern genomen betoogt de vrouw, gezien haar toelichting op grief IV, dat haar niet alleen een beroep toekomt op het pensioenverweer wanneer een bestaand voorzicht wegvalt door de echtscheiding (het formele recht op nabestaandenpensioen), maar ook indien en zolang de omvang van haar aanspraken niet is vastgesteld en de afstorting van het kapitaal betreffende die aanspraken niet heeft plaatsgevonden (het materiële recht op nabestaandenpensioen).

5.13

Het hof volgt de vrouw niet in deze stellingen. Artikel 1:153 BW heeft uitsluitend betrekking op het in juridische zin verloren gaan van een bestaand vooruitzicht op nabestaandenpensioen als gevolg van de echtscheiding. De enkele omstandigheid dat sprake is van onduidelijkheid over de omvang van deze pensioenaanspraken of dreiging dat de daarvoor benodigde gelden zijn/worden zoekgemaakt betekent niet dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:153 BW. Gelet op de tekst van de bepaling alsmede haar totstandkomingsgeschiedenis als geciteerd en geparafraseerd onder rechtsoverweging 5.4 tot en met 5.7 is de toepasselijkheid van de bepaling naar het oordeel van het hof beperkt tot de situatie dat vast staat dat als gevolg van de echtscheiding als juridisch feit een bestaand vooruitzicht op - kort gezegd - een nabestaandenuitkering rechtens verloren zal gaan of verminderd zal worden. Anders dan de vrouw met grief IV kennelijk betoogt, hoeft de beslissing omtrent de echtscheiding niet te worden aangehouden totdat er duidelijkheid is over de omvang van de pensioenaanspraken en (onder meer) de afstorting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

5.14

De in eigen beheer verzekerde pensioenen zoals deze zijn toegekend aan (ieder van) partijen in de pensioenovereenkomst(en) - het ouderdomspensioen en het (bijzonder) nabestaandenpensioen - dienen met inachtneming van de huwelijkse voorwaarden en de Wet Verevening Pensioenrechten te worden verevend en/of verrekend tussen partijen waarbij ook de vraag naar het bestaan van de - al dan niet door de vrouw ondertekende - aanvullende pensioenovereenkomst aan de orde kan komen. De stellingen van partijen op dit punt alsmede de stellingen ten aanzien van de uitleg van (de artikelen) van huwelijkse voorwaarden en de pensioenovereenkomst(en) alsmede de onderlinge samenhang daarvan, behoeven bij de beoordeling van het pensioenverweer geen nadere bespreking. De omvang van de aanspraken van de vrouw en de mogelijke verplichting tot afstorting daarvan bij een professionele verzekeringsmaatschappij dient bij de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk nader aan de orde te komen.

* de polissen

5.15

Tussen partijen is verder in geschil of en in hoeverre ten aanzien van een aantal verzekeringspolissen - waarbij de man als verzekerde en eerste begunstigde geldt - sprake is van een bestaand vooruitzicht van de vrouw op - kort gezegd - een nabestaandenuitkering die door echtscheiding rechtens verloren zal gaan of verminderd zal worden.

5.16

Met betrekking tot dit geschilpunt is het hof met de man van oordeel dat de wijze waarop de grieven ten aanzien van de polissen [E] en [F] naar voren zijn gebracht in het beroepschrift wellicht enigszins aan duidelijkheid te wensen overlaat, in het bijzonder omdat onder het kopje 'Grief I' in feite verschillende gronden worden aangevoerd. Uit de toelichting bij die grief kan echter worden herleid op welke gronden de vrouw zich keert tegen de bestreden beschikkingen, ook voor zover het de lijfrentepolissen bij de [E] betreft. Nu de man ook inhoudelijk verweer heeft gevoerd, en voor hem voldoende duidelijk is op welke punten de vrouw zich niet kan vinden in de bestreden beschikkingen, staat de wijze waarop de gronden naar voren zijn gebracht in het beroepschrift niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling ervan.

Duitse polissen

5.17

Grief II heeft betrekking op drie Duitse polissen: [H] die door de man als verzekeringnemer is aangegaan alsmede [I] en [J] die door de verzekeringnemer [K] GmbH, een Duitse vennootschap, zijn afgesloten als werkgever ten behoeve van de man als werknemer. De aandelen van deze vennootschap worden gehouden door Beheersmaatschappij [G] BV waarvan de man de enig aandeelhouder is.

5.18

Partijen zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd. De betreffende levensverzekeringen zijn uitsluitend door de man respectievelijk de vennootschap afgesloten en het is aan hem c.q. de vennootschap te bepalen wie ter zake de begunstigden zijn. Het bestaan dan wel de ontbinding van het huwelijk heeft daarop geen invloed. Duidelijk is dat aanvankelijk de vrouw als begunstigde op (het merendeel van) de polissen was vermeld, maar dat de man c.q. de vennootschap inmiddels zijn dochter als begunstigde heeft aangewezen in geval van zijn overlijden. Zou dat laatste niet zijn gebeurd, dan was de vrouw ook na de ontbinding van het huwelijk begunstigde gebleven. Het hof onderkent dat door de wijziging van de uitkeringsregeling het vooruitzicht op een uitkering voor de vrouw is weggevallen. Dit bestaand vooruitzicht van de vrouw op uitkeringen na vooroverlijden van de man is echter niet als gevolg van de echtscheiding, zoals in artikel 1:153 lid 1 BW is vermeld, teloor gegaan, maar door toedoen van de man. Een beroep op die bepaling komt de vrouw daarom in het onderhavige geval niet toe.

5.19

Een en ander laat onverlet dat het bewerkstelligen van een wijziging van de begunstiging tijdens een reeds aanhangige echtscheidingsprocedure - voor wat betreft de polissen [I] en [J] zelfs nadat de rechtbank (in haar beschikking van 29 januari 2013) heeft overwogen dat ten aanzien van deze polissen afgesloten door de vennootschap sprake is van een nabestaandenuitkering - waardoor de vrouw niet meer het pensioenverweer kan voeren, onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een onrechtmatig handelen jegens de vrouw en dat de man c.q. de vennootschap uit dien hoofde schadeplichtig kan zijn. De vraag of hiervan sprake is - en bij een bevestigend antwoord, welke vorm van schadevergoeding aangewezen is - komt evenwel niet in het kader van artikel 1:153 BW aan de orde. Ook de vraag of de man door de begunstiging te (doen) wijzigen heeft gehandeld in strijd met de afspraken die partijen ten aanzien van de polissen hebben gemaakt in de huwelijkse voorwaarden, speelt niet bij de beoordeling van artikel 1:153 BW maar dient bij de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk aan de orde te komen.

Polissen [E] en [F]

5.20

Grief I heeft, gelet op de verwijzing in de toelichting, betrekking op drie (lijfrente)polissen bij de [E] en een spaarplanpolis [F] .

5.21

De spaar/levensverzekering - polis [F] - is volgens partijen verbonden aan de hypotheek rustend op de echtelijke woning. Naar het oordeel van het hof kan deze polis niet worden aangemerkt als een vooruitzicht op een uitkering als bedoeld in artikel 1: 153 BW. Het artikel heeft - zoals uit het vorenstaande blijkt - alleen betrekking op het bestaan van een pensioenvoorziening of daarmee vergelijkbare levensverzekering welke bij vooroverlijden van de verzoeker aan de andere echtgenoot rechten op uitkeringen geeft. De spaar/levensverzekering verbonden aan de woning ziet niet op een pensioenvoorziening in verband met het (voor)overlijden van de man, doch keert bij het overlijden van de man waarbij het bestaan van een eventueel huwelijk van de man geen relevante omstandigheid is - een bedrag uit dat (door middel van verpanding) verplicht is bestemd voor gedeeltelijke aflossing van de onder hypothecair verband op de woning rustende schulden van partijen. De levensverzekering (en de aan deze verzekering gekoppelde hypothecaire lening en de daarmee verbonden woning) dient te worden betrokken in de scheiding en deling c.q. afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden waartoe partijen zullen moeten overgaan na ontbinding van hun huwelijk.

5.22

Wat betreft de polissen bij [E] is, gezien het debat tussen partijen, niet in geschil dat de polis met nummer [0001] een kapitaalvormende koopsompolis is die niet voorziet in een nabestaandenuitkering. Evenmin is in geschil dat ook de polis met nummer [0002] een kapitaalvormende polis is waarvan de uitkering - per einddatum 1 januari 2015 - naar de bedoeling van partijen is bestemd voor de dochter van partijen, [L] . Beide polissen behoeven in het kader van het pensioenverweer geen nadere bespreking. De vraag of en in hoeverre de waarde van de polissen tussen partijen verrekend dient te worden, mede in het licht van de afspraken daaromtrent in de huwelijkse voorwaarden zal bij de afwikkeling daarvan nader aan de orde moeten komen.

5.23

Resteert de polis bij [E] met nummer [0003] waarvan de vrouw in haar toelichting op grief II uitdrukkelijk stelt dat deze - anders dan de rechtbank in de beschikking van 29 januari 2013 heeft beslist en in de daaropvolgende beschikkingen tot uitgangspunt is blijven nemen - recht geeft op een aanvullend nabestaandenpensioen dat teloor gaat door echtscheiding. Genoemde polis betreft een verzekering die is afgesloten door de man als verzekeringnemer met zichzelf als verzekerde en waarbij de man als eerste begunstigde en de vrouw als zijn echtgenote als tweede begunstigde zijn aangewezen. Uit het polisblad van 21 december 2000 (productie 3 bij de brief van 3 juni 2013 van de vrouw aan de rechtbank) blijkt een looptijd van 30 december 1995, de ingangsdatum van de verzekering, tot 30 december 2015, de ingangsdatum van de lijfrente. Ten aanzien van het lijfrentekapitaal is, voor zover hier van belang, opgenomen dat bij overlijden van de verzekerde voor 30 december 2015 een lijfrentekapitaal beschikbaar komt dat gelijk is aan de som van de betaalde premies tot het tijdstip van overlijden. Dit verzekerde lijfrentekapitaal wordt niet in contanten uitgekeerd maar op 30 december 2015 of bij eerder overlijden tegen de dan geldende tarieven uitgekeerd aan de begunstigd(en) in de vorm van een oudedagslijfrente c.q. nabestaandenlijfrente, als bedoeld in artikel 45, lid 1, onderdeel g, onder 1 en 2 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van deze polis dan ook sprake van een nabestaandenpensioen dat de vrouw als echtgenote, tweede begunstigde, na overlijden van de man voor 30 december 2015 zou toekomen en dat als gevolg van de echtscheiding voor haar teloor gaat. In die zin is dan ook sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:153 BW.

5.24

De nabestaandenuitkering waarop de vrouw bij overlijden van de man vóór 30 december 2015 tijdens het huwelijk wel, maar bij zijn overlijden na de ontbinding van het huwelijk geen aanspraak kan maken, dient - zoals hiervoor geconcludeerd - te worden gekwalificeerd als een pensioenvoorziening waarvoor artikel 1:153 lid 2 BW geschreven is. Het hof ziet evenwel -anders dan de vrouw bepleit- geen aanleiding om, alvorens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, een nadere termijn te stellen teneinde de man in de gelegenheid te stellen een voorziening te (doen) treffen voor het wegvallen van deze pensioenvoorziening.

5.25

Uit het financieel jaaroverzicht 2007 van de [E] blijkt dat tot en met 2007 een bedrag is betaald van € 4.512,84 en dat over 2007 geen premie is voldaan terwijl voorts uit de algemene gegevens blijkt dat geen premie (per jaar) verschuldigd is. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat er nadien nog premie is betaald waardoor het lijfrentekapitaal dat bij overlijden van de man beschikbaar is c.q. zal worden uitgekeerd voor een nabestaandenlijfrente aanzienlijk is gestegen. De uitkering waarop de vrouw op basis van een kapitaal van € 4.512,84 aanspraak zou kunnen maken bij overlijden van de man tijdens het huwelijk (en vóór 31 december 2015) is door geen van partijen concreet gemaakt en wordt door het hof geraamd op € 300,- per jaar uitgaande van een overbrugging tot haar pensioengerechtigde leeftijd.

5.26

Gezien het geringe omvang van het uitkeringsbedrag dat verloren gaat, mede gerelateerd aan de huidige eigen inkomsten van de vrouw, komt het hof tot de conclusie dat een voorziening ter compensatie van het wegvallen daarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getroffen. Artikel 1:153 lid 2 BW schrijft immers niet dwingend een volledige compensatie voor het gemis van het verwachte weduwenpensioen voor, maar noopt slechts tot het, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, treffen van een redelijke voorziening.

5.27

Alles in ogenschouw nemende is het hof van oordeel dat ook ten aanzien van de polissen het beroep van de vrouw op het pensioenverweer als bedoeld in artikel 1:153 BW niet slaagt.

HERSTEL BAND ECHTSCHEIDING EN NEVENVOORZIENINGEN

5.28

De vrouw heeft in haar beroepschrift zowel in haar visie op de verzoeken van de man en haar verweer daartegen (voorafgaand aan haar grieven) als in de toelichting op grief V gewezen op een aantal bijzondere omstandigheden die volgens haar rechtvaardigen de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen te herstellen (door de beslissing op het verzoek tot echtscheiding alsnog aan te houden) opdat tezelfdertijd op die verzoeken kan worden beslist.

5.29

Ingevolge artikel 827 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter, ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken, nevenvoorzieningen treffen. Het is vaste jurisprudentie dat indien eenmaal door de rechter in eerste aanleg de echtscheiding is uitgesproken voordat over verzochte nevenvoorzieningen is beslist, het hoger beroep slechts op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden kan worden aangewend teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken.

5.30

Het hof is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden niet als bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin kunnen worden aangemerkt. De geschillen tussen partijen ten aanzien van de omvang van de aanspraken van de vrouw op ouderdomspensioen en (bijzonder) nabestaandenpensioen alsmede de verplichting tot afstorting daarvan, zijn geen belemmering voor het uitspreken van de echtscheiding. Ook de geschillen tussen partijen betreffende de gevolgen van de wijziging van de begunstiging van de diverse polissen en/of de verrekening van de waarden daarvan rechtvaardigen niet het door de vrouw gewenste herstel van de band tussen de echtscheiding en de nevenverzoeken. Verder noopt ook de omstandigheid dat de vrouw niet over voldoende eigen middelen van bestaan beschikt en daarover evenmin kan beschikken en na de echtscheiding zal zijn aangewezen op een onderhoudsbijdrage van de man - die nog niet is vastgesteld - niet tot een gelijktijdige beslissing met de echtscheiding. Indien en voor zover de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud heeft, kan zij op grond van artikel 1:157 BW aanspraak maken op een dergelijke bijdrage na de ontbinding van het huwelijk (door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand). Vooruitlopend op een definitieve vaststelling daarvan, kan een dergelijke bijdrage - desverzocht - ook als voorlopige voorziening worden vastgesteld. Het hof benadrukt verder dat er in het kader van zowel de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk als de vaststelling van de partneralimentatie voor de vrouw voldoende mogelijkheden zijn om te bewerkstelligen dat de man de nodige justificatoire bescheiden in de procedure brengt om zijn financiële positie inzichtelijk te maken waarbij de rechter aan de weigering van de man om daaraan zijn medewerking te verlenen de gevolgen kan verbinden die hem geraden voorkomt bijvoorbeeld door de stellingen van de vrouw als onvoldoende weersproken als vaststaand aan te nemen dan wel de stellingen van de man als onvoldoende onderbouwd buiten beschouwing te laten. Tot slot staat ook de afspraak tussen partijen dat bij ontbinding van het huwelijk door het overlijden van een van hen zal worden afgerekend - uitgangspunt van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden - 'alsof de echtgenoten naar Nederlands recht in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren geweest' niet aan het uitspreken van echtscheiding in de weg, waarbij de huidige gezondheidstoestand van de man niet ter zake doet.

5.31

De door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden, ieder voor zich maar ook in onderling verband en samenhang beschouwd, zijn niet van zodanig bijzondere aard dat omtrent de echtscheiding en de nevenvoorzieningen tegelijk beslist zou moeten worden en rechtvaardigen niet het herstel van de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen. Er kan mitsdien op het verzoek tot echtscheiding worden beslist.

DE CONCLUSIE

5.32

Tussen partijen is niet in geschil dat het huwelijk tussen hen beiden duurzaam is ontwricht waarmee is voldaan aan de wettelijke grond voor echtscheiding. Mede gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, zijn er geen redenen om de echtscheiding tussen partijen niet uit te spreken. Het hof zal daarom de beschikking van de rechtbank, voor zover het de daarbij uitgesproken echtscheiding betreft, bekrachtigen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikkingen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke compensatie van proceskosten in familierechtelijke procedures. Het hof zal daarom bepalen dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 6 mei 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. G. Jonkman en mr. I.A. Vermeulen, en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 juli 2015.