Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5200

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
200.160.069-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De privacy van de ouders van de onderhoudsplichtige is geen gewichtige reden op grond waarvan overlegging van de jaarrekeningen kan worden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0252

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.160.069/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/150058 / FA RK 14-28)

beschikking van de familiekamer van 7 juli 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. K.H.P. Selcraig, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[verweerster],

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.H. van den Berg, kantoorhoudend te Kampen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 september 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 25 november 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 6 januari 2015;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 17 maart 2015.

2.2

Bij het beroepschrift heeft de man verzocht de beschikking van 10 september 2014 te vernietigen en opnieuw beschikkende, al dan niet onder aanvulling c.q. verbetering van de gronden, te bepalen dat de man met ingang van 1 april 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen maandelijks bij vooruitbetaling € 46,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen.

2.3

Bij het verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift, heeft de vrouw het verzoek van de man in hoger beroep bestreden en verzocht hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn hoger beroep ongegrond te verklaren.

2.4

Tevens heeft de vrouw bij haar verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarbij verzocht de beschikking van 10 september 2014 te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 200,- per kind per maand.

2.5

De man heeft in zijn verweerschrift in het incidenteel hoger beroep het incidenteel hoger beroep van de vrouw bestreden en verzocht dit, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.6

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de volgende stukken:
- een journaalbericht met bijlagen d.d. 9 december 2014, ingediend namens mr.

Selcraig;

- een journaalbericht met bijlagen d.d. 15 april 2015, ingediend namens mr. Selcraig;

- een journaalbericht met bijlagen d.d. 17 april 2015, ingediend door mr. Van den Berg;

- een journaalbericht met bijlagen d.d. 21 april 2015, ingediend namens mr. Selcraig;

- een journaalbericht met bijlage d.d. 13 mei 2015, ingediend namens mr. Selcraig;

- een journaalbericht met bijlage d.d. 13 mei 2015, ingediend door mr. Van den Berg.

2.7

Het journaalbericht met bijlagen d.d. 21 april 2015, ingediend namens mr. Selcraig, is door het hof ontvangen met overschrijding van de termijn die in artikel 1.4.4. van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (hierna: het procesreglement) wordt genoemd. Zoals ter zitting al medegedeeld zal het hof de bijlagen wel bij zijn beoordeling betrekken, nu daartegen door mr. Van den Berg geen bezwaar is gemaakt en de bijlagen bovendien eenvoudig van aard en gemakkelijk te doorgronden zijn.

2.8

De na te noemen minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot de zaak, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.9

De mondelinge behandeling heeft op 30 april 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van den Berg heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

2.10

Na afloop van de mondelinge behandeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen twee weken tot onderlinge overeenstemming te komen. Partijen hebben het hof bij voornoemde journaalberichten van 13 mei 2015 bericht dat zij niet tot overeenstemming zijn gekomen en hebben het hof verzocht beschikking te wijzen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1995 te [A] met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk

[in] 1998 te [C] [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), [in] 2001 te [A] [de minderjarige2] en [in] 2005 te [A] [de minderjarige3] (hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen) zijn geboren. Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 14 oktober 2009 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.2

Partijen hebben een echtscheidingsconvenant en een ouderschapsplan opgesteld, waarin zij, voor zover te dezen van belang, zijn overeengekomen dat de man met ingang van de echtscheidingsdatum, zolang de kinderen minderjarig zijn en bij de vrouw wonen, en zolang de man ook partneralimentatie betaalt, aan de vrouw een kinderalimentatie van
€ 150,- per kind per maand zal voldoen, welke voor het eerst per 1 januari 2011 zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW. Nadien hebben partijen dit bedrag in onderling overleg verlaagd naar € 140,- per kind per maand, oftewel geïndexeerd naar 2013 € 145,53 per maand.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift van 3 januari 2014, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 6 januari 2014, heeft de man verzocht te bepalen dat hij met ingang van 1 april 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen maandelijks bij vooruitbetaling € 75,- per kind aan de vrouw dient te betalen.

3.4

De vrouw heeft zich tegen het inleidende verzoek van de man verweerd en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in dit verzoek, althans dit af te wijzen.

3.5

Bij de bestreden beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank, voor zover te dezen van belang, het verzoek van de man afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.2

De man is met een drietal grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de draagkracht van de vrouw, meer specifiek op haar inkomen, de tweede grief ziet op de in aanmerking te nemen zorgkorting en de derde grief ziet op de door de man voor de kinderen betaalde premies voor hun uitvaartverzekering.

4.3

De vrouw is op haar beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De eerste grief ziet op de hoogte van de huidige onderhoudsbijdrage van de man, rekening houdend met de wettelijke indexering, de tweede grief ziet op de draagkracht van de echtgenoot van de vrouw en de derde grief ziet op de draagkracht van de man, meer specifiek op de hoogte van zijn neveninkomsten.

5 De motivering van de beslissing

Grenzen rechtsstrijd

5.1

In haar incidenteel beroep heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van
€ 200,- per kind per maand. Het verzoek van de vrouw is een zelfstandig verzoek, voor zover het betreft het verzoek tot verhoging van de destijds door partijen overeengekomen alimentatie van geïndexeerd naar 2013 € 145,53 per kind per maand. Dit verzoek heeft de vrouw voor het eerst in hoger beroep gedaan. Artikel 362 Rv verklaart in hoger beroep een aantal artikelen betreffende de behandeling in eerste aanleg van overeenkomstige toepassing. De wetgever heeft in dat artikel echter uitdrukkelijk bepaald dat, anders dan in eerste aanleg, in hoger beroep niet voor het eerst een zelfstandig verzoek kan worden gedaan. De vrouw zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar zelfstandig verzoek, voor zover zij een hogere alimentatie dan voornoemd bedrag van € 145,53 in 2013 per kind per maand verzoekt. Gelet op het voorgaande is de bovengrens van de door de man te betalen kinderalimentatie in 2013 een bedrag van € 145,53 per kind per maand.

De wijziging van omstandigheden

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, die een hernieuwde beoordeling van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen rechtvaardigt.


Intrekking grief

5.3

Namens de vrouw is ter zitting de eerste grief in het incidenteel appel ingetrokken.
De behoefte van de kinderen

5.4

Dat de behoefte van de kinderen in 2009 € 850,- per maand bedroeg is tussen partijen niet in geschil. Geïndexeerd naar 2013 levert dit een behoefte op van € 903,90 per maand, oftewel € 301,30 per kind per maand. Niet in geschil is dat de vrouw geen kindgebonden budget ontvangt.
De draagkracht van de man

5.5

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man moet worden uitgegaan van een belastbaar loon van € 50.462,- per jaar uit loondienst, zoals opgenomen in de draagkrachtberekening van de rechtbank.

5.6

De vrouw stelt zich in haar derde grief in het incidenteel appel op het standpunt dat de rechtbank bij de berekening van het NBI van de man ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de neveninkomsten die hij genereert als repetitor, organist en pianist, alsmede met het maken van arrangementen, die volgens haar minimaal € 300,- netto per maand bedragen.

5.7

De man erkent dat hij neveninkomsten heeft, maar stelt dat deze onzeker zijn en bovendien verwaarloosbaar indien ze worden afgezet tegen zijn kosten en inspanningen. Ter zitting heeft de man desgevraagd naar voren gebracht dat zijn neveninkomsten, verminderd met de daartegenover staande kosten, gemiddeld € 75,- per maand bedragen.

5.8

Het hof is van oordeel dat de man met de overgelegde stukken en zijn toelichting ter zitting voldoende heeft onderbouwd dat hij na aftrek van onkosten gemiddeld een bedrag van € 75,- netto aan neveninkomsten genereert.

5.9

Nu de draagkracht van de man verder tussen partijen niet in geschil is, zal het hof het door de rechtbank berekende NBI vermeerderen met € 75,-, zodat dit € 2.874,- bedraagt
(€ 2.799,- + € 75,-).

5.10

De draagkracht van de man zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 850,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan
€ 1.500,- per maand. Het hof hanteert hierbij de formule uit 2013 gelet op de hierna te bespreken ingangsdatum. De draagkracht van de man bedraagt aldus € 813,- per maand.


De draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot

5.11

De man stelt zich in de eerste grief in het principaal appel op het standpunt dat de gezamenlijke draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot gelijk gesteld dient te worden aan die van de man. Hij voert daartoe aan dat de vrouw het door haar gestelde gebrek aan draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd, doordat zij geen jaarrekeningen van de v.o.f. waarin zij vennoot was in het geding heeft gebracht. De gegevens omtrent het belastbaar inkomen van de vrouw zijn volgens de man onvoldoende, nu enkel met die gegevens niet is te achterhalen hoe het resultaat tot stand is gekomen en of daar correcties op toegepast dienen te worden.

5.12

Vast staat dat de onderneming [D] , die de vrouw middels een vennootschap onder firma met haar ouders dreef, per 1 september 2014 is verkocht aan derden. De verkoop hield volgens de vrouw verband met de tegenvallende resultaten als gevolg van de financiële crisis, met de gezondheidssituatie van haar ouders en hun pensioengerechtigde leeftijd en met haar moverende redenen die zij, ook desgevraagd, niet nader heeft toegelicht. De vrouw is met ingang van 15 oktober 2014 in dienst getreden bij [E] B.V. te [A] .

5.13

Het hof stelt voorop dat het gelet op de betwisting van haar gebrek aan draagkracht door de man op de weg van de vrouw had gelegen om haar inkomen inzichtelijk te maken door overlegging van de in artikel 2.1.2. van het geldende procesreglement bedoelde bescheiden, waaronder de vastgestelde jaarrekeningen van [D] over de laatste drie jaren. Het hof moet constateren dat de vrouw in gebreke is gebleven met het overleggen van de jaarrekeningen van [D] over de jaren 2012, 2013 en 2014. Ook thans, na verkoop van de onderneming, is het nog van belang dat het hof over deze jaarrekeningen beschikt, gelet op de stellingen van de man dat een eventuele inkomstendaling van de vrouw als gevolg van de verkoop, een verwijtbaar inkomensverlies is. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat haar draagkracht niet enkel op basis van de aangiften Inkomstenbelasting kan worden vastgesteld.

5.14

De vrouw stelt dat zij bezwaar heeft tegen het overleggen van de jaarrekeningen van de v.o.f., omdat de man daardoor ook inzage zou krijgen in de financiële situatie van haar ouders.

5.15

Het beginsel van hoor en wederhoor brengt echter mee dat het hof slechts beslist op grondslag van gegevens tot kennisneming waarvan en uitlating waarover beide partijen voldoende gelegenheid is gegeven. De privacy van de ouders van de vrouw is naar het oordeel van het hof geen gewichtige reden, op grond waarvan overlegging van de jaarrekeningen kan worden geweigerd. Aan de privacy van de ouders wordt naar het oordeel van het hof voldoende tegemoet komen door de behandeling met gesloten deuren en het daaruit voortvloeiende mededelingsverbod over gegevens uit de procedure. Het hof ziet geen aanleiding om te bepalen dat uitsluitend het hof kennis zal mogen nemen van de jaarrekeningen, zoals door de vrouw ter zitting is verzocht. Dat de man hierdoor inzicht krijgt in de financiële positie van de ouders van de vrouw is onder de gegeven omstandigheden, waarin sprake is geweest van een v.o.f. tussen de ouders van de vrouw en haar, onvermijdelijk.

5.16

Het hof zal aan de weigering van de vrouw om de jaarrekeningen in het geding te brengen de gevolgtrekking maken die het geraden acht. In casu acht het hof het geraden om de gezamenlijke draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot, zoals ook door de man verzocht, gelijk te stellen aan die van de man.

5.17

Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de hoogte van de onderhoudsplicht van de echtgenoot van de vrouw voor de kinderen zich op grond van de ingenomen stellingen en overgelegde stukken niet eenvoudig laat vaststellen. Anders dan de vrouw stelt in haar incidenteel appel dient de draagkracht van haar echtgenoot in beginsel naar evenredigheid te worden verdeeld over alle kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Daarbij hangt de omvang van zijn onderhoudsplicht voor de kinderen af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de draagkracht en de bijzondere verhouding waarin ieder van de onderhoudsplichtigen staat tot de kinderen (HR 22 april 1988, NJ 1989/386 en HR 11 november 1994, NJ 1995/129). Het hof acht het, mede gelet op de onvoldoende onderbouwing door de vrouw van haar (gebrek aan) draagkracht, redelijk en billijk om ervan uit te gaan dat de draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot tezamen tenminste gelijk is aan die van de man, derhalve € 813,- per maand.

5.18

De tweede grief in het incidenteel appel behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking meer.

De in aanmerking te nemen zorgkorting

5.19

Op grond van het vorenstaande dienen de man en de vrouw (en haar echtgenoot) ieder met een bedrag van € 451,95 per maand in de behoefte van de kinderen ad € 903,90 te voorzien.

5.20

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de zorgkorting invloed heeft op de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

5.21

De kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte van de kinderen en het gemiddeld aantal dagen per week -vakanties meegerekend- dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft. Als vuistregel worden de zorgkosten uitgedrukt in een percentage van de behoefte hetgeen de volgende zorgkorting oplevert:

- 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;

- 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;

- 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

Indien de ouders andere afspraken maken over de kosten- en zorgverdeling, dan kunnen zij een ander percentage hanteren.

5.22

De man stelt zich in de tweede grief in het principaal appel op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 35%, aangezien de kinderen gemiddeld 3,5 dag per week bij hem zijn en daarnaast ook nog gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen.

5.23

De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met een zorgkorting van 15%, nu de kinderen per twee weken vijf keer bij de man eten en daar drie nachten slapen.

5.24

Ter zitting is vast komen te staan dat de kinderen een weekend per veertien dagen bij de man verblijven van vrijdagavond tot maandagochtend. Daarnaast zijn de kinderen in de even weken bij de man van dinsdagmiddag tot dinsdagavond en in de oneven weken van maandagmiddag tot maandagavond en van dinsdagmiddag tot dinsdagavond. Daarnaast overnacht [de minderjarige1] elke maandag bij de man. In het convenant zijn partijen tevens overeengekomen dat de kinderen de helft van de vakanties en de feestdagen bij de man doorbrengen. Hoewel de vrouw stelt dat de man de vakantie- en feestdagenregeling niet nakomt, heeft zij dit gelet op de betwisting door de man onvoldoende onderbouwd. Op grond van de zorgregeling zoals hiervoor omschreven verblijven de kinderen gemiddeld 2 dagen per week bij de man. Het hof zal daarom een zorgkorting van 25% toepassen.

5.25

Uitgaande van de behoefte van € 903,90 per maand bedraagt de zorgkorting
€ 225,98 per maand. Dit bedrag wordt volledig in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen van € 451,95 per maand, omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Dit betekent dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 225,97 per maand (€ 451,95 minus € 225,98), oftewel afgerond € 75,- per kind per maand.

De premies voor de levensverzekeringen van de kinderen

5.26

De man stelt zich in de derde grief in het principaal appel op het standpunt dat de premies voor de levensverzekeringen van de kinderen ad totaal € 22,29 per maand in mindering dienen te strekken op de vast te stellen kinderalimentatie. Het betreft volgens de man directe kosten van de kinderen, die niet onder de zorgkorting vallen.

5.27

Nu gelet op de sinds 1 april 2013 geldende nieuwe richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen bij de berekening van de draagkracht reeds forfaitair rekening is gehouden met de lasten van partijen, ziet het hof geen aanleiding om op de wijze zoals door de man voorgesteld rekening te houden met de door hem betaalde overlijdensrisicopremie. De derde grief van de man faalt derhalve.
De ingangsdatum

5.28

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:402 lid 1 BW is de rechter voor wat betreft de vaststelling van de ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsbijdrage in beginsel vrij. Uitgaande van deze vrijheid is het in zaken waarin wijziging wordt verzocht van een vastgestelde alimentatiebijdrage gebruikelijk dat deze wijziging eerst ingaat op de datum waarop het inleidend verzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend, zijnde het moment waarop de onderhoudsgerechtigde rekening dient te houden met een mogelijke wijziging. Bijzondere feiten en omstandigheden kunnen evenwel een andere ingangsdatum rechtvaardigen. Daarbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage tot levensonderhoud over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik dient te maken.

5.29

In de onderhavige zaak is het inleidend verzoek tot wijziging op 6 januari 2014 bij de rechtbank binnengekomen. Op grond van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt zou dat de ingangsdatum van de wijziging moeten zijn.

5.30

De man heeft een afwijking van dit uitgangspunt bepleit en heeft daarbij verwezen naar de omstandigheid dat hij reeds in 2012 aan de vrouw kenbaar heeft gemaakt dat hij niet meer in staat was om de overeengekomen kinderalimentatie te voldoen.

5.31

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de door de man verzochte wijziging niet eerder dient in te gaan dan met ingang van de datum waarop het inleidend verzoek bij de rechtbank werd ingediend, oftewel met ingang van 6 januari 2014.

5.32

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de man al in april 2013 per sms aan de vrouw heeft bericht dat hij niet langer in staat was om de overeengekomen kinderalimentatie te voldoen. Op 4 juni 2013 heeft de man aan de vrouw voorgesteld om de overeengekomen kinderalimentatie te verlagen, en, indien de vrouw daar niet mee akkoord kon gaan, een afspraak te maken met de mediator. De vrouw heeft erkend dat zij op dit bericht van de man niet heeft gereageerd in verband met een ziekenhuisopname van haar echtgenoot. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw er in elk geval vanaf 4 juni 2013 rekening mee kunnen houden dat de door de man te betalen kinderbijdrage zou worden gewijzigd. Anderzijds neemt het hof in aanmerking dat tussen de datum met ingang waarvan de man wijziging verzoekt (1 april 2013) en het daadwerkelijk indienen van zijn verzoekschrift (6 januari 2014) een periode is gelegen van ruim 9 maanden. Van de man had naar het oordeel van het hof mogen worden verwacht dat hij meer voortvarendheid had betracht bij het indienen van het verzoekschrift bij de rechtbank. Dit alles tegen elkaar afwegend, acht het hof het redelijk om de gewijzigde alimentatie in te laten gaan per 1 september 2013.

5.33

Het hof neemt bij dit oordeel voorts in aanmerking dat uit de overgelegde stukken onvoldoende vast is komen te staan dat de vrouw niet tot terugbetaling van de door haar te veel ontvangen kinderalimentatie in staat is. In dit verband verwijst het hof naar de overwegingen over de draagkracht van de vrouw.
De slotsom

5.34

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 september 2013 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van afgerond € 75,- per kind per maand. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en aldus beslissen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar incidenteel appel voor zover zij daarbij een bedrag aan kinderalimentatie verzoekt hoger dan € 145,53 per kind per maand in 2013;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 september 2014, voor zover daarbij het inleidend verzoek van de man is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie en bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2013 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren te [C] [in] 1998, [de minderjarige2] , geboren te [A] [in] 2001 en [de minderjarige3] , geboren te [A] [in] 2005 met een bedrag van € 75,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. I.A. Vermeulen en
mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van
7 juli 2015 in bijzijn van de griffier.