Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5096

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
14/01077
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:5330, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2668, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

ANBI?. Stichting die katholiek weekblad uitgeeft naar commercieel tarief. Nagenoeg uitsluitend dienen van algemeen belang? Schending gelijkheidsbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1773
V-N Vandaag 2015/1551

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/01077

uitspraakdatum: 7 juli 2015

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor ‘s-Hertogenbosch (hierna: de Inspecteur)

en het incidentele hoger beroep van

[Stichting X], statutair gevestigd te [Z] (hierna: belanghebbende).

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 26 augustus 2014, nummer AWB 13/6966.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De Inspecteur heeft belanghebbende bij beschikking van 15 juli 2013 meegedeeld dat zij niet wordt aangemerkt als een Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ANBI) in de zin van artikel 5b van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR). Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.2

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 26 augustus 2014 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking van 15 juli 2013 herroepen, belanghebbende vanaf 28 februari 2013 als algemeen nut beogende instelling aangemerkt in de zin van artikel 5b, eerste lid, onderdeel a, van de AWR en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.703,50 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 vergoedt.

1.3

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Gelijktijdig heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4

De Inspecteur heeft in één geschrift een reactie op het incidentele hoger beroep en tevens een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft dat met een conclusie van dupliek beantwoord.

1.5

Voorafgaande aan de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft de Inspecteur een nader stuk ingediend. Ook belanghebbende heeft bij schrijven van 27 maart 2015 een “aanvulling op haar conclusie van dupliek” ingezonden.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015 te Arnhem. Namens belanghebbende zijn daar verschenen haar gemachtigden [A] en [B], beiden verbonden aan [C] te [Q], tot bijstand vergezeld van [D] (directeur), pastoor [E] (bestuurder), [F] (hoofdredacteur) en [G] (bestuursvoorzitter). Namens de Inspecteur is verschenen [H], tot bijstand vergezeld van [I]. Het hoger beroep van belanghebbende is met toestemming van partijen ter zitting gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van [J ] Stichting, kenmerk BK-14/01076.

1.8

Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is opgericht [in ] 1983.

2.2

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de ([ in] 2013 voor het laatst herziene) statuten heeft belanghebbende ten doel het uitgeven van een nieuwsblad en het bevorderen van andere publiciteit ten dienste van het verkondigen van de blijde boodschap van Jezus Christus, zoals deze door de Katholieke Kerk wordt overgeleverd. Belanghebbende draagt er zorg voor dat bij al haar eigen en bij al de door haar bevorderde werkzaamheden de richtlijnen van de Katholieke Kerk, in het bijzonder die neergelegd in het decreet Inter Mirifica van het Tweede Vaticaans Oecumenische Concilie, in acht worden genomen.

2.3

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de statuten tracht belanghebbende haar doel onder meer te verwezenlijken door:

a. a) het vervaardigen, doen vervaardigen, uitgeven, verkopen en anderszins verspreiden van boeken, tijdschriften, brochures, geluidsdragers en audiovisuele geluidsdragers overeenkomstig de doelstelling van de stichting;

b) alle andere middelen die voor de verwerkelijking van haar doelstellingen dienstig kunnen zijn.

2.4

Belanghebbende geeft een weekblad uit met de naam [ X 1]’ (hierna: [X 1]). Het [X 1] kan tegen betaling worden verkregen door (proef-)abonnementhouders en is gratis verkrijgbaar voor missionarissen en kloosterlingen. Tevens worden gratis exemplaren ter beschikking gesteld aan kerkparochies. Daarnaast zijn gedeelten van het [X 1] gratis terug te vinden op de website van belanghebbende. In 2013 hebben per maand 75.000 bezoekers de website bekeken.

2.5

Voor betalende abonnementhouders bedraagt de prijs voor het [X 1] in 2013 op jaarbasis € 118,50 en in 2014 € 120,95. Per 31 december 2011 bedroeg het aantal abonnementen 8.959 en per 31 december 2012, 8.314. De abonnementsprijs is niet kostendekkend. Belanghebbende heeft sinds haar oprichting ieder jaar verlies geleden met de door haar ontplooide activiteiten.

2.6

Over de redactionele inhoud is op 10 januari 1986 een notitie opgesteld door de toenmalige directeur. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

‘(…) Het [ X 1] is namelijk geen gewone krant. (…) Onze krant kan namelijk niet zoals andere kranten ver in discussie gaan over allerlei zaken van godsdienstige aard. De krant namelijk, vertelt het verhaal van Christus. Geloof en krant zijn in de grond dan ook onverenigbaar. Zij het dat een katholieke krant wel informatie over geloofsbeleving kan geven. En dit gat in de markt vult het [ X 1]. Het [ X 1] verkoopt geloof. Daarbij bevinden we ons niet op een kopersmarkt, noch op een concurrentiemarkt, maar op een geloofsmarkt. Een geloofsmarkt die in forse crisis zit, zo niet een chaos is. Op deze markt proberen we ons redactionele produkt af te stemmen (…)

De crisis in de katholieke kerk van Nederland is mijns inziens zo groot dat het op de eerste plaats onze taak is de grote waarden en rijkdommen van ons geloof uit te dragen. Dit is de kracht van onze krant en tegelijkertijd de zwakte ten aanzien van de oplage-ontwikkeling. (…)

Onze journalisten schrijven met een flink stuk innerlijke vrijheid en openheid van geest. (…) Ieder werkt in navolging van Christus. (…)’

2.7

In 2004 is het document ‘Principiële uitgangspunten 2004’ opgesteld waarin onder meer het volgende is vermeld:

‘(…)

6.

DOEL

6.1.

Algemeen

[X 1] wil kerkelijk nieuws en opinie brengen uit de wereldkerk en uit eigen land, en niet-kerkelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in binnen- en buitenland belichten vanuit een katholiek perspectief.

6.2.

In meer detail

[X 1] tracht zijn lezers objectief te informeren over actuele kerkelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, met name de inhoud van kerkelijke documenten en uitspraken voor hen toegankelijk maken, inclusief de argumenten die eraan ten grondslag liggen.

[X 1] tracht zijn lezers de gelegenheid te bieden hun opinie te vormen ten aanzien van actuele kerkelijke en maatschappelijke kwesties, door deze te duiden in het licht van de kerkelijke overlevering en de christelijke beschaving.

[X 1] tracht zijn lezers te bemoedigen door proportioneel veel aandacht voor relevante positieve elementen en ontwikkelingen binnen en buiten de Kerk en door in te gaan op de vragen van de zoekende en op veel vlakken beproefde gelovige.

[X 1] tracht in inhoud en vormgeving een eigentijdse christelijke levensstijl uit te stralen die geloof en leven verbindt in een breed scala van kerkelijke, maatschappelijke en culturele expressies daarvan.

7.

THEMA’S

Prioriteiten dienen per jaar te worden geformuleerd.

7.1.

Kerkelijk

Kerkelijk zijn voor [X 1] twee belangrijke lijnen te onderscheiden.

  1. De eerste lijn van een inhoudelijk gezonde, missionair levende kerkgemeenschap. Het geestelijk programma van Johannes Paulus II, ‘Tertio millennio ineunte’, kan daarbij dienen als uitdaging en leidraad.

  2. De tweede lijn is de manier waarop die Kerk concreet gestalte krijgt in binnen- en in buitenland, in grote en kleine initiatieven, gebeurtenissen en ontwikkelingen, in inspirerende personen dichtbij en veraf. [X 1] laat zien dat de katholieke Kerk op veel plaatsen in de wereld vitaal is, bloeit, geestelijk en maatschappelijk veel vruchten voortbrengt, ook waar zij lijdt onder vervolging.

Laat zien dat de Kerk in Nederland, in West-Europa, qua ontwikkeling een uitzondering is en kan profiteren van geestelijk meer welvarende delen. Waar nodig geeft [X 1] in alle eerlijkheid, zonder verdoezelen, aan waar specifieke barrières de weg naar een gezonde Kerk in de weg staan.

7.2.

Maatschappelijk

Maatschappelijk zijn in nieuws en opinie die thema’s van belang die te maken hebben met wat Johannes Paulus II bestempelt als ‘de Cultuur van het Leven’ tegenover ‘de cultuur van de dood’: huwelijk en gezin, seksualiteit en medisch-ethische pro-life zaken. Daarnaast zijn er de grote invloeden op de vorming van (jonge) mensen: onderwijs, kunst en cultuur (inclusief media).

Daarnaast moet er aandacht zijn voor specifieke (andere) maatschappelijke actualiteit: integratie (met speciale aandacht voor de relatie christendom-islam); waarden en normen; vrijheid van onderwijs, van meningsuiting en godsdienst, politiek en democratie; onrecht, armoede en uitsluiting op micro en macro vlak; natuur en milieu; internationale relaties binnen Europa, tussen rijk en arm, tussen het Westen en het (nieuwe) Oosten; oorlog en vrede.’

2.8

In het in februari 2013 opgestelde beleidsplan van belanghebbende voor 2013-2015 zijn de volgende werkzaamheden en activiteiten beschreven:

  • -

    de website;

  • -

    lezingen, presentaties, interviews in tijdschriften en symposia om het Geloof te verkondigen;

  • -

    uitgaven van boeken, publicaties, dvd’s en andere informatiedragers;

  • -

    het wekelijks uitgeven van het [X 1];

  • -

    ondersteunen van specifieke groepen katholieken;

  • -

    landelijke en internationale manifestaties;

  • -

    fondsenwerving;

  • -

    overige uitgevers activiteiten (Pausboek).

2.9

Tijdens het hoorgesprek in de bezwaarfase op 23 augustus 2013 heeft de huidige directeur onder meer het volgende opgemerkt:

‘(…)

  • -

    (…) Het nieuwsblad dient juist Rooms Katholieke onderwerpen aan te snijden, dan wel onderwerpen vanuit het Rooms Katholieke geloof te benaderen.

  • -

    Bisdommen doen steeds minder aan communicatie zoals het uitgeven van bisdombladen vanwege bezuinigingen. [Stichting X] draagt er zorg voor dat bisschoppen nog aan het woord komen voor informatie en geloofszaken die door andere – meer seculiere – informatiedragers als niet interessant beschouwd worden. (…)’

2.10

Twee bisschoppen hebben ieder een brief gestuurd aan het bestuur van belanghebbende, naar aanleiding van geluiden dat het voortbestaan van het [X 1] in gevaar zou zijn. In de eerste brief is onder meer het volgende vermeld:

‘(…) Het [ X 1] is begonnen als een initiatief van een groep katholieken, niet om op enigerlei wijze commercieel gewin na te streven, maar als een leken-initiatief en in de geest van het tweede Vaticaans concilie. (…) Toen het [ X 1] begon waren de katholieke gelovigen in belangrijke mate van deze nieuwsbron afhankelijk om betrouwbaar nieuws en achtergronden over de katholieke kerk, de paus en katholiek leven te vernemen en tegelijk hun geloof door informatieve en inspirerende artikelen te verdiepen, informatie die andere, commercieel erkende media niet konden bieden. Later is daar de digitale voorziening van katholieke informatie en geloofsverdieping bij gekomen.

Het [ X 1] vervult daardoor al vele jaren een belangrijke apostolische taak binnen de katholieke geloofsgemeenschap en heeft veel mensen geholpen hun katholiek geloof te kunnen beleven of dat geloof te leren kennen. (…)’

en in de tweede brief:

‘(…) Het [X 1] is onafhankelijk en geeft opinie, nieuws, commentaren op vele aspecten van kerk en maatschappij. In het bijzonder waardeer ik het dat het [X 1] er vaak in slaagt om daarin het midden te bewaren en de volle breedte van het katholiek nieuws tot zijn recht te laten komen. De bijdragen bestaan niet uit gewoon nieuws en opinies, maar uit berichtgeving die van wezenlijk belang is voor alle katholieken, voor hun geloof en voor de Kerk. Het voorziet daarmee in een duidelijke behoefte nu er geen andere landelijke media meer zijn die op deze wijze aan katholieke berichtgeving doen. (…)’

2.11

Voor de financiering van haar activiteiten wordt belanghebbende ondersteund door de [J ] Stichting, statutair gevestigd te [R] (hierna: de Stichting). De Stichting is opgericht [in] 1981 en heeft ten doel de verbreiding en verdediging van de officiële Rooms-Katholieke geloofs- en zedenleer. De Stichting tracht dit doel onder meer te verwezenlijken door het steunen van respectievelijk deelnemen in daartoe geëigende publiciteitsorganen.

2.12

Sinds de oprichting van belanghebbende heeft de Stichting een groot deel van haar geldmiddelen, die zij verkrijgt uit fondsen, subsidies, schenkingen, erfstellingen en andere verkrijgingen, besteed ten behoeve van belanghebbende. In 2007 heeft belanghebbende een bijdrage van € 150.000 van de Stichting verkregen. Met ingang van 2008 is deze bijdrage € 175.000. In 2010 heeft de Stichting € 202.000 bijgedragen en in 2011 € 225.000. De Stichting heeft tevens gratis abonnementen op het [X 1] verstrekt aan personen die dit niet kunnen betalen en zorgt door middel van incidentele giften voor de dekking van de exploitatietekorten van belanghebbende.

2.13

[ in] 2012 heeft bij de Stichting een onderzoek “Algemeen Nut Beogende Instellingen” plaatsgevonden, waarvan [ in] 2012 een rapport is opgemaakt. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:

‘(…)

4.8.

Conclusie onderzoek

Op basis van de verstrekte informatie ben ik tot de conclusie gekomen, dat de anbi-status van de stichting niet kan worden voortgezet. [J ] Stichting is een zogeheten steunstichting. Een steunstichting kan alleen aangemerkt worden als algemeen nut beogende instelling als de ondersteunde instelling ook aangemerkt is als algemeen nut beogende instelling. Het [ X 1] is bij mij niet bekend als algemeen nut beogende instelling. [J ] Stichting kan daarom ook niet aangemerkt zijn als een ANBI.

Het bestuur is geschrokken van de bovenstaande constatering en heeft verzocht de intrekking later te doen laten ingaan omdat er al drukwerk voor verzending klaar is die melding maakt van de ANBI aanwijzing. Om diverse redenen zal ik dit verzoek volgen door de ANBI aanwijzing pas per 1 maart 2013 te doen laten plaatsvinden.

(…)’

2.14

Bij beschikking van 26 maart 2013 heeft de Inspecteur de Stichting vanaf 1 maart 2013 niet meer aangemerkt als een ANBI. Dit omdat de Stichting voor meer dan 90 percent financiële ondersteuning geeft aan een niet als een ANBI aangemerkt lichaam.

2.15

Belanghebbende heeft op 28 februari 2013 verzocht aangemerkt te worden als ANBI op welk verzoek op 15 juli 2013 negatief is beslist.

2.16

Belanghebbende is opgenomen in de zogeheten Pius Almanak. In dit door een commerciële uitgever gepubliceerd en jaarlijks geactualiseerd boekwerk is een breed scala van personen en organisaties binnen de Katholieke Kerk Nederland vermeld, ingedeeld in diverse rubrieken en onderwerpen op de gebieden waarop zij werkzaam zijn. Belanghebbende is opgenomen in de rubriek ‘Pers en documentatie’. De Pius Almanak wordt door de Rooms Katholieke Kerk in Nederland toegezonden aan de afdeling van de Belastingdienst die beslist over de ANBI-status van in Nederland werkzame instellingen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende als een ANBI in de zin van artikel 5b van de AWR moet worden aangemerkt, welke vraag de Inspecteur ontkennend en belanghebbende bevestigend beantwoordt. Voorts is in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op een volledige vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten, welke vraag zij bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover betrekking hebbend op het niet toekennen van een integrale vergoeding van de gemaakte proceskosten.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Op grond van artikel 5b, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is, voor zover hier van belang, een algemeen nut beogende instelling een instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt. Dit moet blijken uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling (artikel 1a, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen). In het derde lid van artikel 5b onderdeel i van de AWR is bepaald dat als algemeen nut in de zin van dit artikel onder meer wordt beschouwd religie, levensbeschouwing en spiritualiteit.

4.2

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de invoering van voormelde wettelijke bepalingen geen wijziging van de inhoud van het ANBI-begrip zoals dat voordien gold, is beoogd. De in de jurisprudentie ontwikkelde eis dat uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling moet blijken dat de instelling het algemeen nut dient is nu wettelijk vastgelegd. Wel is het sinds de invoering van voormelde wettelijke bepalingen niet langer voldoende dat de instelling met de door haar verrichte werkzaamheden het algemene belang ten minste in gelijke mate als het particuliere belang dient, maar moet de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend – dit is voor meer dan 90 percent – het algemeen nut beogen. Tevens is nader uitgewerkt wat als algemeen nut in de zin van artikel 5b, van de AWR, wordt beschouwd. Met inachtneming van deze wijzigingen is bij de beoordeling of sprake is van een ANBI nog steeds de jurisprudentie van voor de invoering van deze bepalingen van belang.

4.3

De bewijslast voor de feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden om als ANBI te kunnen worden aangemerkt, rust op haar. Zij dient aannemelijk te maken dat zij zowel statutair als feitelijk voor meer dan 90 percent het algemeen nut dient (vgl. HR 22 juni 2012, nr. 11/03215, ECLI:NL:HR:2012: BW9055 en HR 13 januari 2012, nr. 10/03464, ECLI:NL:HR:2012:BQ0525).

4.4

Bij het beoordelen van het geschil heeft het Hof tot juridisch uitgangspunt genomen het zogenoemde Scientology-II arrest (Hoge Raad 12 december 2014, nr. 13/05820, ECLI:NL:HR:2014:3565, BNB 2015/59). De in dit arrest uiteengezette duiding van – kort weergegeven – de ANBI-regeling en de in dat kader aan te leggen toets heeft het Hof tot uitgangspunt gekozen in het kader van het geven van een oordeel over de in geschil zijnde status van belanghebbende als ANBI.

4.5.1

Belanghebbende geeft tegen een abonnementsprijs een weekblad uit. De Inspecteur heeft ter vergelijking de abonnementsgelden van andere bladen vermeld en daarmee zijn standpunt feitelijk onderbouwd dat sprake is van een min of meer commercieel tarief. Uit de verschillen in de omvang van de weekbladen zijn naar zijn mening ook de verschillen tussen de tarieven te verklaren. Omdat de uitgave van een weekblad door belanghebbende niet verschilt van andere weekbladen dient zij daarmee, aldus de Inspecteur, louter particuliere belangen. Belanghebbende heeft daartegenover aangevoerd dat de kostprijs van [X 1] achterblijft bij de opbrengsten uit de abonnementsgelden en dat met de uitgave van [X 1] een algemeen doel wordt gediend. Derhalve dient als uitgangspunt te worden gekozen de economische positie van belanghebbende.

4.5.2

Het Hof is van oordeel dat dit standpunt van belanghebbende een juridisch onjuist uitgangspunt vormt en vermag haar daarin niet te volgen. Naar het oordeel van het Hof kan de door belanghebbende voor het [X 1] gehanteerde abonnementsprijs, gelet op de omvang en de verschijningsfrequentie, objectief beschouwd als een min of meer commercieel tarief worden aangemerkt. Daarbij acht het Hof aannemelijk dat de abonnees deze prijs als een in het economische verkeer min of meer normale, gebruikelijke prijs voor het blad ervaren. Dusdoende worden de consumptieve particuliere belangen van de abonnees gediend. Gesteld noch gebleken is dat dit anders is voor het uitgeven van andere gegevensdragers zoals bedoeld in de statuten van belanghebbende. Dat de exploitatie van het [X 1], bezien vanuit de uitgever, niet kostendekkend dan wel winstgevend is maar reeds vanaf de oprichting in 1983 (sterk) verlieslatend is, maakt dat naar het oordeel van het Hof niet anders. Het standpunt van belanghebbende vindt in het bijzonder geen steun in het hiervoor vermelde arrest Scientology-II. Voorts is het Hof van oordeel dat de uitgifte van het blad evenmin kwalificeert als fonds wervende activiteit als bedoeld in artikel 1, tweede lid Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen.

4.6

Belanghebbendes kernactiviteit is het uitgeven van een weekblad tegen een min of meer commercieel tarief. Zij houdt zich met het uitgeven van het [X 1] en andere gegevensdragers tegen min of meer commerciële tarieven naar het oordeel van het Hof niet rechtstreeks en primair bezig met het verkondigen van de blijde boodschap van Jezus Christus. Dat zij andere werkzaamheden heeft verricht waarmee zij het algemeen belang dient, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Daarmee voldoet zij naar het oordeel van het Hof niet aan de wettelijke eis dat zij met haar feitelijke werkzaamheden rechtstreeks en primair een algemeen nut dient te beogen. Dat binnen de kring van belanghebbende het uitgeven van het [X 1] wordt gezien als een belangrijke bijdrage aan het verkondigen van de blijde boodschap maakt dat naar het oordeel van het Hof niet anders, en evenzeer niet dat alle medewerkers van het [X 1] die ideologische boodschap moeten onderschrijven. Dat uitgangspunt kleurt als het ware de artikelen en opinies in haar weekblad slechts op deze wijze in.

4.7

Het vorenstaande vindt mede steun in het gegeven dat de vermelding van belanghebbende in de Pius Almanak is gerubriceerd onder het kopje “Pers en documentatie”. Ook dat scherpt in dat de kerndoelstelling van belanghebbende de uitgave van het [X 1] is en niet primair en rechtstreeks het verspreiden van de blijde boodschap. Daarbij acht het Hof aannemelijk dat de vermelding in de Pius Almanak, waaronder de rubricering en duiding van de genoemde instellingen, is afgestemd op een hoger niveau binnen de Rooms Katholieke Kerk in Nederland nu die Almanak, gelet op de toezending aan de Belastingdienst, kennelijk van belang is voor het aanmerken van instellingen binnen de Rooms katholieke Kerk als een ANBI.

4.8

Ook de verklaringen van de bisschoppen doen niet af aan het hiervoor gegeven oordeel omtrent de status van belanghebbende. Dat het weekblad [X 1] een rooms-katholieke signatuur heeft en dat de bisschoppen daar van harte mee instemmen, begrijpt het Hof. Dat was het Hof op basis van de stukken van het geding bekend en de waardering van de bisschoppen wil het Hof zonder meer aannemen. Dat doet echter niet af aan het oordeel dat het blad tegen een min of meer commercieel tarief wordt geëxploiteerd en naar het oordeel van het Hof niet voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 5b, eerste lid, onderdeel a, AWR.

4.9

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende in de op haar rustende last om te bewijzen dat haar regelgeving en feitelijke werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dienen, niet is geslaagd.

Subsidiair standpunt; vergelijking met andere media; gelijkheidsbeginsel

4.10

Belanghebbende heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld (schriftuur van 27 maart 2015) dat haar doelstelling ruimer moet worden gelezen dan de Inspecteur doet. De doelstelling van het [X 1] richt zich (mede) op het geven van opinies en nieuwsgaring dan wel een combinatie van beide. Ter ondersteuning van haar standpunt dat zij door deze werkzaamheden kwalificeert als ANBI heeft belanghebbende verwezen naar de ANBI-status van [K], [L] en [M]. Deze instellingen hebben een algemeen nuttig doel maar voeren dit uit door middel van media-activiteiten, soms tegen betaling maar vaak ook niet. Voor zover nodig beroept belanghebbende zich in dit kader op het gelijkheidsbeginsel, meer in het bijzonder het oogmerk van begunstiging (HR 26 februari 2010, nr. 08/01361, BNB 2010/279). Daartoe vergelijkt zij zichzelf met [L] en [K] en andere publieke omroeporganisaties. De Inspecteur heeft het vorenstaande, meer in het bijzonder het beroep op het gelijkheidsbeginsel, weersproken.

4.11

Ook indien de doelstelling van belanghebbende ruimer moet worden opgevat dan hiervoor geschetst (4.6) heeft onverminderd te gelden dat met de uitgave van het weekblad [X 1] tegen min of meer commerciële abonnementsprijzen de particuliere consumptie van de abonnees wordt gediend en niet primair de verspreiding van de blijde boodschap. Ook dan faalt het standpunt van belanghebbende dat zij kwalificeert als ANBI omdat haar feitelijke werkzaamheden niet voldoen aan de in 4.1 bedoelde rechtsregels. Aangaande het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het Hof aansluitend als volgt.

4.12

Belanghebbende heeft – zoals hiervoor aangegeven – aangevoerd dat de genoemde instellingen, in het bijzonder [K] en [L], wel als ANBI zijn aangemerkt. Zij heeft zich ook vergeleken met andere schriftelijke media zoals [N], die ook een steunstichting ([O]) kent, maar ook met de Stichting [P], die als ANBI door de Inspecteur is aanvaard. Gelet hierop heeft belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat deze stellingname met nieuwe feiten te laat in het geding is gebracht, namelijk binnen een termijn van tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het hoger beroep. Indien de stelling van belanghebbende niet als tardief wordt aangemerkt stelt hij zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden nu deze gevallen – voor zover hij daarvan wetenschap heeft – feitelijk en rechtens niet gelijk zijn en ook overigens geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Op belanghebbende rust de bewijslast feiten en/of omstandigheden te stellen teneinde haar gelijk te bewijzen.

4.13

Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur, met hetgeen zij naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk dat in dezen het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien aannemelijk wordt dat de Inspecteur hetzij een beleid heeft gevoerd waarvan in het nadeel van belanghebbende is afgeweken, hetzij het oogmerk heeft gehad één of meer andere belastingplichtigen te begunstigen, hetzij in een meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen in het voordeel van die gevallen een (niet op beleid of begunstiging gebaseerde) fout heeft gemaakt. Feiten en/of omstandigheden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat één van de drie hiervoor bedoelde situaties zich hier heeft voorgedaan, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Met name acht het Hof onvoldoende aannemelijk dat de statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden van de door belanghebbende genoemde instellingen rechtens en feitelijk met haar werkzaamheden kunnen worden vergeleken. Dat de Inspecteur, met het oogmerk van begunstiging, aan één of meer andere instellingen wel de status van ANBI heeft verleend, is niet aannemelijk gemaakt.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

5.1

Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op een volledige vergoeding van haar proceskosten en daartoe een specificatie overgelegd. Subsidiair maakt zij aanspraak op het volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht geregelde forfaitaire vergoeding van de proceskosten. In de annexe zaak met kenmerk BK-14/01076 betreffende [J ] Stichting, is een gelijkluidend verzoek gedaan. Dienaangaande overweegt het Hof het navolgende.

5.2

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten. Daartoe heeft het Hof, na kennisname van onder meer het schrijven van belanghebbende van 27 maart 2015, het navolgende overwogen. Belanghebbende is in hoger beroep in het ongelijk gesteld. Reeds om die reden komt haar in beginsel geen recht toe op vergoeding van proceskosten nu geen sprake is van handelen door de Inspecteur tegen beter weten in. Het vorenstaande lijdt uitzondering indien zich een buitengewone omstandigheid (vergelijk artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht) voordoet. Naar het oordeel van het Hof is dat niet het geval. Daarbij heeft het Hof uitdrukkelijk meegewogen dat anders dan belanghebbende stelt het Hof geen feiten en/of omstandigheden door belanghebbende aannemelijk gemaakt acht dat sprake is van een vooringenomen opstelling van de Inspecteur in het onderliggende geschil. Dat de Inspecteur reeds in een pril stadium zijn voorlopig standpunt over de fiscale status van belanghebbende heeft gegeven maakt dat niet anders.

5.3

Ook indien de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld, kan dit grond opleveren een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig te achten (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Naar het oordeel van het Hof doet ook dat zich in het onderhavige geval niet voor. De door belanghebbende opgevoerde omstandigheden, waaronder de omvang en de invulling van de onderzoeksplicht van de Inspecteur, leiden in het onderhavige geval niet ertoe dat van een vergaande onzorgvuldigheid sprake is.

5.4

Ook acht het Hof de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur met schending van het motiveringsbeginsel de ANBI-status heeft geweigerd, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. Derhalve faalt het incidentele hoger beroep.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J.H.B. Röben , in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 7 juli 2015 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. In zijn plaats tekent mr. Kooijmans.

De griffier,

(E.D. Postema)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 juli 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.