Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5077

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
200.169.588-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van vonnis waarbij aan de vrouw verlof is verleend om een beschikking waarin de door de man te betalen kinderalimentatie is vastgesteld, ten uitvoer te doen leggen door middel van lijfsdwang en de man in gijzeling te doen nemen totdat de vordering van de vrouw op de man ter zake de kinderalimentatieachterstand is voldaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Burgerlijk Wetboek Boek 1 408
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 351
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 585
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 586
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 587
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 588
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 589
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 589a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 590
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/10 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.169.588/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/386129 / KG ZA 15-40)

arrest van de eerste kamer in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 351 Rv van 7 juli 2015

in de zaak van

[de man],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

appellant,

hierna: [de man],

advocaat: mr. A.G. Ouwejan, kantoorhoudend te Breukelen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [de vrouw],

advocaat: mr. M.E. Goudriaan, kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 26 maart 2015 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep, tevens incidentele vordering tot schorsing van de executie ex artikel 351 Rv d.d. 22 april 2015 (met productie),

- de memorie van antwoord in het incident.

2.2

Vervolgens heeft [de man] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof op één dossier arrest bepaald.

2.3

De incidentele vordering van [de man] luidt:

"dat het Uw gerechtshof moge behagen bij tussen vonnis/arrest te bepalen dat de executie van het vonnis van eerste aanleg (…) wordt geschorst totdat het Gerechtshof in de hoofdzaak vonnis/arrest heeft gewezen."

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

[de man] en [de vrouw] zijn gewezen echtgenoten. Uit het huwelijk van partijen zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren.

3.2

Het huwelijk is op 8 januari 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 17 december 2008 in de registers van de burgerlijke stand. Bij echtscheidingsconvenant, dat onderdeel uitmaakt van voormelde beschikking, zijn partijen overeengekomen dat [de man] aan [de vrouw] een kinderbijdrage van € 200,- per kind per maand betaalt.

3.3

[de man] heeft, ook na herhaalde verzoeken daartoe van [de vrouw], niet voldaan aan zijn onderhoudsverplichting. [de vrouw] heeft het LBIO ingeschakeld om tot incasso van achterstallige kinderalimentatie over te gaan. Het LBIO heeft bij [de man] geen verhaalsmogelijkheden kunnen traceren. De alimentatieachterstand beloopt tot en met maart 2015 een bedrag van € 14.034,56.

3.4

[de vrouw] heeft in eerste aanleg (onder andere) gevorderd de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 17 december 2008 en het aan die beschikking gehechte convenant bij lijfsdwang toe te staan totdat de vordering is voldaan.

3.5

Bij het (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter [de vrouw] verlof verleend om voormelde beschikking ten uitvoer te doen leggen door middel van lijfsdwang en [de man] in gijzeling te doen nemen totdat de vordering van [de vrouw] op [de man] van € 14.034,56 ter zake de kinderalimentatieachterstand tot en met maart 2015 is voldaan, met dien verstande dat die gijzeling pas zal mogen plaatsvinden vanaf achtentwintig dagen na betekening van het vonnis en ten hoogste dertig dagen zal duren.

3.6

De vraag waar het in dit incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012) en 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688), voorop dat bij de beoordeling van deze vordering het volgende geldt:
(i) de eiser in het incident moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis;
(ii) de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van het vonnis. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven;
(iii) bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing;
(iv) indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij de beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken;
(v) indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.7

De voorzieningenrechter heeft de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd, zodat het hof zal beslissen met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.8

[de man] heeft aan zijn incidentele vordering ten grondslag gelegd dat [de vrouw] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid, aangezien de executie tot gevolg zal hebben dat voor [de man] een noodtoestand zal ontstaan. [de man] is voornemens een verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie in te dienen en zal in de hoofdzaak aanvoeren dat er aan zijn zijde wel degelijk sprake is van betalingsonmacht. Executie van het vonnis via lijfsdwang is naar de mening van [de man] overtrokken en disproportioneel, terwijl de gevolgen niet terug te draaien zullen zijn.

3.9

Naar het oordeel van het hof levert het door [de man] aangevoerde geen grond op voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter op de voet van artikel 351 Rv. Het hof overweegt daartoe als volgt. [de vrouw] heeft er een gerechtvaardigd belang bij dat [de man] de in de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 17 december 2008 vastgestelde kinderalimentatie aan haar zal voldoen. Niet in geschil is dat [de vrouw] volledig afhankelijk is van een WWB-uitkering en dat zij niet langer in staat is de kosten van levensonderhoud van zichzelf en de kinderen te voldoen. Zij heeft dan ook behoefte aan de bijdrage van [de man] ten behoeve van de kinderen. Daarbij heeft het betalen van kinderalimentatie ook naar maatschappelijke normen bezien hoge prioriteit. In het kader van de te maken belangenafweging neemt het hof voorts (gelet op het hiervoor onder (iii) vermelde) tot uitgangspunt het oordeel van de voorzieningenrechter dat [de man] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is aan de genoemde beschikking van 17 december 2008 te voldoen, nu hij onvoldoende inzicht heeft verschaft in het vermogen waarover hij beschikt en feitelijk kan beschikken, alsmede het oordeel dat het feit dat [de man] zonder meer is gestopt met het vrijwillig betalen van kinderalimentatie veeleer op betalingsonwil dan op betalingsonmacht duidt. Aldus kan er niet van worden uitgegaan dat [de man] niet in staat is om de verschuldigde kinderalimentatie te voldoen.
Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat [de man] geen wijzigingsverzoek ten aanzien van de kinderalimentatie heeft ingediend. Het is in beginsel aan de bodemrechter voorbehouden om een oordeel te geven over de vraag of al dan niet sprake is van een wijziging van omstandigheden die van dien aard is dat een vastgestelde onderhoudsbijdrage dient te worden gewijzigd. Nu [de man] tot op heden geen daartoe strekkend verzoek heeft ingediend, moet het er ook in zoverre voor worden gehouden dat [de man] in beginsel de opgelegde kinderalimentatie kan betalen.

3.10

Het hof acht op grond van het vorenstaande geen grond aanwezig om de gestelde belangen van [de man] bij schorsing van de tenuitvoerlegging te laten prevaleren boven de belangen van [de vrouw] bij executie van het bestreden vonnis. Het hof acht daarbij van belang dat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft beslist dat de gijzeling van [de man] eerst zal mogen plaatsvinden vanaf achtentwintig dagen na betekening van het vonnis, zodat [de man] geen nadeel van de beslissing van de voorzieningenrechter behoeft te ondervinden indien hij de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 17 december 2008 correct naleeft.

3.11

Gelet op het vorenstaande dient de incidentele vordering van [de man] te worden afgewezen. Het hof zal de beslissing over de kosten in het incident aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak en de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor het nemen van de memorie van grieven. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident:

wijst de vordering van [de man] af;

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 18 augustus 2015 voor memorie van grieven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. B.J.H. Hofstee en mr. N.A. Baarsma en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 7 juli 2015.