Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5051

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
200.140.550-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op tussenarrest van 17 maart 2015. Hof komt definitief tot het – ambtshalve – oordeel dat de door de curator ingeroepen pauliana ter zake van de verwerping van een nalatenschap niet mogelijk is, gelet op artikel 4:190 lid 4 BW. Voor bescherming van schuldeisers van erfgenamen wegens verwerping staat de weg van artikel 4:205 BW open.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0259
INS-Updates.nl 2015-0237

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.550/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 428003/CV EXPL 13-1276)

arrest van de eerste kamer van 7 juli 2015

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [dochter 1] en [dochter 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eiseressen,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [de vader],

kantoorhoudende te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de curator,

advocaat: mr. [geïntimeerde], kantoorhoudend te Heerenveen.

Verwezen wordt naar het tussenarrest van 17 maart 2015.

1 Het verdere procesverloop in hoger beroep

1.1

Partijen hebben ieder een akte genomen.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het arrest van 17 maart 2015 heeft het hof ambtshalve als zijn (voorlopig) oordeel uitgesproken dat de vernietiging door de curator van de verwerping van de nalatenschap(pen) door [de vader] op grond van artikel 42 Fw (subsidiair 47 Fw) niet mogelijk is en dat dit meebrengt dat de vordering van [appellanten], om voor recht te verklaren dat de pauliana ongegrond is, voor toewijzing gereed ligt, evenals die tot vrijgave van het depot. Voorts heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

2.2

In hun na het tussenarrest genomen akten hebben partijen zich achter het voorlopig oordeel van het hof geschaard. Het hof maakt dit oordeel thans definitief tot het zijne. Dit brengt mee dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de hierboven bedoelde vorderingen zullen worden toegewezen. De vordering tot afgifte van het depot zal worden versterkt met de gevorderde dwangsom (zij het gemaximeerd tot aan het in het dictum te noemen bedrag). Anders dan de curator heeft aangevoerd, betreft het hier geen veroordeling tot betaling van een geldsom.

2.3

De verder nog ingestelde vordering om voor recht te verklaren dat de curator aansprakelijk is voor de kosten van (naar het hof begrijpt: het depot bij) Groenewegen Advocaten en Notarissen zal eveneens worden toegewezen. In de door de curator afgegeven depotverklaring (productie B15) staat onder 4 vermeld dat het depot rentedragend door de notaris wordt bewaard en dat de administratiekosten ten bedrage van € 75,- per kwartaal in rekening worden gebracht bij uitbetaling van het depot. Naar het hof begrijpt, bedoelen [appellanten] met hun stelling dat de kosten van het depot door toedoen van de curator zijn ontstaan dat de curator de vrijgave van de in depot gelaten gelden ten onrechte heeft geblokkeerd met een beroep op de artikelen 42 en 47 Fw. en dat een redelijke uitleg van zijn depotverklaring meebrengt dat hij de kosten van het depot (ad € 75,- per kwartaal) dient te dragen. Het hof volgt hen in dat standpunt.

2.4

De curator is de in het ongelijk te stellen partij. Het hof ziet in de door de curator in zijn laatste akte aangevoerde omstandigheid dat [appellanten] zich niet hebben beroepen op het bepaalde in artikel 4:190 BW geen aanleiding om, in afwijking van de hoofdregel, hem niet te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellanten] in eerste aanleg begroot op € 456,71 aan verschotten en overeenkomstig twee punten in tarief II aan geliquideerd salaris van de advocaat en in hoger beroep op € 759,71 aan verschotten en overeenkomstig 1 punt in tarief II aan geliquideerd salaris van de advocaat.

De beslissing

het Gerechtshof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 september 2013 en, opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat het beroep van de curator op de faillissementspauliana ex artikel

42 lid 1 en 47 Fw ongegrond is;

verklaart voor recht dat de curator aansprakelijk is voor de kosten van het depot bij Groenewegen Advocaten en Notarissen;

veroordeelt de curator om binnen twee weken na betekening van dit arrest Groenewegen Advocaten en Notarissen toestemming te verlenen om het bedrag van € 17.318,30 te storten op een door [appellanten] op te geven rekeningnummer, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de curator hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,-;

veroordeelt de curator in de kosten van de procedure in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellanten] in eerste aanleg begroot op € 456,71 aan verschotten en € 904,- aan geliquideerd salaris van de advocaat en in hoger beroep op € 759,71 aan verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. I. Tubben en mr. R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
7 juli 2015.