Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5045

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
200.136.578-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Financieel adviseur/accountant aansprakelijk voor door cliënten geleden verliezen?

Vaste en betaalde adviesrelatie. Accountant in business? Oordeel Accountantskamer.

Heeft financieel adviseur zijn zorgplicht geschonden bij het verstrekken van lening door cliënten aan noodlijdende onderneming? Artikel 7:401 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 5, p. 267
AR 2015/1291

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.136.578/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/114299 / HA ZA 11-580)

arrest van de eerste kamer van 7 juli 2015

in de zaak van

1 [appellant 1],

hierna: [appellant 1],

2. [appellant 2],

hierna: [appellant 2],
wonende te [woonplaats 1],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. H.P. de Lange, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats 2],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

gevestigd te [woonplaats 2],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. I.J. Woltman, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 24 juli 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het loop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 oktober 2013,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met productie),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met productie),

- een akte van [appellanten] in het principaal appel houdende vermindering van eis (met productie),

- een antwoordakte van [geïntimeerden]

2.2

Vervolgens hebben [appellanten] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellanten] in het principaal appel luidt na vermindering van eis:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 24 juli 2013 te vernietigen en, opnieuw recht doende:

I. Voor recht verklaart dat [geïntimeerden], althans [geïntimeerde 1], tekortgeschoten is in zijn taken als

adviseur/accountant van [appellanten] en onrechtmatig gehandeld heeft ten opzichte van

[appellanten];

II. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk veroordeelt om aan [appellanten] te betalen de

som van € 1.327.496,01, vermeerderd met de contractuele, althans de wettelijke rente over

een bedrag van € 1.465.304,11 vanaf 14 januari 2011 tot 15 juni 2014 en met de contractuele, althans wettelijke rente over een bedrag van € 1.327.496,01 vanaf 15 juni 2014 tot aan de dag van de uiteindelijke betaling;

III. [geïntimeerden] veroordeelt in de proceskosten in beide instanties."

2.4

In incidenteel appel hebben [geïntimeerden] gevorderd:

"het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden op 24 juli 2013 tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende - zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden - voor zover mogelijk uitvoerbaar te bekrachtigen, met inachtneming van de wijziging - vermeerdering van eis in reconventie zijdens [geïntimeerde 1] - met veroordeling van appellanten van de kosten van beide instanties."


Deze eisvermeerdering strekt ertoe [appellanten] te veroordelen tot betaling van € 2.400,-, zijnde de taxe van getuige [getuige] in het gehouden voorlopig getuigenverhoor.

3 De feiten
In het principaal en incidenteel appel

3.1

Als gesteld en niet weersproken staat in deze zaak het volgende vast.

3.1.1

[appellanten] zijn (indirect) enig aandeelhouders van het [X]-concern (hierna: [X]), dat bestaat uit een holding met daaronder een aantal werkmaatschappijen. [X] is actief op het gebied van infrastructuur, milieutechniek, beton- en waterbouw, groenvoorziening en projectontwikkeling. Bij het

concern werken zo’n 285 medewerkers. Er wordt een omzet van rond de 45 miljoen euro per jaar gerealiseerd. Van 1995 tot 1 april 2008 was [appellant 1] bedrijfsdirecteur van de divisie

Beton- en Waterbouw van het concern. Sedert 1 april 2008 is [appellant 1] niet langer actief in

het management van [X], maar maakt hij - met drie anderen - deel uit van de

raad van commissarissen (hierna: RvC) van de holding.

3.1.2

[appellanten] beschikken over een aanzienlijk privé vermogen. Dit vermogen wordt grotendeels belegd in effecten. De effectenportefeuille is door [appellanten] ondergebracht bij

ABN AMRO [bank] (hierna ook: de bank).

3.1.3

[geïntimeerde 1] was tot 2002 (door middel van zijn praktijkvennootschap [Y] Audit B.V.) partner bij het accountantskantoor [accountantskantoor] (hierna: [accountantskantoor]). [Y] Audit B.V. was een 100% dochtervennootschap van [geïntimeerde 2]. Na het uittreden van [geïntimeerde 1] uit [accountantskantoor] per medio 2002 wegens gezondheidsredenen is [Y] Audit B.V. in 2003 geliquideerd. [geïntimeerde 2] fungeert thans als de "pensioen BV" van [geïntimeerde 1].

3.1.4

Van 1986 tot en met de jaarrekening 2000 was [geïntimeerde 1] de vaste (register)accountant van het [X] concern.

3.1.5

Per 2005 is [geïntimeerde 1] de positie van privé-adviseur van [appellanten] gaan vervullen. De werkzaamheden van [geïntimeerde 1] omvatten, volgens de verklaringen van partijen, in ieder geval:

1. het assisteren van [appellanten] bij het voorbereiden van de aangifte inkomstenbelasting. In de praktijk betekende dit dat [geïntimeerde 1] met [appellanten] besprak welke stukken daarvoor nodig waren. [appellanten] verzamelde die stukken en [geïntimeerde 1] zorgde ervoor dat deze stukken geordend bij [accountantskantoor] kwamen voor het verzorgen van de aangifte;

2. het voorbereiden van [appellant 1] op de vergaderingen van de RvC van de holding van [X]. [geïntimeerde 1] kreeg daartoe alle stukken voor de vergadering van de RvC van te voren toegestuurd, bestudeerde deze en [appellant 1] besprak de stukken vervolgens met [geïntimeerde 1]. [geïntimeerde 1] was niet zelf aanwezig bij de vergaderingen van de RvC;

3. het begeleiden van de contacten met ABN AMRO [bank]. [geïntimeerde 1] vergezelde [appellanten] bij de kwartaalbesprekingen met de bank over het vermogensbeheer.

Voor de onder 2. vermelde werkzaamheden van [geïntimeerde 1] werden door [geïntimeerde 2] declaraties gezonden aan [X] (laatstelijk jaarlijks zo’n € 15.000,- exclusief BTW), voor de onder 1. en 3. vermelde werkzaamheden factureerde [geïntimeerde 2] aan [appellant 1] in privé (over 2009 en 2010 € 12.950,- exclusief btw per jaar).

3.1.6

Tussen [appellanten] en [geïntimeerde 1] en zijn echtgenote is in de loop der tijd een

vriendschappelijke band ontstaan.

3.1.7

De heer [Z] (hierna: [Z]) was in 2007 (indirect) meerderheidsaandeelhouder en bestuurder van Agri Invest Holding B.V. (hierna: Agri Invest). De vennootschap [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) is een volledige dochtervennootschap van Agri Invest.

3.1.8

[Z] is een achterneef van [geïntimeerde 1]. [geïntimeerde 1] en zijn echtgenote hadden met enige regelmaat contact met de ouders van [Z]; zij gingen één maal per jaar samen op vakantie en ze bezochten elkaar op verjaardagen. Met hun zoon [Z] hadden [geïntimeerde 1] en zijn echtgenote weinig contact.

3.1.9

[Z] heeft tijdens een gesprek met [geïntimeerde 1] in de zomer van 2007 meegedeeld dat het met [bedrijf] goed ging maar dat de onderneming door omstandigheden kampte met liquiditeitskrapte. [geïntimeerde 1] heeft daarop aan [appellanten] voorgesteld om in de onderneming van [Z] te investeren. Na een kennismaking tussen [appellanten] en [Z] en een bezoek aan het bedrijf, in het bijzijn van [geïntimeerde 1] en zijn echtgenote, zijn [appellanten] en Agri Invest een leningsovereenkomst aangegaan, gedateerd 23 oktober 2007, voor een bedrag van € 250.000,- (hierna: lening 1) tegen een rentepercentage van 8%. Aflossing diende te geschieden in 5 jaarlijkse termijnen van € 50.000,-, voor het eerst op 31 december 2008. Ook [geïntimeerde 1] heeft in het najaar van 2007 een lening verstrekt aan Agri Invest voor een bedrag van € 50.000,-.

3.1.10

Op 1 december 2008 zijn [appellanten] met [bedrijf] een leningsovereenkomst aangegaan (hierna: lening 2) voor een bedrag van € 100.000,-, tegen 10% per jaar, af te lossen op 31 maart 2009. [bedrijf] heeft dit bedrag op 1 april 2009 afgelost. In december 2008 zijn [appellanten] met [Z] tevens een addendum op lening 1 overeengekomen, inhoudende dat de eerste aflossing pas uiterlijk 31 maart 2009 diende te geschieden. Agri Invest heeft op lening 1 begin mei 2009 € 50.000,- afgelost en eind 2009 nogmaals € 50.000,-.

3.1.11

Gaandeweg is tussen [appellanten], [Z] en diens echtgenote een vriendschappelijke band ontstaan.

3.1.12

In het voorjaar van 2010 verkeerde de onderneming van [Z] in acute financiële problemen. De onderneming had een kapitaalinjectie van ruim € 1.000.000,- nodig. Gezien deze problemen was [Z] in gesprek met een potentiële koper ([koper]) over verkoop van de onderneming. Tijdens een telefonisch contact tussen [Z] en [appellant 1] eind april 2010 heeft [appellant 1] aangegeven dat hij mogelijk bereid zou zijn tot financiële ondersteuning. Verkoop zou dan niet nodig zijn. [appellant 1] heeft zijn voornemen tot verdere financiële ondersteuning van [Z] met [geïntimeerde 1] besproken, die aanraadde om een onafhankelijk onderzoek naar de onderneming van [Z] te doen verrichten.

3.1.13

[geïntimeerde 1] heeft vervolgens de heer [R.A.] (hierna: [R.A.]), registeraccountant tevens partner bij [accountantskantoor], benaderd. [R.A.] was op dat moment de vaste externe accountant van het [X] concern. Op 26 april 2010 heeft [geïntimeerde 1] een - op voorhand aan [appellant 1] voorgelegde - notitie aan [R.A.] gestuurd die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:


“Wij spraken met elkaar over een beoordeling van prognoses e.d. van [bedrijf]. In dat kader nog even wat nadere toelichting.

(...)

De laatste maanden zijn er liquiditeitsspanningen van een zodanige omvang ontstaan dat discontinuïteit dreigt. De medeaandeelhouder en medefinancier (lening 600.000) [Q] eiste twee weken geleden dat [Z] het faillissement zou aanvragen. Op dit moment wordt gesproken met [koper] (dochteronderneming van Rentokil) over overname. Er komt een bod op de activa van [R] zodanig dat alle schulden kunnen worden afgelost en dat voor de vordering van [Q] en van [Z] (in totaal € 1,6 mio) ongeveer 40% resteert. (...)

Een ander scenario is zelfstandige voortzetting van het bedrijf met een kapitaalinjectie van een derde. Op dit moment is fam. [appellant 1] bereid om de benodigde middelen te verstrekken (gedacht wordt aan € 1 mio). Te denken aan deels aandelenkapitaal en deels een lening. Verhouding in aandelen [Z]/[appellant 1] circa 60/40.

(..)

Bij het onderzoek door [accountantskantoor] denk ik aan de volgende invalshoek:

- Er zijn prognoses gemaakt voor de komende jaren, optimistisch, normaal en pessimistisch. Zijn die prognoses redelijk? Wat zijn de risico’s dat de situatie niet goed uitpakt.

- Wat is de oorzaak van de liquiditeitsspanning? Waarom zo laat ontdekt? Er is toch geen sprake van financiering van verliezen, anders dan normale schommelingen in het resultaat van het lopend jaar?

- Heeft men nu grip op de financiële situatie?
(…)
Welk bedrag is nodig voor de financiering en wanneer?

- Op welke termijn is terugbetaling mogelijk?

(...)

De resultaten van jullie onderzoek kunnen in een brief van bevindingen worden gerapporteerd. Het gaat er sterk om wat voor gevoel jullie hebben bij de situatie.”

3.1.14

Op 27 april 2010 heeft [appellant 1], zonder dat [R.A.] nog iets had gerapporteerd, alvast € 150.000,- naar (de onderneming van) [Z] overgemaakt.

3.1.15

[R.A.] heeft door [Z] aangeleverde stukken bestudeerd en tevens diverse besprekingen gehad met [Z] en diens fiscaal adviseur de heer [getuige] (hierna:

[getuige]), partner bij het kantoor [maatschap], een maatschap van accountants, fiscalisten

en bedrijfsjuristen.

3.1.16

Op 5 mei 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden ten huize van [appellanten] waar bij aanwezig waren: [appellanten], [geïntimeerde 1] en [R.A.]. [R.A.] heeft daar zijn conceptrapport toegelicht, dat voor zover hier van belang vermeldt (vet aangebracht door het hof):

"Wij benadrukken dat door ons geen onderzoek (due diligence) is uitgevoerd op de financiële, fiscale en juridische positie van de onderneming. (...)

De balans van de conceptjaarrekening 2009 van Agri Invest Holding B. V. (geconsolideerd)

toont een negatief eigen vermogen van € 521.000. Daarnaast is op holding niveau een vordering opgenomen van € 479.000 (...) waarbij de veronderstelling is dat deze niet inbaar zal zijn (...) In totaal is derhalve grofweg sprake van € 2.200.000 aan gecorrigeerd negatief vermogen binnen Agri Invest Holding B. V. (...)

De begroting voor de komende jaren laat het volgende beeld zien:

- jaarlijks is een positief resultaat mogelijk wanneer de voorgestelde saneringen worden doorgevoerd;

(...)

Uit de liquiditeitsoverzichten voor de jaren 2010, 2011 en 2012 ontstaat het volgende

beeld:

- voor de jaren ná 2010 zien de prognoses er in financiële zin positief uit;

(...)

De heer [Z] vraagt concreet aan de heer [appellant 1] om naast de resterende lening uit 2007 van € 150.000 een financiering van € 1.200.000 ten behoeve van Agri Invest Holding B.V. Daarvan is in april 2010 al € 150.000 betaald. Daarmee zijn voldoende middelen beschikbaar om de financiële prognoses gestalte te kunnen geven. Echter, in verband met een verwacht eenmalig liquiditeitstekort in september is op basis van de huidige inzichten een aanvullende financieringsbehoefte van € 130.000 noodzakelijk. Hiervan is door [Z] aangegeven dat dit tekort slechts enkele weken zal zijn, hetgeen door ‘schuiven’ met betalingen binnen de reguliere operationele activiteiten kan worden opgevangen. U zult eveneens als aandeelhouder participeren. Onze ervaring leert dat bij participaties door

participatiemaatschappijen vrijwel altijd een minderheidsparticipatie wordt genomen. In overleg met [Z] zult u nog nader moeten uitwerken welk bedrag als aandelenkapitaal wordt aangewend.
(…)
Onze indruk is dat de onderneming overall voldoende winstpotentie heeft ná doorvoering

van de geplande sanering, en zolang de heer [Z] voldoende focus heeft op de Nederlandse activiteiten.

Wij bevelen u in dit kader aan om in een directiestatuut vast te laten leggen dat bij voorname (investerings) beslissingen uw instemming vereist is.

(...)

Omdat wij geen onderzoek hebben verricht naar de (fiscale) risico’s die op balansdatum aanwezig zijn adviseren wij u in de contracten met [Z] een borgstelling van de ondernemer op te nemen in geval er nog financiële risico’s blijken die per balansdatum aanwezig waren."

3.1.17

[appellant 1] en [geïntimeerde 1] hebben [R.A.] op 5 mei 2010 verzocht om een notitie op te stellen over de te maken afspraken bij een participatie van [appellanten] in de onderneming van [Z]. Een concept daarvoor heeft [R.A.] nog diezelfde avond per e-mail aan [appellant 1] en [geïntimeerde 1] gezonden. De notitie vermeldt onder meer dat [appellanten], in aanvulling op inmiddels verstrekte gelden, een bedrag van € 1.000.000, zullen overmaken naar de bankrekening van Agri Invest en dat [appellanten] 40% van de aandelen zullen overnemen tegen een bedrag van € 1,-. Het overig deel van de verstrekte gelden zal als lening beschikbaar worden gesteld. De notitie vermeldt ook dat er een Raad van Advies zal komen

bij Agri Invest, bestaande uit drie personen, één namens de familie [appellant 1], één namens de

familie [Z] en een derde die vanuit de bedrijfsbelangen zitting zal nemen, te benoemen door beide aandeelhouders ([Z] en [appellant 1]). Voorts wordt vermeld dat bepaalde beslissingen van strategische aard de goedkeuring van de meerderheid van de Raad van Advies vereisen.

3.1.18

Op 6 mei 2010 heeft wederom een bespreking plaatsgevonden ten huize van [appellanten] tussen [appellanten], [geïntimeerde 1] en [R.A.], waar zich later [Z] en [getuige] bij hebben gevoegd. [appellant 1] heeft aldaar aan [Z] meegedeeld dat hij bereid was € 1.250.000,- te investeren. Vervolgens hebben [appellant 1] en [geïntimeerde 1] enkele aanpassingen doorgevoerd in de (eerder door [R.A.] opgestelde) notitie, waarna de notitie

bij wijze van vastlegging van de gemaakte afspraken door [appellanten] en [Z] ter

plekke is ondertekend (hierna: de intentieovereenkomst). De voorwaarden van de geldverstrekking zouden nader worden uitgewerkt in een later te ondertekenen overeenkomst. Volgens de notitie zou de geldleenovereenkomst worden opgesteld door een notaris, maar ter plekke is aan [getuige] verzocht om een concept op te stellen. [appellant 1] verzocht [geïntimeerde 1] om namens [appellanten] deel te nemen aan de Raad van Advies. [Z] verzocht [getuige] om namens hem deel te nemen.

3.1.19

Tijdens de bespreking van 6 mei 2010 gaf [getuige] aan dat de wijze van voorgenomen financiering (deels participatie, deels lening) mogelijk nadelige fiscale gevolgen kon hebben voor [appellanten] [getuige] kreeg van [appellant 1] de opdracht om dit verder uit te zoeken. Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat [appellanten] af heeft gezien van participatie in Agri Invest en dat in plaats daarvan het gehele ter beschikking gestelde bedrag als lening is gekwalificeerd.

3.1.20

Op 7 mei 2010 hebben [appellanten] € 400.000,- overgemaakt naar Agri Invest en op 25 mei 2010 € 700.000,-. De onderliggende overeenkomst van geldlening (hierna: lening 3), voor een bedrag van in totaal € 1.250.000,-, is op 28 mei 2010 ondertekend door [appellanten] en door [Z] namens Agri Invest, namens [Z] Beheer B.V. en namens hem in privé, alsmede door de echtgenote van [Z], [echtgenote van Z], in privé. In deze overeenkomst worden [appellanten] als schuldeiser en Agri Invest als schuldenaar aangemerkt. De overeenkomst bevat, voor zover thans van belang, de volgende bepalingen:


"De ondergetekenden:

1.1.

de heer [appellant 1] en zijn echtgenote, mevrouw [appellant 2], hierna tezamen te noemen : "Schuldeiser"

1.2.

de besloten vennootschap Agri-Invest Holding B.V., hierna te noemen: "Schuldenaar", (…), vertegenwoordigd door haar enig bestuurder (en teven enig aandeelhouder) de besloten vennootschap [Z] Beheer B.V., (…), vertegenwoordigd door haar enig bestuurder [Z]
Agri-Invest Holding B.V. handelende voor zich als ook in haar hoedanigheid van bestuurder van haar huidige en toekomstige werkmaatschappijen zijnde thans Plantscape Hydroservice B.V., [bedrijf] Bloemen B.V. en [bedrijf]

1.3.

de besloten vennootschap [Z] Beheer B.V. voornoemd vertegenwoordigd door de heer [Z] gelet op artikel 13 (toestemmingsvereiste) en artikel 16 (achterstelling)

1.4.

de heer [Z] in privé gelet op artikel 13

(…)

Artikel 12: zekerheden
Schuldenaar verbindt zich om voor zover zulks in zijn vermogen ligt aan Schuldeiser op zijn eerste verzoek te allen tijde nadere genoegzame zakelijke zekerheid te verschaffen voor de nakoming van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.
Ter uitvoering van het vorenstaande verbindt Schuldenaar zich om op eerste verzoek van Schuldeiser ten titel van zekerheid te verlenen naar keuze van Schuldeiser hetzij een tweede hypotheek op het bedrijfspand van Schuldenaar hetzij in de vorm van een positieve/negatieve hypotheekclausule met betrekking tot het bedrijfspand.
Artikel 13: toestemmingsvereiste en adviesrecht Schuldeiser
Schuldenaar, haar bestuurder [Z] Beheer B.V. in privé hebben voor de duur van de onderhavige geldleningsovereenkomst ten aanzien van de navolgende (bestuurs)besluiten en (bestuurs)handelingen de (al dan niet voorafgaande) schriftelijke goedkeuring of toestemming nodig van Schuldeiser op straffe van de onmiddellijke opeisbaarheid van de verstrekte geldlening:
(…)
Waar in het voorgaande wordt gesproken van Schuldenaar worden daarmee tevens bedoeld de (huidige en toekomstige) werkmaatschappijen van Schuldenaar (thans zijnde Plantscape Hydroservice B.V., [bedrijf] Bloemen B.V. en [bedrijf])

(…)

Artikel 14: adviescommissie Schuldeiser
Schuldeiser zal zich in het kader van de uitvoering van de in artikel 10 [lees: 13; toevoeging hof] omschreven bevoegdheid tot goedkeuring voor het nemen van bepaalde (bestuurs)besluiten of voor het verrichten van bepaalde (bestuurs)handelingen door Schuldenaar of inzake zijn adviesrecht bindend laten adviseren door ten minste twee deskundigen.
Schuldeiser mag niet van het advies van de deskundigen afwijken.
Schuldeiser en Schuldenaar zullen elk een deskundige benoemen en eventueel zal een derde deskundige door de twee benoemde deskundigen gezamenlijk worden benoemd.
De kosten van die deskundigen bedragen (€ 2.500.- excl. BTW) per deskundige per kwartaal en komen voor rekening van Schuldenaar.
Schuldeiser zal de door Schuldenaar verzochte toestemming niet op onredelijke gronden mogen weigeren.
Indien Schuldeiser van mening is, dat de verzochte toestemming moet worden geweigerd, dan zal Schuldeiser dat besluit deugdelijk met redenen omkleed en schriftelijk moeten motiveren.

(…)"

3.1.21

De zogenaamde "Raad van Advies" als bedoeld in artikel 14 werd gevormd door [geïntimeerde 1] en [getuige]. [Z] heeft rond die tijd zijn medeaandeelhouder uitgekocht, waarmee hij (indirect) enig aandeelhouder werd van Agri Invest.

3.1.22

In de zomer van 2010 hebben [appellanten] nogmaals € 100.000,- aan [bedrijf]

geleend (hierna: lening 4) en op 26 november 2010 opnieuw € 100.000,- (hierna:

lening 5). Van deze beide leningen is geen schriftelijke leningsovereenkomst opgesteld. In

december 2010 en januari 2011 hebben [appellanten], bij wege van aflossing en rentebetaling,

zo’n € 85.000,- ontvangen.

3.1.23

Lening 3 is op aanraden van [getuige] achtergesteld ten aanzien van de positie van Rabobank jegens Agri Invest, die eveneens gelden aan Agri Invest ter leen heeft verstrekt. De betreffende akte van achterstelling is door [appellanten] op 10 november 2010 ondertekend.

3.1.24

Op 1 april 2011 hebben [appellanten], op verzoek van [Z], aan [Z]

een e-mail gezonden waarin [appellanten] bevestigen dat zij telefonisch een uitstel van betaling van rente en aflossing betreffende alle verschuldigde bedragen overeen zijn gekomen tot 1 januari 2012.

3.1.25

De liquiditeitsproblemen van Agri Invest/[bedrijf] hielden aan. Op 12 april 2011

heeft [getuige] [appellanten] bezocht om [appellanten] te informeren over de uiterst precaire

financiële situatie van de onderneming en om [appellanten] mede te delen dat [Z]

wederom contact had gezocht met [koper], die eerder interesse had getoond in de aankoop

van het bedrijf. Als er niet verkocht zou worden, dan zou de onderneming naar verwachting

failliet gaan. Tevens verzocht [getuige] om additionele financiering van € 100.000,-

om de periode tot aan een mogelijke verkoop van het bedrijf te overbruggen. [getuige] heeft

het gesprek later die dag per e-mail aan [appellanten] bevestigd.

3.1.26

Een dag later, op 13 april 2011, hebben [appellanten] aan [getuige] per e-mail

geantwoord:

"Beste [getuige],

Wij zijn toch maar besloten om het niet te doen. Ons risico wordt ons zo langzamerhand

veel te groot.

Heeft [Z] geen vrienden of bekenden die per persoon een "klein bedrag" - zoiets als Euro 15.000, = tijdelijk willen lenen?
Of misschien mensen waarmee hij in onderhandeling gaat voor Euro 250.000, = hem iets meer lenen?
Of misschien de meneer uit Canada?

Wij doen in ieder geval niets meer. Wij vinden dat we al meer dan genoeg hebben gedaan.

We willen graag dat je e. e. a. aan [Z] mededeelt, dan kan hij (misschien samen met jou)

actie ondernemen.

Met hartelijke groet,

[appellanten]"

3.1.27

De gesprekken met [koper] hebben geleid tot een overdracht van de activa van [bedrijf] aan [koper] per 1 augustus 2011.

3.1.28

Op 25 juli 2011 hebben [appellanten] diverse conservatoire derdenbeslagen doen leggen ten laste van [geïntimeerden] Deze beslagen hebben onder meer de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij ABN AMRO Bank N.V. gehouden effectendepots getroffen.

3.1.29

Bij vonnis in kort geding d.d. 27 september 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem het op 19 augustus 2011 door [appellanten] ten laste van [bedrijf] onder [koper] gelegde conservatoir derdenbeslag opgeheven, onder de voorwaarde dat door [bedrijf] binnen 14 dagen een bedrag van € 70.000,- aan [appellanten] is betaald. De voorzieningenrechter heeft daartoe, voor zover thans van belang, overwogen dat [bedrijf] voorshands aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen schuldenaar is ter zake van lening 3 (rechtsoverweging 4.7). Voorts heeft de voorzieningenrechter ten aanzien van lening 3 overwogen dat [bedrijf] - door te wijzen op de akte van achterstelling - aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar aan [appellanten] gedane betalingen niet aan lening 3 kunnen worden toegerekend (rechtsoverweging 4.9). Het (toenmalige) gerechtshof Arnhem heeft dit vonnis bij arrest in kort geding d.d. 25 oktober 2011 bekrachtigd.

3.1.30

Bij authentieke akte van 28 december 2011 heeft Agri Invest erkend een bedrag

van € 100.000,- aan [appellanten] verschuldigd te zijn. Dit houdt verband met het feit

dat lening 3 is aangegaan voor een bedrag van € 1.250.000,- terwijl [appellanten] € 100.000,- méér hebben overgemaakt.

3.1.31

Behoudens het bedrag van lening 3 (€ 1.250.000,-) en de € 100.000,- als

vermeld in de akte van 28 december 2011 zijn de door [appellanten] aan Agri Invest en/of

[bedrijf] verstrekte leningen terugbetaald.

3.1.32

Agri Invest en [bedrijf] zijn op 16 april 2012 in staat van faillissement verklaard.

De curator heeft [appellanten] op 18 juli 2012 meegedeeld dat zij ervan uit dienen te gaan dat

crediteuren geen uitkering tegemoet kunnen zien. Bij brief van 5 juni 2014 heeft de curator aan [appellanten] meegedeeld dat zij een uitkering van in totaal € 137.908,10 + rente p.m. zullen ontvangen. [appellanten] hebben vervolgens hun eis met dit bedrag verminderd.

3.1.33

Op 15 augustus 2012 hebben [appellanten] een klacht ingediend tegen [geïntimeerde 1] bij de

Accountantskamer te Zwolle. Bij onherroepelijke beslissing van 5 november 2012 heeft de Accountantskamer de klacht gegrond geoordeeld voor wat betreft het aan [geïntimeerde 1] gemaakte verwijt dat hij [appellanten] niet heeft geadviseerd om specifiek met het oog op de terugbetaling van lening 3 direct ingaande zekerheden te bedingen, de klacht voor het overige ongegrond verklaard en [geïntimeerde 1] de maatregel van een waarschuwing opgelegd.

3.1.34

Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft op verzoek van [geïntimeerde 1] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden.

4 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg

4.1

[appellanten] hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [geïntimeerden], althans [geïntimeerde 1], tekortgeschoten zijn/is in hun/zijn taken als adviseur/accountant van [appellanten] en onrechtmatig gehandeld hebben/heeft ten opzichte van [appellanten];

II. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt om aan [appellanten] te betalen de som van

€ 1.465.304,11 vermeerderd met de contractuele, althans de wettelijke rente vanaf 14 januari 2011 tot 5 augustus 2011 en met de contractuele, althans wettelijke rente vanaf 5 augustus 2011 tot aan de dag van uiteindelijke betaling;
III. [geïntimeerden] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de kosten voor beslaglegging.

4.2

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg voorwaardelijk, voor het geval de vordering van [appellanten] in conventie wordt afgewezen, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [appellanten] veroordeelt tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] van de door [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] ten gevolge van de onrechtmatig gelegde beslagen geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te

vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

II. [appellanten] veroordeelt en beveelt om op hun eigen kosten de door hen ten taste

van [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] gelegde conservatoire beslagen binnen 24 uur na

betekening van het vonnis volledig en onvoorwaardelijk te doen (laten) opheffen, een en

ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat [appellanten] in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen, waarbij een gedeelte van een dag

als een volle dag wordt gerekend;

III. [appellanten] veroordeelt in de kosten van het geding.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen.

5. Vermindering van eis in het principaal appel en vermeerdering van eis in het incidenteel appel

5.1

In hoger beroep hebben [appellanten] hun eis verminderd met een bedrag van € 137.908,10, zijnde het bedrag van de uitkering die zij uit het faillissement van Agri Invest kunnen verwachten (zie onder 3.2.35). Zij vorderen thans een bedrag van € 1.327.496,01, vermeerderd met de contractuele rente over een bedrag van € 1.465.304,11 vanaf
14 januari 2011 tot 15 juni 2014 en met de contractuele, althans wettelijke rente over een bedrag van € 1.327.496,01 vanaf 15 juni 2014 tot aan de dag van de uiteindelijke betaling. Het hof zal recht doen op de aldus gewijzigde eis.

5.2

In het incidenteel appel hebben [geïntimeerden] hun eis vermeerderd met een bedrag van € 2.400,-, zijnde de taxe van getuige [getuige] in het gehouden voorlopig getuigenverhoor. Nu [appellanten] geen bezwaar hebben gemaakt tegen deze eisvermeerdering en het hof ook ambsthalve geen strijd met de beginselen van een goede procesorde aanwezig acht, zal het hof recht doen op de aldus gewijzigde eis.

6 De beoordeling van de grieven

6.1

De principale grieven I tot en met V hebben betrekking op de feitenvaststelling door de rechtbank. Nu het hof de feiten zelf heeft vastgesteld en daarbij rekening heeft gehouden met wat in de onderhavige grieven is aangevoerd door feiten waarover partijen van mening verschillen niet als vaststaande feiten te vermelden, hebben [appellanten] geen belang meer bij afzonderlijke bespreking van deze grieven, die op zichzelf ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden

Kern van het geschil

6.2

Kern van het geschil tussen partijen vormt de vraag of c.q. in hoeverre [geïntimeerde 1] als betaalde vaste adviseur in financiële aangelegenheden van [appellanten] jegens hen is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht in het kader van de advisering rond lening 3. Deze lening is aangegaan ten behoeve van [bedrijf], de in liquiditeitsproblemen verkerende onderneming van [Z], met - in elk geval - Agri Invest als schuldenaar. Voorafgaand aan het verstrekken van deze lening hebben meerdere besprekingen plaatsgevonden, zoals weergegeven onder de vaststaande feiten. Samengevat heeft het volgende plaatsgevonden.
Alvorens over te gaan tot het verstrekken van gelden ad in totaal 1,1 miljoen euro hebben [appellanten] hierover met [geïntimeerde 1] gesproken, die hen aanraadde om eerst een onafhankelijk onderzoek naar de onderneming van [Z] te laten verrichten. [geïntimeerde 1] heeft hiervoor [R.A.] (registeraccountant bij [accountantskantoor]) benaderd, die vervolgens in opdracht van [appellanten] heeft onderzocht of het bedrijfseconomisch verantwoord was om zo'n groot bedrag in de (noodlijdende) onderneming van [Z] te steken. [R.A.] heeft daartoe de door [Z] aangeleverde stukken bestudeerd en tevens diverse besprekingen gevoerd met [Z] en diens fiscaal adviseur [getuige]. [R.A.] heeft geen(due diligence) onderzoek naar de financiële, fiscale en juridische positie van de onderneming uitgevoerd, maar alleen een onderzoek naar de winstpotentie van de onderneming na een financiële injectie door [appellanten] Tijdens een bespreking op 6 mei 2010 tussen [appellanten], [geïntimeerde 1], [R.A.], [Z] en [getuige] hebben [appellanten] zich jegens [Z] bereid verklaard tot het doen van een investering ad in totaal € 1.250.000,-. Daartoe is op die datum een intentieovereenkomst ondertekend. Afgesproken is dat de voorwaarden voor de geldverstrekking zouden worden uitgewerkt in een later te ondertekenen overeenkomst. [getuige] heeft tijdens deze bespreking van [appellanten] opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de eventuele nadelige fiscale gevolgen van de voorgenomen wijze van geldverstrekking (deels participatie, deels lening). Naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek hebben [appellanten] afgezien van participatie en in plaats daarvan het gehele ter beschikking gestelde bedrag als lening gekwalificeerd.
Op 10 november 2010 hebben [appellanten] een akte van achterstelling ten opzichte van de Rabobank ondertekend.
'Verwijten'

6.3

Concreet maken [appellanten] [geïntimeerde 1] de volgende 'verwijten':
1) [geïntimeerde 1] had [appellanten] moeten adviseren om voorafgaand aan lening 3 een gedegen boekenonderzoek te laten verrichten (grief IX in het principaal appel, tweede onderdeel).
2) [geïntimeerde 1] had [appellanten] ervoor moeten behoeden dat [appellanten] lening 3 ten behoeve van [bedrijf] zijn aangegaan met Agri Invest als enig schuldenaar, althans met het risico dat Agri Invest als enig schuldenaar zou worden aangemerkt, zonder dat [bedrijf] uitdrukkelijk als (hoofdelijk) schuldenaar is meeverbonden en/of andere financiële kruisgaranties door de dochtervennootschappen van het Agri-concern zijn verstrekt (memorie van grieven sub 10, 12 en 14). Volgens [appellanten] hebben "listige constructies" van hun adviseurs, waaronder [geïntimeerde 1], het mogelijk gemaakt dat [appellanten] niet door [Z] zijn betaald uit de opbrengst van de verkoop van activa van Agri-dochter [bedrijf], ondanks dat [Z] als directeur van [bedrijf] en Agri Invest bij hoog en bij laag had verzekerd dat [appellanten] na verkoop van deze activa het leeuwendeel van hun vordering betaald zouden krijgen (memorie van grieven onder 5 en 14).
3) [geïntimeerde 1] had het [appellanten] moeten afraden om tot ondertekening van de akte van achterstelling over te gaan (zie memorie van grieven onder 25 en grief XIV in het principaal appel).

Schending klachtplicht?

6.4

Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde 1] houdt in dat [appellanten] ten aanzien van het hiervoor in r.o. 6.3 als tweede genoemde verwijt de in artikel 6:89 BW bedoelde 'klachtplicht' hebben geschonden. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Hiertegen komt grief I in het incidenteel appel op.

6.5

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in een prestatie geen beroep meer kan doen indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had behoren te ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd. [appellanten] stellen - onweersproken - dat zij het gebrek in de prestatie van [geïntimeerde 1] hebben ontdekt op het moment dat [Z] ([bedrijf]) zich jegens [appellanten] op het standpunt stelde dat [bedrijf] geen (mede)schuldenaar was van lening 3. Zij stellen voorts dat hun raadsman enkele weken later, op 15 juli 2011, een protestbrief aan [geïntimeerde 1] heeft gezonden. Ten slotte stellen zij dat [geïntimeerde 1] geen nadeel heeft ondervonden door het tijdsverloop sinds de ontdekking van het gebrek.

6.6

Het hof overweegt dat [geïntimeerde 1] niet betwist dat [appellanten] enkele weken na de ontdekking van het feit dat [bedrijf] geen (mede)schuldenaar is hebben geklaagd en dat dit in beginsel tijdig is. [geïntimeerde 1] stelt zich evenwel op het standpunt dat [appellanten] dit gebrek redelijkerwijs eerder hadden behoren te ontdekken, namelijk op het moment van de ondertekening van de geldleningsovereenkomst. Het hof kan daar niet in meegaan. Hierna, bij de inhoudelijke bespreking van het onderhavige verwijt, zal blijken dat het hof van oordeel is dat [geïntimeerde 1] in deze functioneerde als accountant van [appellanten] en dat [appellanten] op diens deskundigheid mochten vertrouwen. [appellanten] mochten ervan uitgaan dat [geïntimeerde 1] hun belangen had bewaakt en het lag daarom niet op hun weg zelf de geldleningsovereenkomst te controleren op de vraag of deze hen voldoende zekerheden bood.

6.7

Bovendien heeft [geïntimeerde 1] in het licht van het verweer van [appellanten] onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld ter onderbouwing van het beweerdelijk door hem ondervonden nadeel als gevolg van het tijdsverloop sinds het moment waarop het gebrek in zijn visie had moeten worden ontdekt. Zijn stelling dat hij in geval van eerder protesteren de schade van [appellanten] had kunnen voorkomen dan wel beperken door hen te wijzen op de mogelijkheid van het alsnog verzoeken om zekerheden (artikel 12 van de overeenkomst) is daartoe ontoereikend. Dit artikel brengt immers niet mee dat [bedrijf] na het sluiten van de overeenkomst alsnog verplicht kan worden zich als medeschuldenaar te verbinden. Het artikel voorziet wel in de mogelijkheid van Agri Invest een hypotheekstelling te verlangen, doch [geïntimeerde 1] gaat er zelf van uit dat, nu de bank reeds recht van hypotheek had, er geen mogelijkheden waren tot het vestigen van zakelijke zekerheden ten behoeve van [appellanten], waaruit het hof afleidt dat er geen overwaarde was van het pand.

Grief I in het incidenteel appel faalt derhalve.
Toetsingskader met betrekking tot het handelen/nalaten van [geïntimeerde 1]

6.8

De principale grieven VI en VII hebben betrekking op de norm waaraan volgens [appellanten] het handelen (en nalaten) van [geïntimeerde 1] moet worden getoetst.
Grief VI: De algemene norm van "redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot" moet volgens [appellanten] worden ingevuld aan de hand van de (gedrags)regels die gelden voor de betreffende beroepsgroep, te weten de Verordening Gedragscode Registeraccountants (hierna: VGC), zoals die heeft gegolden tot 4 januari 2014. Deel A van de VGC geldt voor alle accountants en deel C specifiek voor "accountants in business". [appellanten] verwijzen hiertoe naar de beslissing van Accountantskamer van 5 november 2012 (productie 58 bij conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie alsmede akte overlegging producties in conventie/voorwaardelijke reconventie), die volgens [appellanten] heeft te gelden als deskundigenrapport en richtpunt.
Grief VII: De rechtbank heeft volgens [appellanten] ten onrechte geoordeeld dat [geïntimeerde 1] geen accountant in business was. [geïntimeerde 1] voldeed aan de definitie van artikel C100.1.sub c van de VGC; in deze zin ook de Accountantskamer. Hij heeft zich pas op 14 september 2012 (vlak voor de uitspraak van de Accountantskamer) laten uitschrijven uit het register voor accountants in business, aldus [appellanten] (zie productie 63 bij de memorie van grieven).

6.9

[geïntimeerde 1] betwist dat hij is opgetreden als accountant; hij betoogt dat hij geen praktiserend registeraccountant meer was.

6.10

Het hof stelt het volgende voorop.
De opdrachtnemer dient bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (artikel 7:401 BW). Het criterium daarvoor is de vraag of de opdrachtnemer heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot onder soortgelijke omstandigheden te werk zou zijn gegaan. Daarbij spelen de (gedrags)regels die gelden voor de betreffende beroepsgroep, alsmede het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van een beroepsbeoefenaar een rol. Een van het oordeel van de tuchtrechter afwijkend oordeel van de civiele rechter dient zodanig te worden gemotiveerd dat dit ook in het licht van de veroordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is (HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AE1532).

6.11

De Accountantskamer heeft in zijn beslissing van 5 november 2012 de advisering door [geïntimeerde 1] met betrekking tot de grote geldleningsovereenkomst van € 1.250.000,- (lening 3) getoetst aan de sinds 1 januari 2007 vigerende VGC, en daarvan in het bijzonder het (voor alle registeraccountants geldende) deel A (zie de beslissing van de Accountantskamer onder 4.4).

6.12

De Accountantskamer heeft onder 4.5.2 geoordeeld dat [geïntimeerde 1] jegens [appellanten] dient te worden aangemerkt als accountant (in business). Het slot van deze rechtsoverweging luidt:
"Het vorenstaande brengt mee dat naast voornoemd deel A eveneens het voor (accountants in business geldende deel) Deel C van de VGC van toepassing is op het handelen of nalaten van de betrokkene. Opmerking verdient nog dat het hierna verwoorde oordeel van de Accountantskamer over dit handelen of nalaten niet anders zou hebben geluid als alleen deel A daarop van toepassing zou zijn geweest."

6.13

Het hof is, mede gelet op de beslissing van de Accountantskamer, van oordeel dat [geïntimeerde 1] wat betreft zijn hierna te bespreken advisering inzake geldlening 3 [appellanten] heeft bijgestaan als accountant in business. In de door [geïntimeerde 1] overgelegde opinie van Prof. [professor] (hierna: [professor]) ziet het hof geen aanleiding om hierover anders te oordelen. [professor] schrijft (onder meer) het volgende (vet aangebracht door het hof):
"Tot de accountant in business wordt conform artikel C-300.1 van de VGC ten minste gerekend de registeraccountant die werkzaam is als:
(…)
- uitvoerder van uitsluitend overige opdrachten, die niet werkzaam is bij of verbonden is aan een accountantspraktijk.
(…)
De definitie van overige opdrachten is conform de VGC: de door een registeraccountant voor een cliënt bedrijfsmatig uitgevoerde professionele diensten, bestaande uit andere dan assurance-opdrachten of aan assurance verwante opdrachten, voor zover geen sprake is van opdrachten uitgevoerd als interim-manager bedoeld in artikel C-300.1, onderdeel b. De definitie van een professionele dienst is volgens de VGC: de door een registeraccountant verrichte diensten waarvoor accountantsdeskundigheid en aanverwante kennis is vereist, waaronder die op het terrein van financiële verslaggeving, controle, belastingen, administratieve organisatie en bedrijfseconomie. Bij de overige opdrachten gaat het derhalve om professionele diensten waarvoor accountantsdeskundigheid en aanverwante kennis is vereist.
Indien de registeraccountant duidelijk maakt dat hij niet optreedt als accountant en geen werkzaamheden verricht die vallen onder het bereik van artikel C-300.1, maar in plaats daarvan die werkzaamheden aan anderen overlaat, die wel over de vereiste kennis en kunde beschikken, treedt de registeraccountant mijns inziens niet op als accountant in business."
Naar het oordeel van het hof zijn de (hierna te bespreken) werkzaamheden die [geïntimeerde 1] voor [appellanten] in het kader van geldlening 3 heeft verricht te kwalificeren als diensten waarvoor accountantskennis en aanverwante kennis, in dit geval vooral op het terrein van de bedrijfseconomie, vereist is in de zin van de VGC. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 1] aan [appellanten] heeft duidelijk gemaakt dat hij niet optrad als accountant. Aangezien hij voorheen voor (de vennootschappen van) [appellanten] is opgetreden als registeraccountant en voor zijn werkzaamheden voo [appellanten] in privé nog steeds een vergoeding ontving, had hij die duidelijkheid wel moeten geven. Indien hierover al anders geoordeeld zou moeten worden, is het hof van oordeel dat dit voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet uitmaakt. [geïntimeerde 1] diende op grond van de hem verleende opdracht hoe dan ook jegens [appellanten] te voldoen aan normen van deskundigheid en zorgvuldigheid die gezien de aard van de opdracht niet wezenlijk verschillen van de normen die gelden voor alle accountants. Hierbij speelt een rol dat [geïntimeerde 1] voorheen de vaste registeraccountant/adviseur van het [appellant 1] concern was, dat hij nog steeds stond ingeschreven als registeraccountant en dat hij voor zijn werkzaamheden een jaarlijkse vergoeding van ongeveer € 27.950,- exclusief btw van [appellanten] ontving.

6.14

De grieven VI en VII slagen derhalve. Dit leidt echter op zich niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Bespreking van verwijt 1'

6.15 '

'Verwijt 1' houdt, zoals hiervoor overwogen, in dat [geïntimeerde 1] [appellanten] had moeten adviseren om voorafgaand aan lening 3 een gedegen boekenonderzoek te laten verrichten. Hierop heeft het tweede gedeelte van principale grief IX betrekking. [appellanten] betogen, dat het oppervlakkige rapportje van [accountantskantoor] doet vermoeden "dat het trio [Z], [getuige] en [geïntimeerde 1] de zaak er snel wilden doordrukken" (zie memorie van grieven onder 40). [geïntimeerde 1] had een gedegen boekenonderzoek (met due diligence) kunnen en moeten adviseren en erop moeten toezien dat dit ook gebeurde. Er was geen enkele reden om de geldlening (en de beslissing tot verstrekking daarvan over te gaan) niet op te knippen in tranches en in de tussentijd boekenonderzoek te laten doen teneinde tot een afgewogen oordeel omtrent het al dan niet aangaan van lening 3 te komen.

6.16

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
[geïntimeerde 1] heeft aan de op hem (als accountant) rustende zorgplicht jegens [appellanten] voldaan door hun te adviseren om [R.A.] ([accountantskantoor]) in te schakelen ten einde onderzoek te laten doen naar de vraag of het bedrijfseconomisch verantwoord was om de geldlening aan [bedrijf] te verstrekken. Het feit dat [R.A.] deze vraag bevestigend beantwoord heeft, dient in de verhouding tot [geïntimeerde 1] voor rekening van [appellanten] te blijven. [R.A.] fungeerde immers niet als hulppersoon van [geïntimeerde 1] (artikel 6:76 BW). Gesteld noch gebleken is dat de keus voor [R.A.] als adviseur onjuist was. Gelet op de positieve uitkomst van het rapport van [R.A.], wat daar verder van zij, behoefde [geïntimeerde 1] - in het kader van zijn zorgplicht - geen nader (boeken)onderzoek aan [appellant 1] c.s te adviseren. [appellanten] waren zich er voldoende van bewust dat aan het verstrekken van de geldlening financiële risico's waren verbonden, temeer nu [geïntimeerde 1] aan hen heeft meegedeeld dat hij het te riskant vond om zelf nog meer geld te investeren in [bedrijf]. Het hof sluit zich dan ook aan bij het oordeel van de rechtbank. zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.15 van het bestreden vonnis.

6.17

Grief IX faalt in zoverre.
Bespreking van 'verwijt 2'

6.18 '

'Verwijt 2' houdt, zoals hiervoor weergegeven, in dat [geïntimeerde 1] [appellanten] ervoor had moeten behoeden dat [appellanten] lening 3 ten behoeve van [bedrijf] zijn aangegaan met Agri Invest als schuldenaar, zonder dat [bedrijf] als (hoofdelijk) schuldenaar is meeverbonden en/of andere financiële kruisgaranties door de dochtervennootschappen van het Agri-concern zijn verstrekt en/of een borgstelling door [Z] is verstrekt.

6.19

Volgens de Accountantskamer kan [geïntimeerde 1] worden verweten dat hij [appellanten] niet heeft geadviseerd om specifiek met het oog op de terugbetaling van de geldlening van € 1.250.000,- (lening 3) direct ingaande (zakelijke en/of persoonlijke) zekerheden te bedingen. Dit onderdeel van de beslissing luidt als volgt:
"4.6.3 De Accountantskamer is daarnaast van oordeel dat betrokkene wel kan worden verweten dat hij klagers niet heeft geadviseerd om specifiek met het oog op de terugbetaling van de geldlening van € 1.250.000,- al direct (zakelijke en/of persoonlijke) zekerheden te bedingen. Vast staat dat betrokkene deze geldleningsovereenkomst voorafgaand aan de ondertekening door [Z] en klagers heeft bekeken. Anders dan betrokkene meent, maakt de in artikel 12 van deze overeenkomst opgenomen verplichting van de schuldenaar om op eerste verzoek van klagers hen te allen tijde conveniërende zekerheden te stellen het mogelijk dat andere crediteuren zekerheden bedingen voordat klagers dit beding kunnen inroepen. Betrokkene vond naar eigen zeggen de risico's voor hemzelf te groot om [Z] danwel [bedrijf] zelf nog een nadere lening te verstrekken, zodat van hem te meer verwacht had mogen worden dat hij klagers zou wijzen op de noodzaak (direct ingaande) zekerheden te verlangen. Daarenboven was de overeenkomst opgesteld door [getuige], de adviseur van [Z], en was het tevens daarom aangewezen te beoordelen of de overeenkomst ook recht deed aan de belangen van klagers in deze. Dit nalaten van betrokkenen moet worden aangemerkt als een schending van het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4 onder c. en nader omschreven in hoofdstuk A-130 en C-330 van de VGC."

6.20

De rechtbank heeft onder 4.18 t/m 4.20 een van de beslissing van de Accountantskamer afwijkend oordeel gegeven. Daarbij heeft de rechtbank - gelet op het feit dat [accountantskantoor] opdracht had gekregen om advies uit te brengen over de (financiële) positie van de onderneming van [Z] en op het feit dat [getuige] van [appellanten] opdracht had gekregen om de nadelige fiscale gevolgen van de geldverstrekking op te lossen en vervolgens de leningsovereenkomst op te stellen - het volgende tot uitgangspunt genomen (zie onder 4.19):
"De rol van [geïntimeerde 1] was naar het oordeel van de rechtbank aldus beperkt tot een positie op de achtergrond. Als zodanig maakte het geen onderdeel uit van zijn opdracht om de leningsovereenkomst integraal te beoordelen, maar diende hij deze slechts te beoordelen op evidente onjuistheden of misslagen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [geïntimeerde 1] - voormalig register- accountant - geen jurist is en evenmin fiscalist, zoals ook aan [appellanten] bekend."
De rechtbank concludeert onder 4.20:
"In het licht van het oordeel van de Accountantskamer van 5 november 2012 en het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002 (NJ 2003, 151, LJN: AE1532) overweegt de rechtbank voorts als volgt. Gelet op het feit dat door [appellant 1] ter gelegenheid van de de pleidooien is bevestigd dat hij bekend was met de financiële nood bij [bedrijf] en met het feit dat geen zekerheden konden worden gesteld omdat die er niet waren, terwijl de rechtbank ook overigens niet is gebleken van het bestaan van enige relevante zekerheden, alsmede gelet op de omstandigheden zoals overwogen in r.o.4.9, is de rechtbank, anders dan de Accountantskamer, van oordeel dat [geïntimeerde 1] geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat geen zekerheden voor [appellanten] zijn bedongen bij het aangaan van lening 3."

6.21

Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen zijn de principale grieven VIII tot en met X gericht.
Grief VIII: De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat bij de beoordeling van het handelen van [geïntimeerde 1] als adviseur ter gelegenheid van de totstandkoming van lening 3 een beperkte toetsing geldt, nu op zijn advies een externe deskundige ([R.A.] van [accountantskantoor]) is ingeschakeld om onderzoek te doen naar de onderneming van [Z] en om [appellanten] ter zake te adviseren (zie het bestreden vonnis onder 4.8, slot en 4.19, eerste zin). Dit oordeel is volgens [appellanten] alleen juist ten aanzien van de advisering met betrekking tot de vraag of het verantwoord was om zo'n groot bedrag te investeren in [bedrijf], gegeven de precaire financiële omstandigheden waarin de onderneming in mei 2010 verkeerde (zie het bestreden vonnis onder 4.11 t/m 4.17). Deze beperkte toetsing geldt echter niet voor de advisering omtrent de vraag wie bij de geldlening als schuldenaar diende te worden aangemerkt en of er tevens financiële kruisgaranties verstrekt dienden te worden, aldus [appellanten] (zie het bestreden vonnis onder 4.19 t/m 4.20).
Grief IX houdt in dat de rechtbank onder 4.15 ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde 1] zijn zorgplicht als adviseur in afdoende mate heeft vervuld door [appellanten] te adviseren om, alvorens te beslissen om al dan niet lening 3 aan te gaan, een onafhankelijk oordeel van [accountantskantoor] in te winnen.
Grief X: De rechtbank heeft de afwijking van het oordeel van de Accountantskamer met een aantal feitelijke onjuistheden en onvoldoende gemotiveerd (zie memorie van grieven onder 55). De grieven XI t/m XIII vormen hiervan een uitwerking.
Grief XI: De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat bij de beoordeling van de rol van [geïntimeerde 1] meeweegt, dat een eventuele verkoop van de onderneming van [Z] door het aangaan van lening 3 niet meer in de lijn der verwachtingen lag (zie het bestreden vonnis onder 4.19). Volgens [appellanten] is dit feitelijk onjuist, terwijl het bovendien niet ter zake doet.
Grief XII: Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat er bij de dochtervennootschappen van Agri Invest geen vrije activa beschikbaar waren (zie het bestreden vonnis onder 4.19).
Grief XIII: Ten onrechte heeft de rechtbank - anders dan de Accountantskamer - geoordeeld dat [geïntimeerde 1] geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat geen zekerheden voor [appellant 1] zijn bedongen bij het aangaan van lening 3 (zie het bestreden vonnis onder 4.20).
Het hof zal deze grieven tezamen behandelen.

6.22

[geïntimeerde 1] voert als verweer dat hij van [appellanten] geen opdracht heeft gekregen om de leningsovereenkomst te beoordelen. [appellanten] hebben hem alleen verzocht naar de - door [getuige] (adviseur van [Z]) aangedragen - oplossing van het fiscale probleem te kijken. Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] nog wat kleine opmerkingen bij de overeenkomst geplaatst.

6.23

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
[geïntimeerde 1] is als vaste en betaalde financieel adviseur van [appellanten] van meet af aan betrokken geweest bij het verstrekken van geldleningen door [appellanten] aan de onderneming van zijn achterneef [Z]. Voorafgaand aan lening 3 heeft hij - desgevraagd - aan [appellanten] geadviseerd om door [accountantskantoor] ([R.A.]) te laten onderzoeken of verdere financiële ondersteuning van de onderneming bedrijfseconomisch verantwoord was. [geïntimeerde 1] is aanwezig geweest bij de bespreking die naar aanleiding van het (concept)rapport van [R.A.] heeft plaatsgevonden tussen [appellant 1] enerzijds en [Z] en diens fiscaal adviseur ([getuige]) anderzijds. Tijdens deze bespreking hebben [appellant 1] en [geïntimeerde 1] aan [R.A.] verzocht om een notitie op te stellen over de te maken afspraken bij een participatie van [appellanten] in de onderneming van [Z]. [R.A.] heeft de desbetreffende notitie aan zowel [appellant 1] als [geïntimeerde 1] gestuurd. Naar aanleiding van deze notitie heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [appellanten] en [R.A.] enerzijds en [Z] en [getuige] anderzijds, waarbij [geïntimeerde 1] wederom aanwezig was. Tijdens deze bespreking heeft [appellant 1] aan [getuige] verzocht om de mogelijk nadelige fiscale gevolgen van de voorgenomen wijze van financiering (deels lening, deels participatie) uit te zoeken. Naar aanleiding daarvan heeft [getuige] een concept-overeenkomst voor lening 3 opgesteld. Vaststaat dat [geïntimeerde 1] deze concept-overeenkomst heeft bekeken alvorens deze is ondertekend door [appellanten] en [Z]. Ook staat vast dat hij voorstellen tot wijziging heeft gedaan.
Het hof is van oordeel dat [appellanten] in de hiervoor geschetste omstandigheden redelijkerwijs hebben mogen begrijpen dat de taak van [geïntimeerde 1] niet beperkt was tot het beoordelen van de fiscale aspecten van de overeenkomst, maar dat het tevens tot zijn taak behoorde om te beoordelen of de overeenkomst ook in andere opzichten voldoende recht deed aan de belangen van [appellanten] Indien en voor zover zover [geïntimeerde 1], zoals hij stelt, over onvoldoende specifieke kennis op het gebied van fianciering en het opstellen van contracten beschikte, had hij [appellanten] inschakeling van externe expertise moeten adviseren. Aangezien hij dat laatste heeft nagelaten, mochten [appellanten] ervan uitgaan dat [geïntimeerde 1] zelf over voldoende expertise beschikte. Nu [geïntimeerde 1] niet heeft geadviseerd een ander in te schakelen had op zijn minst van hem mogen worden verwacht dat hij in het belang van zijn cliënten zou beoordelen of de overeenkomst voldoende zekerheden aan [appellanten] bood, temeer nu het ging om een lening met een risicovol karakter, en dat hij, indien de overeenkomst geen of onvoldoende zekerheden bood, [appellanten] daarop zou wijzen. Naar het oordeel van het hof moet [geïntimeerde 1] geacht worden over de daarvoor benodigde expertise te beschikken.

6.24

[geïntimeerde 1] voert voorts als verweer dat er ten tijde van het aangaan van de lening wel degelijk is gesproken over zekerheden, maar dat die er - afgezien van het woonhuis van [Z] - niet waren, hetgeen [appellanten] wisten. Hij bestrijdt dat er geen kruisgaranties zijn overeengekomen; uit de partijopsomming van de leningsovereenkomst, in samenhang beschouwd met de gesloten intentieovereenkomst, blijkt klip en klaar dat de dochtermaatschappijen van Agri Invest, waaronder [bedrijf], medeschuldenaar zijn bij de leningsovereenkomst, aldus [geïntimeerde 1].

6.25

Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken dat er geen zakelijke zekerheden waren, zodat dit tussen partijen vaststaat.
Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of [geïntimeerde 1] zijn zorgplicht heeft geschonden door [appellanten] niet te wijzen op het ontbreken van voldoende zekerheden in de vorm van kruisgaranties en/of een persoonlijke borgstelling door [Z]. Daarbij dient eerst te worden beoordeeld of de door [appellanten] bedoelde kruisgaranties inderdaad ontbreken. Dit betreft een kwestie van uitleg van de overeenkomst tussen [appellanten] en [Z].

6.26

Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

6.27

Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van het contract erop wijzen dat alleen Agri Invest schuldenaar is. Alleen Agri Invest wordt immers expliciet aangeduid als schuldenaar. In het hele contract wordt gesproken over Schuldenaar en haar werkmaatschappijen. Een aanwijzing hiervoor kan tevens worden gevonden in het slot van artikel 13. Daar wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de term Schuldenaar in die bepaling tevens de werkmaatschappijen van Schuldenaar omvat. A contrario geredeneerd, zou dit betekenen dat dit in de rest van het contract niet het geval is. Ook in de intentieovereenkomst ziet het hof geen aanwijzingen voor het door [geïntimeerde 1] gestelde. De intentieovereenkomst betreft immers afspraken ten aanzien van participatie van [appellanten] in en het lenen van gelden aan (de onderneming van) Agri Invest. De enkele omstandigheid dat de intentieovereenkomst is ondertekend door [Z] namens Agri Invest en dochtermaatschappijen, is ontoereikend om hieruit af te leiden dat [bedrijf] (beoogd) medeschuldenaar is van lening 3.

6.28

Hiertegenover zijn door [geïntimeerde 1] geen feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat [appellanten] zich jegens [bedrijf] met succes kunnen beroepen op een zodanige uitleg van de leningsovereenkomst 3 dat ook [bedrijf] daarbij als hoofdelijk schuldenaar partij is. Het hof merkt nog op dat die uitleg ook niet is gevolgd in de tussen [bedrijf] en [appellanten] gevoerde kort gedingprocedure tot opheffing van het door [appellanten] onder [koper] gelegde conservatoir derdenbeslag met als gevolg dat het beslag op de (verkoopopbrengst van de) activa van [bedrijf] is opgeheven.

6.29

Naast het niet adviseren van een hoofdelijke verbondenheid van [bedrijf] als medeschuldenaar heeft [geïntimeerde 1] - ofschoon [R.A.] in zijn rapport uitdrukkelijk tot een dergelijke borgstelling had geadviseerd - [appellanten] niet geadviseerd om in de overeenkomst een borgstelling door [Z] op te laten nemen. Ook daarmee heeft hij zijn zorgplicht jegens [appellanten] geschonden. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken.

6.30

Voor zover de grieven VIII t/m XIII hierop aansluiten, treffen zij doel. Voor het overige behoeven zij geen afzonderlijke bespreking, behoudens het tweede gedeelte van grief IX dat hiervoor in het kader van 'verwijt 1' reeds aan de orde is geweest.
'Verwijt 3'

6.31 '

'Verwijt 3' houdt, zoals hiervoor weergegeven, in dat [geïntimeerde 1] [appellanten] had moeten afraden om tot ondertekening van de akte van achterstelling over te gaan Principale grief XIV houdt in dat de rechtbank dit verwijt ten onrechte heeft 'afgedaan' met de overweging dat niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat de gestelde schade in causaal verband staat tot het ondertekenen van de akte van achterstelling. [appellanten] betogen, dat als gevolg van de achterstelling de door [bedrijf] aan [appellanten] gedane betaling van 1 april 2009 is toegerekend aan 'geldlening 2', waarvoor [appellant 1] nu juist wel zekerheid - in de vorm van een persoonlijke borgstelling door [Z] - had.

6.32

[geïntimeerde 1] betwist dat hij [appellanten] heeft geadviseerd om tot ondertekening van de akte van achterstelling over te gaan. Volgens hem is dit op aanraden van [getuige] (adviseur van [Z]) gebeurd. Voorts betoogt hij dat de door [appellanten] gestelde schade in een te ver verwijderd verband staat met de achterstelling.

6.33

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Gelet op de betwisting door [geïntimeerde 1], staat niet vast dat hij betrokken is geweest bij het besluit tot ondertekening van de akte van achterstelling. Krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast op [appellanten] De getuigenverklaring van [appellant 1]-[appellant 2] is in verband met het bepaalde in atikel 164 lid 2 Rv ontoereikend om dit bewijs geleverd te achten. [appellanten] bieden op dit punt uitdrukkelijk (nader) bewijs aan (zie de memorie van grieven onder 24). Het hof is echter van oordeel dat dit bewijs achterwege kan blijven. Daartoe overweegt het hof het volgende.

6.34

Het verwijt betreft de toerekening van een op 1 april 2009 gedane betaling aan 'geldlening 2'. Volgens [appellanten] zou de betaling niet aan die geldlening, maar aan 'geldlening 3'zijn toegerekend, indien laatstgenoemde geldlening niet zou zijn achtergesteld. Dit verwijt mist feitelijke grondslag, nu de desbetreffende betaling heeft plaatsgevonden ruimschoots voor 'geldlening 3' tot stand is gekomen. Dat deze betaling niet is toegerekend aan 'geldlening 3' is dan ook niet het gevolg van de achterstelling van deze geldlening. Het hof laat dan nog daar dat de betaling is verricht door [bedrijf], die wel schuldenaar was ten aanzien van 'geldlening 2' (en overigens ook ten aanzien van 'geldlening 4'), maar - zoals het hof hiervoor heeft overwogen - niet van 'geldlening 3', zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat een betaling van [bedrijf] aan [appellanten] dient te worden toegerekend aan een geldlening ten aanzien waarvan [bedrijf] geen partij is, ook indien deze geldlening niet zou zijn achtergesteld.

6.35

Grief XIV faalt derhalve.
Schade, causaal verband en eigen schuld

6.36

[appellanten] stellen dat zij als gevolg van de hiervoor onder 6.29 bedoelde beroepsfout van [geïntimeerde 1] schade hebben geleden ter grootte van een bedrag van € 1.350.000,- in hoofdsom, zijnde het bedrag van lening 3 (€ 1.250.000,-) plus het door [appellanten] per abuis te veel betaalde bedrag ad € 100.000,-. Zoals hiervoor overwogen, hebben [appellanten] hun eis verminderd met de uitkering ten bedrage van € 137.908,10 die zij uit het faillissement van Agri Invest kunnen verwachten. Zij vorderen thans een bedrag van € 1.327.496,01 in hoofdsom. In de memorie van grieven sub 52 en 53 betogen [appellanten] gemotiveerd dat zij - ingeval [bedrijf] (mede)schuldenaar van lening 3 zou zijn geweest - een bedrag van ongeveer € 800.000, - van de verkoopopbrengst van de activa van [bedrijf] ad in totaal circa € 2.500.000,- zouden hebben ontvangen.

6.37

[geïntimeerde 1] betwist het causaal verband in de zin van condicio sine qua non-verband tussen zijn 'tekortkoming' en de beweerdelijk door [appellanten] geleden schade (memorie van antwoord tevens incidenteel appel onder 73 e.v.). Ook voert hij aan dat er een bedrag van € 470.000,- is 'blijven zitten' in Agri Invest, zodat dit bedrag in ieder geval op de gevorderde schade in mindering moet worden gebracht. Voorts doet [geïntimeerde 1] een beroep op eigen schuld van [appellanten] als bedoeld in artikel 6:101 BW en matiging van de schade (artikel 6:109 BW).

6.38

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Beoordeeld dient te worden in hoeverre [appellanten] een hoger bedrag dan het thans door de curator aan hen uit te keren bedrag ad € 137.908,10 in hoofdsom zouden hebben ontvangen ter aflossing op genoemd bedrag van € 1.350.000,- indien [geïntimeerde 1] hen wél zou hebben geadviseerd om direct ingaande zekerheden in de vorm van kruisgaranties en/of een borgstelling door [Z] te bedingen. Met name is het de vraag of c.q. in hoeverre [appellanten] zich op de verkoopopbrengst van de activa van [bedrijf] - waarop [appellanten] derdenbeslag onder [koper] hadden gelegd - zouden hebben kunnen verhalen.

6.39

Het hof zal een meervoudige comparitie van partijen gelasten teneinde de vraag naar de omvang van de schade met partijen te bespreken alsmede een schikking te beproeven. Bij gelegenheid van de comparitie zullen ook het beroep op eigen schuld en het beroep op matiging aan de orde komen.

6.40

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

alvorens nader te beslissen:

bepaalt dat partijen samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder 6.39 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden juli, augustus en september zullen opgeven op de roldatum 4 augustus 2015, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door het hof zal worden vastgesteld;

bepaalt dat indien een partij ter comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten en/of producties in het geding wil brengen, zij ervoor dient te zorgen dat aan het hof en de wederpartij schriftelijk wordt meegedeeld wat de inhoud is van de ter comparitie te verrichten proceshandeling (voorzien van stukken) en indien een partij ter comparitie nog producties in het geding wenst te brengen dat zij daarvan goed leesbare afschriften aan het hof en de wederpartij dient over te leggen, in beide gevallen uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan de zitting;

verstaat dat het hof de procesdossiers van partijen onder zich houdt en dat partijen indien zij te zijner tijd arrest mochten vragen op dat moment aanvullend kunnen fourneren.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. I. Tubben en mr. L. Janse en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
7 juli 2015.