Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5002

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
200.104.511
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2014:508
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2014:4838
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wie is werkgever? De in de schriftelijke arbeidsovereenkomst genoemde partij of de vennootschap waar de werknemer feitelijk haar werkzaamheden verrichtte?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0721
AR 2015/1411

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.104.511

(zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, 563416)

arrest van de derde kamer van 7 juli 2015

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[appellante] ,

gevestigd te [plaatsnaam],

appellante,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. R.A. van Huussen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 juni 2014 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 1 september 2014 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Op 29 januari 2015 heeft een tegengetuigenverhoor plaatsgevonden.

De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens heeft [appellante] de stukken weer overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald op het procesdossier van [appellante] . [geïntimeerde] heeft zich daarmee akkoord verklaard.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof volhardt bij het tussenarrest van 17 juni 2014. Bij dat arrest heeft het hof [appellante] toegelaten tot tegenbewijs van de inhoud van de in rechtsoverweging 3.5 van dat arrest bedoelde schriftelijke arbeidsovereenkomst.

2.2

In de enquête heeft [appellante] [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen voorgebracht. In de contra-enquête is [geïntimeerde] als getuige gehoord.

2.3

[getuige 1] heeft als getuige het volgende verklaard:

“Ik ben gehuwd met [getuige 2]. Hij was aandeelhouder van [appellante] . Ik heb gewerkt als assistent van mijn man en als boekhoudster bij [appellante] . Eind 2004 heeft [appellante] [de vennootschap] gekocht van [de verkoper], die met pensioen wilde gaan. [geïntimeerde] was al twintig jaar de assistente van [de verkoper]. [de verkoper] zei ons dat [geïntimeerde] goed op de hoogte was van de zaak en stelde voor dat zij hem zou opvolgen. Ze zou wel een andere positie moeten krijgen met een hoger salaris en betere secundaire arbeidsvoorwaarden. [de verkoper] heeft toen een nieuwe arbeidsovereenkomst voorbereid. Die heb ik gestuurd aan onze advocaat in Duitsland, [persoon 1]. Deze heeft daarop gereageerd bij brief van 4 mei 2005. U zegt mij dat u deze brief die mijn advocaat aan u en aan de advocate van [geïntimeerde] heeft gegeven, zult hechten aan het proces-verbaal. In die brief vraagt [persoon 1] zich af waarom er eigenlijk een andere arbeidsovereenkomst moet worden opgemaakt omdat de werkgever dezelfde blijft. Ik heb die vragen niet zonder meer kunnen beantwoorden en heb de brief doorgestuurd aan mijn man die toen in China was en aan [de verkoper]. Het contract is op enkele punten gewijzigd naar aanleiding van de brief van [persoon 1]. De advocaat van [appellante] vraagt mij of ik ooit met [geïntimeerde] heb besproken dat zij in dienst zou komen van [appellante] . Dat is niet het geval. Ik weet dat dat ook voor mijn man geldt. Wij hebben over het nieuwe contract van [geïntimeerde] alleen contact gehad met [de verkoper]. Met hem heb ik ook nooit besproken dat [geïntimeerde] in dienst van [appellante] zou komen. Zoals ik al verklaarde was ik boekhoudster van [appellante] . [geïntimeerde] is nooit opgenomen geweest in de administratie van [appellante] . Als zij werkneemster was geweest van [appellante] , was dat verplicht geweest. Voor mijn man en mij is er nooit aanleiding geweest om [geïntimeerde] aan te nemen als werkneemster van [appellante] . Het is ook niet overwogen. De advocaat van [appellante] vraagt mij of er ooit een feitelijke uitvoeringshandeling heeft plaatsgevonden waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] in dienst was van [appellante] . Dat is niet het geval geweest. Daarnaar gevraagd kan ik u antwoorden dat alle betalingen ten behoeve van [geïntimeerde] plaats hebben gevonden door [de vennootschap].”

2.4

[getuige 2], voormalig directeur en aandeelhouder van [appellante] , heeft als getuige als volgt verklaard:

“Ik ben gehuwd met [getuige 1]. Ik was aandeelhouder van [appellante] . [appellante] heeft eind 2004 [de vennootschap] gekocht van [de verkoper] die met pensioen wilde gaan. [geïntimeerde] was de assistente van [de verkoper]. [de verkoper] stelde voor dat [geïntimeerde] een betere positie zou krijgen met een hoger salaris en betere secundaire arbeidsvoorwaarden. [de verkoper] heeft toen een nieuwe arbeidsovereenkomst voorbereid. Dat ontwerp hebben we voorgelegd aan onze Duitse advocaat, [persoon 1]. Deze heeft daarop schriftelijk gereageerd. U toont mij een brief van 4 mei 2005 van [persoon 1]. Deze brief heeft mijn vrouw mij gestuurd toen ik in China was. [persoon 1] heeft in die reactie onder andere geschreven dat hij het vreemd vond dat er een nieuwe arbeidsovereenkomst werd opgesteld terwijl de werkgever dezelfde zou blijven. De reactie van [persoon 1] is doorgestuurd aan [de verkoper]. We hebben [de verkoper] gezegd dat de opmerkingen van [persoon 1] moesten worden verwerkt. Toen we het contract, dat inmiddels was getekend door [geïntimeerde], ontvingen, gingen we er vanuit dat het juist was. Ik heb zelf nooit contact gehad met [geïntimeerde] over het contract. Ik heb nooit de indruk gehad dat [geïntimeerde] in dienst wilde treden van [appellante] . Ze heeft altijd gewerkt voor [de vennootschap].”

2.5

[geïntimeerde] heeft als getuige het volgende verklaard:

“Ik ben nu in dienst van [de vennootschap]. dat na het faillissement van het eerdere [de vennootschap] een doorstart heeft gemaakt.

In december 2004 hoorde ik van [de verkoper] dat hij zijn aandelen in [de vennootschap] had verkocht aan [appellante] . Hij had de directeur van [appellante] , [getuige 2], voorgesteld dat ik bedrijfsleider zou worden. [appellante] was op dat moment al 13 jaar leverancier van [de vennootschap]. Beide ondernemingen hielden zich bezig met de verkoop van rubberproducten. [getuige 2] heeft met mij gesproken en heeft aangegeven dat hij het belangrijk vond dat ik hem vertegenwoordigde. De klanten van [de vennootschap] bevonden zich voor driekwart in het buitenland. Vooral Duitse en Franse klanten hadden in die tijd moeite met producten die in China waren geproduceerd.

Ik ben de enige van de werknemers van [de vennootschap] geweest die een contract kreeg met [appellante] . [getuige 2] vond dat ook belangrijk omdat hij wilde dat ik direct verantwoording aan hem aflegde, zo zei hij tegen mij. Mijn salaris werd betaald door Crop Registeraccountants namens [de vennootschap]. [getuige 2] wilde dat zo omdat hij onvoldoende kennis had van de verplichtingen in Nederland, de salarisadministratie en dergelijke. Het pensioen liep gewoon door, [de vennootschap] betaalde voor alle werknemers in Nederland. Op een gegeven moment ben ik echter door [appellante] aangesproken tot betaling van een bedrag dat was betaald ten behoeve van mijn pensioenvoorziening omdat mijn salaris was verhoogd. Ik bedoel hiermee te zeggen dat [appellante] mij heeft aangesproken en niet [de vennootschap]. Zoals u ook in het tussenarrest hebt opgenomen hebben [persoon 2] en [persoon 3], die beiden werkzaam bij Crop waren, het conceptcontract in juli 2005 bekeken. Hun opmerkingen zijn in het contract verwerkt. Daarna heeft [getuige 2] het nog een keer aan [persoon 1] voorgelegd. Dat weet ik omdat [de verkoper] in juli 2005 nog een gesprek heeft gehad met [getuige 2], waarin dat is besproken. Daarna, eind augustus 2005, is het contract aan mij ter tekening voorgelegd. Ik heb het contract op 30 augustus 2005 ontvangen. Het was mij door [getuige 2] bij brief van 26 augustus 2005 toegestuurd. Verder zie ik dat mijn advocaat u nog twee stukken overhandigt waarvan u zegt dat u ze aan het proces-verbaal zult hechten. De eerste brief is een brief van een Duitse advocate van 25 oktober 2007 waarin een aan mij gerichte ‘Abmahnung’ is opgenomen. Zo’n ‘Abmahnung’ is een Duitse arbeidsrechtelijke maatregel. U kunt dat ook lezen in de brief. Het is officiële waarschuwing. Verder heeft mijn advocaat u een mail van 5 oktober 2007 overgelegd die u aan het proces-verbaal zult hechten. In die mail schrijft [getuige 1] het volgende: “We take your comment as insult to [appellante] management. [appellante] management is your salary payer.”

2.6

Beoordeeld dient te worden of [appellante] bewijs heeft geleverd van feiten en/of omstandigheden waardoor de bewijskracht van de schriftelijke arbeidsovereenkomst wordt ontzenuwd. Daarbij gaat het om feiten en/of omstandigheden die aannemelijk maken, dat, anders dan is vermeld in de schriftelijke arbeidsovereenkomst, [de vennootschap] ook met ingang van 1 januari 2005 de werkgeefster van [geïntimeerde] is.

2.7

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben beiden verklaard dat ze over de nieuwe arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] alleen contact hebben gehad met [de verkoper], de voormalig aandeelhouder van [de vennootschap], die het contract heeft voorbereid. Het contract is vervolgens voorgelegd aan de Duitse advocaat van [appellante] , [persoon 1], die in zijn aan het proces-verbaal van het getuigenverhoor gehechte brief van 4 mei 2005 als reactie onder meer heeft geschreven dat hij zich afvroeg waarom een nieuw contract nodig was omdat [geïntimeerde] in dienst was van [de vennootschap] en er geen sprake was van een andere werkgever. Naar aanleiding van de brief van [persoon 1] is het contract op enkele punten aangepast. Met [geïntimeerde] zouden de getuigen geen contact hebben gehad over de nieuwe arbeidsovereenkomst.

2.8

Volgens de verklaring van [geïntimeerde] was zij de enige van de werknemers van [de vennootschap] die een contract kreeg met [appellante] . [getuige 2] vond dat belangrijk omdat hij wilde dat zij direct verantwoording aan hem aflegde, zo zou hij tegen [geïntimeerde] hebben gezegd. Haar salaris werd betaald namens [de vennootschap]. [getuige 2] wilde dat zo omdat hij onvoldoende kennis had van de (werkgevers)verplichtingen in Nederland, aldus [geïntimeerde] . Volgens [geïntimeerde] is het contract, nadat [persoon 2] en [persoon 3], beiden werkzaam bij Crop Registeraccountants (het accountantskantoor van [de vennootschap]), het in juli 2005 hadden bekeken, nogmaals voorgelegd aan [persoon 1]. Op 30 augustus 2005 zou [geïntimeerde] het ter ondertekening hebben ontvangen. [geïntimeerde] heeft verder verwezen naar twee aan het proces-verbaal van tegengetuigenverhoor gehechte stukken. Het eerste betreft een brief van een Duitse advocate van 25 oktober 2007 waarin namens [appellante] (“Ihr Arbeitgeber”) een aan [geïntimeerde] gerichte “Abmahnung” is opgenomen, een Duitse arbeidsrechtelijke maatregel, die neerkomt op een officiële waarschuwing van de werkgever aan de werknemer. Bij het tweede stuk gaat het om een e-mailwisseling tussen [geïntimeerde] en [getuige 1] van 5 oktober 2007. Bij het bericht van [getuige 1] aan [geïntimeerde] is als bericht van [getuige 2] vermeld: “WE TAKE YOUR COMMENT AS INSULT TO [appellante] MANAGEMENT. [appellante] MANAGEMENT IS YOUR SALARY PAYER.”

2.9

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] aldus onvoldoende bewijs geleverd van feiten en/of omstandigheden waardoor de bewijskracht van de schriftelijke arbeidsovereenkomst wordt ontzenuwd. Volgens de verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] was het de bedoeling van [appellante] dat er een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen [de vennootschap] en [geïntimeerde] werd gesloten, omdat haar arbeidsvoorwaarden werden gewijzigd, maar volgens hun verklaring hebben ze daar geen contact over gehad met [geïntimeerde] zelf. Zij heeft als getuige verklaard dat ze een arbeidsovereenkomst met [appellante] heeft gesloten, dat dit ook haar bedoeling en de bedoeling van [appellante] was en dat [appellante] zich vervolgens ook als haar werkgever heeft gedragen.

2.10

Door [appellante] is bij haar memorie van grieven aangevoerd dat het nieuwe contract van [geïntimeerde] was afgedrukt op papier met het logo van [de vennootschap], dat in het contract werd verwezen naar het bedrijfsreglement van [de vennootschap] en andere regelingen binnen [de vennootschap], dat [de vennootschap] was vermeld als werkgever op de salarisstroken en jaaropgaven die [geïntimeerde] werden toegestuurd en dat [geïntimeerde] was opgenomen in de (loon)administratie van [de vennootschap]. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof echter onvoldoende om anders te oordelen. [geïntimeerde] bleef immers voor en bij [de vennootschap] werken - zodat de regelingen van [de vennootschap] voor haar van belang waren - en volgens haar getuigenverklaring wilde [getuige 2] dat [de vennootschap] haar salaris betaalde, omdat bij [appellante] onvoldoende kennis van de (werkgevers)verplichtingen in Nederland bestond.

3 De slotsom

3.1

De grieven kunnen niet leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen, zodat deze zullen worden bekrachtigd.

3.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van het incident in hoger beroep, die hierbij op € 447,- (0,5 punt x tarief II) worden vastgesteld, veroordelen.

3.3

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van de hoofdzaak in hoger beroep veroordelen.

Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op:

- griffierecht € 291,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief II).

3.4

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de tussen de partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 24 januari 2011 en 19 december 2011;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incident in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 447,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 291,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, A.A. van Rossum en

M.F.J.N. van Osch en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken

op 7 juli 2015.