Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4988

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
21-004226-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BV7816, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verdachte is onder hevige gemoedsbeweging met zijn auto op een tweetal voetgangers ingereden die kort daarvoor verdachte en zijn vrienden hebben belaagd. Hof neemt noodweerexces aan en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004226-14

Uitspraak d.d.: 7 juli 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 22 april 2014- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 6 maart 2012 met parketnummer 05-700683-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [1990],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. A.H. Staring, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing over de strafbaarheid van de verdachte komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault Twingo, kenteken: [kenteken]) (komende vanaf de Velperbinnensingel) met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 1] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair:
hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault Twingo, kenteken: [kenteken]) (komende vanaf de Velperbinnensingel) met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 1] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiair:
hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem opzettelijk mishandelend, [slachtoffer 1] met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge, althans aanzienlijke snelheid heeft aangereden, waardoor deze letsel (wond boven linkerwenkbrauw, schaafwond linkerschouder, linkerborst en linkerzijde, spoortje bloedverlies in schedel (buiten hersenen) ) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault Twingo, kenteken: [kenteken]) (komende vanaf de Velperbinnensingel) met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 2] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden/geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair:
hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault Twingo, kenteken: [kenteken]) (komende vanaf de Velperbinnensingel) met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 2] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden/geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 meer subsidiair:
hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem opzettelijk mishandelend, [slachtoffer 2] met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge, althans aanzienlijke snelheid heeft aangereden/geraakt, waardoor deze letsel (in gezicht en linker(onder)been) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs


In de nacht van 16 op 17 april 2011 heeft verdachte als bestuurder van een blauwe Renault Twingo, met kenteken [kenteken], in het voetgangersgebied gelegen tussen de Velperbinnensingel en de Velperbuitensingel te Arnhem gereden. Hierbij heeft hij
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied bevonden, aangereden.

De vraag die door het hof moet worden beantwoord is of verdachte opzettelijk op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ingereden en zo ja, of zijn opzet dan op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] was gericht.

Het standpunt van de advocaat-generaal

Verdachte is er, nadat er meerdere confrontaties zijn geweest tussen de inzittenden van de blauwe Renault en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], via het trottoir vandoor gegaan. Hij heeft vervolgens doelbewust de snelheid van de auto opgevoerd en is doelbewust met een flinke snelheid op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ingereden. Verdachte moet hebben geweten dat door het inrijden op personen met de snelheid waarmee verdachte reed, de aanmerkelijke kans bestond dat deze personen zouden overlijden. Aldus heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden overlijden ten gevolge van die aanrijding aanvaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het opzet - in welke vorm dan ook - ontbreekt om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven of hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door op hen in te rijden. Verdachte was in paniek en wilde alleen maar ontkomen aan het mede op hem gerichte geweld. Hij ontkent doelbewust achter [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te zijn aangereden. Daarnaast is de verdediging van oordeel dat onvoldoende vaststaat met welke snelheid de auto de personen raakte, waardoor niet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans op het overlijden van die personen bestond.

De beoordeling door het hof

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de nacht van 16 op 17 april 2011, omstreeks 04.00 uur, reed verdachte als bestuurder van een blauwe Renault Twingo, met kenteken [kenteken]. In de auto zaten de vriendin van verdachte, [vriendin verdachte], en [naam]. [vriendin verdachte] zat naast verdachte voorin de auto en [naam] zat achterin de auto. Zij wilden een kennis ophalen in Arnhem. Aangezien zij de weg niet wisten in Arnhem sprak verdachte drie jongens aan, waaronder de latere slachtoffers [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). Hij deed dit door het geopende raam van het bijrijdersportier. Twee van de drie jongens werden daarop handtastelijk naar zijn vriendin [vriendin verdachte]. Zij begonnen aan haar haren te trekken en streelden haar over haar arm en over haar schouders in de buurt van haar borsten. Verdachte is daarop rustig weggereden. Tijdens het wegrijden werd er door [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] tegen de auto geschopt. Verdachte stopte even verderop om de schade aan de door hem geleende auto te bekijken. Alle inzittenden stapten daarvoor uit de auto. Hierop kwamen de drie jongens op hen afrennen. De voorste haalde meteen uit en sloeg [naam]. Verdachte rende daarop weg, achtervolgd door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Op het moment dat hij niet meer door die jongens werd achtervolgd en het iets rustiger werd, is hij naar de auto teruggelopen. Toen verdachte in de buurt van de auto kwam, hoorde hij een harde knal. Door [slachtoffer 1] was de ruit van de auto aan de kant van de bestuurder ingeslagen. Verdachte is toen zo snel mogelijk in de auto gestapt. Hij heeft achter het stuur plaatsgenomen. Zijn vriendin hoorde hij roepen: “Gaan, gaan” of “wegwezen” of “rijden, rijden”. Verdachte is daarop gaan rijden. Hij wilde vlug weg van de plaats waar zij stonden, terwijl hij nog om zich heen keek naar al het glas in de auto. Onderwijl hoorde hij zijn vriendin nog steeds schreeuwen. Verdachte is vanaf de Velperbinnensingel het trottoir richting Musis Sacrum opgereden, langs de hoofdingang van Musis Sacrum, en hij is over het trottoir voor het restaurant van Musis Sacrum naar de Velperbuitensingel gereden. Daarbij heeft hij zonder te remmen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangereden. Verdachte is daarna zonder te stoppen doorgereden.


Het team Verkeersongevallen Analyse van de politie schat de snelheid waarmee de auto heeft gereden tussen de 50 en 58 kilometer per uur. De deskundige [deskundige] spreekt van een snelheid van (misschien nog geen) 40 kilometer per uur. Er is geen technisch bewijs voorhanden om de exacte snelheid van verdachtes auto op het moment van de aanrijdingen vast te stellen.

Het hof acht niet bewezen dat verdachte opzettelijk, expres, op de beide voetgangers is ingereden. Van ‘vol’ opzet is geen sprake.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aannemelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van die aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat verdachte door als bestuurder van een auto het voetgangersgebied op te rijden, de kans op de koop toe heeft genomen dat hij de aldaar aanwezige voetgangers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met zijn auto zou raken. Door zo te handelen kan het niet anders zijn dan dat verdachte de gevolgen van zijn handelen heeft aanvaard. Aldus en onder de gegeven omstandigheden handelend, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar zou verwonden. Het hof is dan ook van oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Nu niet is komen vast te staan dat verdachte met hoge snelheid op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ingereden, kan niet worden gezegd dat er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door de aanrijding zouden komen te overlijden. Verdachte dient dan ook van het onder 1 primair en 2 primair te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. subsidiair:
hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault Twingo, kenteken: [kenteken]) (komende vanaf de Velperbinnensingel) met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 1] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair:
hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault Twingo, kenteken: [kenteken]) (komende vanaf de Velperbinnensingel) met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 2] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden/geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezene levert op het misdrijf

telkens:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman van de verdachte is het verweer gevoerd dat de verdachte heeft gehandeld in een toestand van (extensief) noodweerexces en om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Volgens de advocaat-generaal is niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft gehandeld vanuit noodweerexces.

Het hof stelt voorop dat als door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweerexces, wat betreft het door de rechter in te stellen onderzoek het volgende geldt.

Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

De verdediging heeft zich beroepen op de hiervoor onder sub b bedoelde situatie.

Verdachte vroeg midden in de nacht in Arnhem de weg aan een groepje mensen. Daarop zijn door met name [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de volgende geweldshandelingen tegen verdachte, zijn vriendin [vriendin verdachte] en [naam] verricht, te weten:

  • -

    Handtastelijkheden in de richting van [vriendin verdachte];

  • -

    Het aan de haren van [vriendin verdachte] trekken

  • -

    Het tegen de auto van verdachte aan schoppen;

  • -

    Het slaan van [naam];

  • -

    Het lopend achtervolgen van verdachte door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

  • -

    Het inslaan van de autoruit.

Het hof ziet deze geweldshandelingen zowel afzonderlijk, als in samenhang beschouwd, als meerdere ogenblikkelijke wederrechtelijke aanrandingen, die in ernst en hevigheid toenamen. Na het inslaan van de ruit van de auto is de aanranding geëindigd.

Door getuige [getuige 1], die met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] samen was, is verklaard dat [slachtoffer 1], die alcohol en GHB had gebruikt, helemaal door het dolle heen was. Hij heeft verklaard dat de twee jongens van de auto geschokt waren omdat het raam werd doorgeslagen. Hij zag dat aan hun reactie. Ze stonden letterlijk met hun handen in het haar. Er zat ongeveer 30 tot 45 seconden tussen het inslaan van de autoruit en de aanrijding.

Door een toevallige voorbijgangster, [getuige 2], is verklaard dat zij heeft gezien dat het groepje van [slachtoffer 1] heel agressief was tegen de groep van verdachte. Zij verklaart over het ruzie zoeken en agressieve gedrag van met name [slachtoffer 1]. Zij schrok zelf heel erg dat de autoruit werd ingeslagen. Ze heeft ook verklaard te hebben gezien dat de inzittenden van de auto angstig waren.

Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte, [vriendin verdachte] en [naam] door het korte tijdsbestek waarbinnen deze geweldshandelingen plaatsvonden en het feit dat de jongens op geen enkele manier voor rede vatbaar waren en maar door bleven gaan met geweld, , ondanks dat zij zich aan die geweldshandelingen probeerden te onttrekken, angstig, wanhopig en in paniek waren. Angst wanhoop en paniek kunnen worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging, terwijl deze gemoedsbeweging werd veroorzaakt door bovenstaande geweldshandelingen. Er is dus sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door in ieder geval [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Na het inslaan van de autoruit zijn de geweldshandelingen gestopt. Verdachte is direct daarop in paniek en uit wanhoop met zijn auto weggereden en heeft daarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangereden. Tussen de laatste aanranding, het inslaan van de autoruit, en het wegrijden door verdachte was een korte tijdspanne.

Het hof acht, gelet op het bovenstaande, aannemelijk geworden dat verdachte als gevolg van de ogenblikkelijke wederechtelijk aanranding in een zodanig hevige gemoedsbeweging verkeerde dat hij daardoor de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Het beroep op noodweerexces wordt daarom gehonoreerd. De verdachte is derhalve ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar en hij dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.545,66. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 935,01. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De benadeelde partij dient, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de verdachte voor het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit niet strafbaar is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart de verdachte voor deze bewezen verklaarde feiten niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. H.G.W. Stikkelbroeck en mr. M. Barels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier,

en op 7 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.