Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4921

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
200.167.627-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling 17-jarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.167.627/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/138968 / FJ RK 14-1310)

beschikking van de familiekamer van 2 juli 2015

inzake

[verzoekers] ,

wonende te [A] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders dan wel de vader respectievelijk de moeder,

advocaat: mr. S.C. Bosch, kantoorhoudend te Drachten,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland,
kantoorhoudende te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (gecertificeerde instelling),

kantoorhoudende te Leeuwarden,

hierna te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 15 januari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, is (één van de in totaal drie thans nog minderjarige kinderen van de ouders) [de minderjarige] , geboren [in] 1998 (verder te noemen: [de minderjarige] ), onder toezicht gesteld van de GI met ingang van de dag van die beschikking voor de duur van een jaar en is het meer of anders verzochte afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 april 2015, hebben de ouders het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 april 2015, heeft de raad het verzoek van de ouders in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder de brief met bijlagen van mr. Bosch van 1 mei 2015, de brief met bijlagen van de GI van 4 mei 2015 en de brief met bijlagen van mr. Bosch van 7 mei 2015.

2.4

De minderjarige [de minderjarige] is door het hof bij brief van 20 april 2015 verzocht om middels retournering van het daarbij gevoegd formulier aan te geven of zij al dan niet gebruik wenst te maken van het recht om te worden gehoord in deze zaak. Zij heeft niet binnen de in die brief gestelde termijn van een week daarop gereageerd.

2.5

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof gehouden te Leeuwarden op 18 mei 2015. Verschenen zijn de ouders en hun advocaat, dhr. Kelderhuis namens de raad en namens de GI zijn verschenen mw. [B] en mw. [C] (gezinsvoogd). Ter zitting is namens de ouders met toestemming van het hof, na instemming door de raad en de GI, een rapport van [D] overgelegd gedateerd 12 mei 2015, alsmede een verslag "Observatie IPG" en "Schoolinformatie, interview met [E] door [D] ".

2.6

[de minderjarige] is op haar verzoek op 27 mei 2015 alsnog gehoord door een raadsheer-commissaris. Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke reacties van de ouders, de raad en de GI, alle binnengekomen bij het hof op 4 juni 2015, op het verslag van dat kinderverhoor.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder wonen (ongehuwd) samen met hun vier kinderen in [A] . Drie van de kinderen zijn nog minderjarig, waaronder voornoemde [de minderjarige] (17) en haar zusjes [F] (15) en [G] (14). De broer van [de minderjarige] , [H] , is inmiddels meerderjarig (19) maar woont nog thuis bij de ouders.

3.2

De kinderen zijn door de vader erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen.

3.3

In de bestreden beschikking is het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de (minderjarige) kinderen toegewezen voor wat betreft [de minderjarige] en afgewezen wat betreft [F] en [G] . Aan de basis van die beslissing ligt mede een rapport van de raad van
19 december 2014.

3.4

Het onderhavige hoger beroep van de ouders keert zich alleen tegen de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . De raad schaart zich achter de bestreden beschikking en berust in de afwijzing van het verzoek wat betreft [F] en [G] .

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ter beoordeling staat de maatregel van ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

4.2

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. Gelet op artikel 28 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek is op de beoordeling van het onderhavige verzoek echter het recht van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2015.

4.3

Op grond van artikel 1:254 lid 1 BW (oud) kan een minderjarige door de kinderrechter onder toezicht worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat zijn of haar zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.4

De ouders kunnen zich niet vinden in het oordeel van de kinderrechter dat in het geval van [de minderjarige] aan voormeld criterium is voldaan. De ouders erkennen dat er zorgen zijn over [de minderjarige] maar bestrijden dat hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk is om die ontwikkelingsbedreiging voor haar weg te nemen. Ter toelichting hebben de ouders onder meer opgemerkt dat zij zelf hulp hebben ingeschakeld voor [de minderjarige] en dat door toedoen van het AMK de hulp bij [D] eerst in november 2014 van start is gegaan. Tijdens het kinderverhoor heeft [de minderjarige] zich kort gezegd achter het standpunt van de ouders geschaard. Zij heeft daartoe onder meer opgemerkt dat de communicatie met de gezinsvoogd in haar beleving niet zo lekker loopt en dat hulpverlening voor haar inmiddels in gang is gezet.

4.5

De raad heeft het standpunt van de ouders bestreden en is samengevat van mening dat het zorgelijke gedrag van [de minderjarige] deels ook voortkomt of wordt versterkt door de gespannen thuissituatie bij de ouders. Volgens de raad is ook hulpverlening nodig met betrekking tot de gezinssituatie en met name ook voor de persoonlijke problematiek van de vader. Daarvoor is hulpverlening in het vrijwillig kader niet toereikend omdat de ouders daar niet voldoende open voor staan. De ervaring leert dat zodra de hulpverlening de vader erbij wil betrekken de ouders afhaken of zodanige voorwaarden stellen dat hulpverlening onvoldoende van de grond komt, aldus de raad.

4.6

De GI heeft zich achter het standpunt van de raad geschaard. Ter zitting is namens de GI in dit verband onder meer opgemerkt dat de ouders veel klachten indienen en zich strijdbaar opstellen en dat de samenwerking daardoor moeizaam verloopt. De ouders zijn wantrouwend en leggen de oorzaak van de problemen buiten zichzelf. Zij wijten de problemen aan de ondertoezichtstelling en geven geen openheid van zaken. De vader laat het op afspraken afweten. De GI maakt zich ernstig zorgen over het gezinssysteem.

4.7

Het hof vindt de in geding zijnde maatregel van ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , anders dan de ouders en [de minderjarige] , noodzakelijk en overweegt daartoe het volgende.

4.8

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting acht het hof aannemelijk dat de ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] niet alleen is gelegen in haar persoonlijke problematiek maar mede in de (spanningsvolle) opvoedingssituatie bij de ouders. De combinatie daarvan maakt de ontwikkelingsbedreiging naar het oordeel van het hof ernstig genoeg voor het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling.

4.9

De persoonlijke problematiek van [de minderjarige] uit zich onder meer in automutilatie bij stress of wanneer zij zich slecht voelt. [de minderjarige] heeft een gebrek aan zelfvertrouwen, is onzeker en heeft een laag zelfbeeld. Ze kan blokkeren in het contact met anderen en sterk wisselen van stemming. Ze vraagt op school negatieve aandacht, is daar veel gepest en voorts heeft [de minderjarige] te maken met overgewicht. [de minderjarige] heeft melding gemaakt, zij het in wisselende verklaringen, van seksueel getint en intimiderend, al dan niet alleen verbaal, grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens haar. Hoewel ook de andere kinderen in het gezin kampen met de nodige problematiek, neemt [de minderjarige] hierin een bijzondere positie in vanwege haar kwetsbaarheid en de wijze waarop zij uiting geeft aan haar gevoelens.

4.10

Positief is dat [de minderjarige] inmiddels hulp en begeleiding heeft en hard werkt aan haar problemen. Zo bezoekt zij sinds juni 2014 op advies van de schoolarts een diëtiste, gaat zij naar fysiotherapie en sport zij veel en graag. Zij is actief voor de reddingsbrigade en heeft een krantenwijk. Verder is in november 2014 de kindpsychiatrische behandeling en diagnostiek bij [D] van start gegaan. Dat inmiddels hard gewerkt wordt aan de persoonlijke problemen van [de minderjarige] geeft het hof echter geen aanleiding de maatregel te beëindigen gelet op het navolgende.

4.11

Van verschillende kanten zijn niet mis te verstane en ernstige zorgen geuit, waaronder door de school van [de minderjarige] ( [de minderjarige] is van Havo naar VMBO gegaan en blijft dit jaar naar eigen zeggen waarschijnlijk zitten), door de politie en door een vriendin van [de minderjarige] over de gezinssituatie bij de ouders. Laatstgenoemde vriendin blijkt een (anonieme) brief te hebben geschreven aan de hulpverlening waarin zij aandacht vraagt voor de zorgelijke situatie van [de minderjarige] . In die brief worden een aantal ernstige zaken benoemd. Voor zover de ouders hebben willen betogen dat de zorgen over de situatie in het gezin louter zijn gebaseerd op die anonieme brief, die bovendien volgens de ouders ongeloofwaardig is, mist dat betoog feitelijke grondslag en gaat het hof daar dus aan voorbij. Ook door anderen zijn zorgen geuit omtrent de gezinssituatie bij de ouders.

4.12

Het hof is gebleken dat er veel spanningen zijn in het gezin, met name bij de vader. Er zijn veelvuldig ruzies in het gezin en als gevolg daarvan trekken de kinderen zich veel terug op hun kamer of in activiteiten buitenshuis. Veelzeggend is in dit verband dat de kinderen dikwijls zodra de vader thuis komt naar hun kamer gaan. Er zijn daarbij de nodige persoonlijke problemen bij meerdere leden van het gezin. Zo is [H] bekend met seizoengebonden neerslachtigheid en PDD-NOS en is ook [F] gediagnosticeerd met PDD-NOS en ADD. Er zijn aanwijzingen dat ook de vader kampt met een stoornis in het autistisch spectrum of andere persoonlijkheidsproblematiek. Onder meer de moeder heeft zich in die strekking geuit in het verleden. De vader ervaart zelf niet alleen veel spanning, naar eigen zeggen vooral in verband met de situatie op zijn werk, de afwikkeling van een erfenis en door bemoeienis van hulpverlening, maar is voor de andere gezinsleden ook een bron van spanning. Er zijn daarbij ook financiële problemen. De vader zoekt zijn toevlucht in drank met alle risico's van dien. Het nuttigen van alcohol maakt hem naar eigen zeggen rustiger. De vader geeft het structurele en overmatige drankgebruik toe maar staat niet open voor hulp daarvoor of voor hulp gericht op het gezinssysteem. Daarentegen zoekt hij de strijd met de diverse betrokken hulpverlenende instanties en personen. Hij bagatelliseert zijn persoonlijke problematiek en aandeel in de gerezen spanningsvolle situatie in het gezin. De vader zoekt de oorzaak buiten zichzelf, is dominant, intimiderend, grensoverschrijdend, heeft kennelijk weinig inlevingsvermogen en is (verbaal) agressief.

4.13

Rond de kerst van 2013 is de situatie bij de ouders thuis geëscaleerd en heeft de politie op verzoek van de moeder ingegrepen bij een, in een handgemeen geëindigde, ruzie tussen [H] en de vader. De politie constateerde destijds een duidelijk vervuilde en zeer rommelige woning bij de ouders, zichtbaar letsel bij de vader en voorts dat de kinderen aangaven dat de vader dagelijks alcohol gebruikte. Een en ander is voor de politie aanleiding geweest een zorgmelding te doen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Daarna zijn ook van de zijde van de school (21 januari 2013) en een anonieme melder (3 februari 2014) - naar later bleek van een vriendin van [de minderjarige] - zorgmeldingen gedaan bij het AMK.

4.14

Na interventie van het AMK en ASH heeft [de minderjarige] in februari 2014 een paar weken, met toestemming van de moeder, op de crisisinterventie in [I] verbleven. Het onderzoek van het AMK is afgesloten met het advies om hulp in te zetten voor [de minderjarige] van [D] en verder Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding (IAG). Nadat het AMK uit rappèlonderzoek was gebleken dat de hulpverlening voor [de minderjarige] niet van de grond kwam, heeft het AMK de raad in september 2014 verzocht een beschermingsonderzoek in te stellen naar de opvoedingssituatie van [de minderjarige] . Uit de desbetreffende brief van het AMK aan de raad blijkt onder meer dat de ouders de hulp hebben stopgezet bij [J] en [K] , dat de vader zijn aanmelding bij Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) niet heeft doorgezet en dat de ouders geen toestemming geven voor het indicatietraject richting [D] (in verband met een klacht van de ouders jegens het AMK kon het voor de aanmelding benodigde AMK-rapport niet worden ondertekend en voldeed de aanmelding niet aan de eisen).

4.15

Eerst in november 2014 is de hulp voor [de minderjarige] bij [D] van start gegaan, naast de andere hulp die inmiddels voor haar persoonlijke problematiek was ingezet. Het gezin is bekend bij [D] omdat ook andere kinderen in het gezin daar onder behandeling zijn. Bij [D] heeft inmiddels diagnostiek plaatsgevonden ten aanzien van [de minderjarige] . Uit de ter zitting overgelegde diagnostiekbrief van [D] van 12 mei 2015 blijkt in dit verband onder meer dat de klachten van [de minderjarige] diffuus zijn. Zo spelen er onder meer angst- en paniekklachten, overgewicht, suïcidale gedachten, niet willen eten en automutilatie. [de minderjarige] functioneert op verbaal minimaal moeilijk lerend / beneden gemiddeld niveau en performaal op minimaal gemiddeld niveau. Daarbij zijn er voldoende kenmerken van PDD-NOS geconstateerd bij [de minderjarige] . In DSM-IV termen is bij [de minderjarige] sprake van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO (as I) en problemen verbonden aan de sociale omgeving (as IV). De voornoemde informatie van [D] bevestigt derhalve dat sprake is van ernstige persoonlijke problematiek bij [de minderjarige] , naast problemen in haar directe leefomgeving.

4.16

Mede gelet op de aard en ernst van de persoonlijke problematiek van [de minderjarige] , is het naar het oordeel van het hof van groot belang dat, naast de inmiddels in gang gezette behandeling van de persoonlijke problematiek van [de minderjarige] , ook gewerkt gaat worden aan het gezinssysteem.

4.17

Tot nu toe hebben de ouders zich welwillend getoond, zij het schoorvoetend, ten aanzien van hulp voor de persoonlijke problematiek van [de minderjarige] maar zij hebben het geheel laten afweten waar het gaat om de noodzakelijke hulp gericht op het gezinssysteem en de persoonlijke problematiek van de vader. Het hof wil de ouders op het hart drukken om ook op dat punt nu, in het belang van [de minderjarige] , de samenwerking te zoeken met de betrokken instanties in plaats van de strijd.

4.18

Het hof constateert dat de moeder in het gezin fungeert als een soort 'verkeersregelaar' maar zij is er vooralsnog niet in geslaagd voldoende sturing te geven aan de vader en de noodzakelijke hulp voor de vader en het gezin in goede banen te leiden. Gelet op de afwerende houding die de ouders tot nu toe hebben getoond ten aanzien van de hulp in het gezinssysteem is het hof met de kinderrechter van oordeel dat het vrijwillig kader onvoldoende waarborgen biedt om de ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] op dat punt te keren.

4.19

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof dan ook van oordeel dat voldoende grond bestaat voor ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

4.20

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van de ouders faalt en het hof de bestreden beschikking dus zal bekrachtigen, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 15 januari 2015 voor zover aan dit hoger beroep onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Foppen, mr. J.G. Idsardi en mr. I.A. Vermeulen en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015 in bijzijn van de griffier.