Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4919

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
200.162.653-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Niet-wijzigingsbeding. Man kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan het niet-wijzigingsbeding worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.162.653/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/145602 / FA RK 14-15)

beschikking van de familiekamer van 30 juni 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.B. Rietberg, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [B],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. van Dijk, kantoorhoudend te Scheemda.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 oktober 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 13 januari 2015;

- het journaalbericht van 20 februari 2015 van mr. Van Dijk, ingekomen op 23 februari 2015;

- het "verweerschrift in appel, tevens zelfstandig verzoek", ingekomen op 23 februari 2015;

- het "verweerschrift in incidenteel appel", ingekomen op 16 april 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting heeft mr. Rietberg mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota. Tevens heeft mr. Rietberg ter zitting enkele ontbrekende producties uit eerste aanleg overgelegd en een beschikking van 12 september 2005 van de (toenmalige) rechtbank Groningen. Het hof zal - zoals reeds ter zitting is medegedeeld - deze beschikking niet meenemen bij de beoordeling, nu deze beschikking zonder reden niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend.

2.3

Op de d.d. 16 juni 2015 en mitsdien na de behandeling ter terechtzitting ingekomen brief van mr. Van Dijk heeft het hof geen acht geslagen. Ditzelfde geldt voor de schriftelijke reactie d.d. 23 juni 2015 van mr. Rietberg op deze brief.

3 De vaststaande feiten

3.1

Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Groningen van 28 maart 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 12 april 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [meerderjarige1], geboren [in] 1993 (hierna te noemen: [meerderjarige1]),

- [meerderjarige2], geboren [in] 1994 (hierna te noemen: [meerderjarige2]) en

- [minderjarige1], geboren [in] 1999 (hierna te noemen: [minderjarige1]). Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige [minderjarige1].

3.3

Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Groningen van 11 maart 2008 is bepaald dat de man met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 12 april 2006, tot 1 januari 2007, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen aan de vrouw een bedrag van € 116,- per kind per maand dient te betalen, van 1 januari 2007 tot 1 november 2007 een bedrag van, inclusief fiscaal voordeel, € 167,- per kind per maand en met ingang van 1 november 2007 een bedrag van, inclusief fiscaal voordeel, € 212,- per kind per maand. Het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud is afgewezen.

3.4

Bij beschikking van 16 juni 2009 heeft de (toenmalige) rechtbank Groningen de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wijziging van de beschikking van die rechtbank van 11 maart 2008 op het punt van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, alsmede in haar verzoek tot vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

3.5

Bij beschikking van het (toenmalige) hof Leeuwarden van 26 augustus 2010 heeft het hof - op verzoek van partijen - de beschikking van 16 juni 2009 van de (toenmalige) rechtbank Groningen vernietigd en - overeenkomstig de afspraken van partijen - het volgende bepaald:

"* met betrekking tot de kinderalimentatie

bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Groningen van 11 maart 2008, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [meerderjarige2], geboren [in] 1994 te [C] en [minderjarige1], geboren [in] 1999 te [C], met ingang van 24 oktober 2008 op een bedrag van € 275,- per kind per maand;

bepaalt dat deze bijdrage jaarlijks geïndexeerd zal met worden met het daarvoor geldende wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2009;

bepaalt dat de onderhoudsbijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dienen te worden voldaan;

verklaart de beslissing met betrekking tot de bijdrage ten behoeve van de kinderen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat, in het geval en voor zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hem met een beroepsopleiding bezig is of studeert, de man ook na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar van het kind gehouden is bij te dragen in diens kosten van levensonderhoud en studie met voornoemd bedrag van € 275,- per maand vermeerderd met de wettelijke indexering, tenzij zij daaromtrent in goed overleg anders overeenkomen;

* met betrekking tot de partneralimentatie

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 24 oktober 2008 op een bedrag van € 750,- bruto per maand en met ingang van 1 april 2018 op nihil;

bepaalt dat deze bijdrage jaarlijks geïndexeerd zal met worden met het daarvoor geldende wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2011;

bepaalt dat de onderhoudsbijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dienen te worden voldaan;

verklaart de beslissing met betrekking tot de bijdrage ten behoeve van de vrouw tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat de afspraken met betrekking tot de partneralimentatie niet gewijzigd kunnen worden bij rechterlijke uitspraak op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan dit niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald;

* met betrekking tot de zelfstandige verzoeken van de man

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken met betrekking tot de gebruiksvergoeding, de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [meerderjarige1] en de onderhoudsbijdrage te zijnen behoeve;

* voor het overige

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep."

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 6 januari 2014 op nihil gesteld.

4.2

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 21 oktober 2014. De grieven zien uitsluitend op de partneralimentatie en hebben betrekking op het niet-wijzigingsbeding en de draagkracht van de man.

5 De motivering van de beslissing

Verzoeken man in hoger beroep

5.1

De man heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep het hof verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten en - in het geval de bestreden beschikking in stand blijft - te bepalen dat de vrouw het door de man teveel betaalde, dient terug te betalen. Het hof beschouwt dit als een vermeerdering van (de gronden van) het verzoek. De man heeft gelet op artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in samenhang met artikel 283 en 130 Rv het recht als oorspronkelijk verzoeker in eerste aanleg (de gronden van) zijn verzoek in hoger beroep te vermeerderen. Naar het oordeel van het hof verzetten de eisen van de goede procesorde zich niet tegen deze vermeerdering van (de gronden van) het verzoek. De vrouw is daardoor niet onredelijk bemoeilijkt in haar verdediging en dit geding wordt daardoor ook niet onredelijk vertraagd.

Niet-wijzigingsbeding

5.2

Bij beschikking van het (toenmalige) hof Leeuwarden van 26 augustus 2010 heeft het hof - overeenkomstig de door partijen gemaakte afspraken - verstaan dat de afspraken met betrekking tot de partneralimentatie niet gewijzigd kunnen worden bij rechterlijke uitspraak op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan dit niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald.

5.3

De man heeft in zijn inleidend verzoek verzocht de beschikking van het hof van 26 augustus 2010 te wijzigen omdat er zich een aantal wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan die volgens hem dienen te leiden tot een herbeoordeling van de afgesproken alimentatie. Volgens de man is sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat:

a. a) [minderjarige1] en [meerderjarige2], ten aanzien van wie nog een onderhoudsplicht geldt, inmiddels niet meer bij de vrouw wonen maar bij de man;

b) de verdiencapaciteit van de man is verminderd, doordat hij twee auto-ongelukken heeft gehad, doordat hij vanaf begin 2011 intensieve zorg aan [minderjarige1] en [meerderjarige2] heeft verleend en door de crisis;

c) de behoeftigheid van de vrouw is verminderd doordat zij een arbeidscontract voor langere duur heeft gekregen;

d) de man sinds februari 2013 niet meer samenwoont met zijn partner;

e) de voormalige echtelijke woning in december 2012 is verkocht voor ruim € 60.000,- minder dan waar de man ten tijde van de met de vrouw gesloten overeenkomst rekening mee had gehouden.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW moet volgens vaste rechtspraak sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en wel zo dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als, in dit geval, de vrouw de man aan het beding zou houden. Daarbij moet voorts in aanmerking worden genomen wat partijen destijds aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad. Niet alleen moet onderzoek worden gedaan naar de feitelijke financiële omstandigheden van het moment, maar ook naar alle andere relevante omstandigheden.

5.5

In een geval als het onderhavige, waarin in weerwil van een beding zoals bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW wijziging van de overeengekomen partneralimentatie wordt verzocht, worden zware eisen gesteld aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt. De wijziging moet immers in het licht worden gezien van de overeenkomst nu juist een uitdrukkelijk beding is opgenomen dat deze overeenkomst niet op grond van een wijziging van omstandigheden voor wijziging vatbaar is.

5.6

Het hof stelt voorop dat partijen het niet-wijzigingsbeding in 2010 zijn overeengekomen. Derhalve dient beoordeeld te worden of ten opzichte van de situatie in 2010 sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden als hierboven vermeld. In dit kader is niet van belang wie destijds (de man of de vrouw) het niet-wijzigingsbeding had verzocht. Vast staat dat partijen een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen en dat het hof dit beding op verzoek van partijen bij beschikking van 26 augustus 2010 heeft vastgelegd.

5.7

Met betrekking tot de door de man aangevoerde gewijzigde omstandigheid inzake de verblijfplaats van de kinderen, overweegt het hof als volgt. In hoger beroep is gebleken dat [minderjarige1] van april 2013 tot maart 2015 bij de man heeft gewoond. Sinds maart 2015 verblijft hij echter weer bij de vrouw. [meerderjarige2] woont sinds februari 2011 niet meer bij de vrouw. In het kader van een machtiging uithuisplaatsing heeft hij van 27 januari 2011 tot 9 februari 2012 in [D] te [E] gewoond. Vanaf maart 2012 woont [meerderjarige2] bij de man. Het hof is van oordeel dat de wijzigingen van verblijfplaats van de kinderen in het onderhavige geval - mede gelet op de moeizame verhouding tussen partijen - niet als een onvoorzienbare omstandigheid kunnen worden aangemerkt. Los daarvan maakt de omstandigheid dat [meerderjarige2] thans bij de vader woont, niet dat er een wanverhouding als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW is ontstaan. De behoefte van de kinderen is door partijen gesteld op € 275,- per kind per maand en dat is ook het bedrag dat de man voor [meerderjarige2] aan de vrouw diende te betalen toen [meerderjarige2] nog bij de vrouw verbleef. De man voert nu kosten op die deze behoefte (ook van de andere kinderen) ver overschrijden, waarbij het hof allereerst van oordeel is dat hij deze kosten onvoldoende met bewijsstukken heeft onderbouwd, zodat reeds hierom deze kosten niet bij de beoordeling worden betrokken. Ook in het geval zou blijken dat de man wel al deze kosten betaalt, passen naar het oordeel van het hof deze kosten niet bij de eerder vastgestelde behoefte van de kinderen. Zelfs als deze kosten als aanvullende behoefte zouden kunnen worden aangemerkt, is het de vraag of de betaling van deze kosten dan redengevend kan zijn voor de beoordeling of er een volkomen wanverhouding is ontstaan.

5.8

De tweede wijziging van omstandigheden waarop de man zijn wijzigingsverzoek heeft gegrond, is gelegen in de verminderde verdiencapaciteit van de man. Het hof is van oordeel dat de man ook deze wijziging onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door de man overgelegde jaaropgaves blijkt niet dat het inkomen van de man sinds 2010 is gedaald. De man heeft na zijn ongelukken zijn vaste dienstverband bij [F] behouden. Bovendien is hij met ingang van januari 2015 weer volledig arbeidsgeschikt verklaard en heeft hij zijn werkzaamheden ook weer volledig (gemiddeld drie dagen per week) hervat. Met betrekking tot de stelling van de man dat hij geen inkomsten meer genereert uit zijn ondernemingsactiviteiten als zelfstandige (het geven van trainingen), heeft de vrouw aangevoerd - en dit heeft de man niet betwist - dat de man ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ook geen inkomsten uit zijn ondernemingsactiviteiten had en dat toen reeds geen rekening is gehouden met inkomsten hieruit. Daarbij komt dat in geval van eigen ondernemingen (mogelijk) inkomstenverlies en fluctuerende inkomsten kunnen worden beschouwd als een ondernemersrisico en derhalve als een voorzienbare omstandigheid kunnen worden aangemerkt.

5.9

Ook ten aanzien van de overige aangevoerde wijzigingen van omstandigheden heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende aangetoond dat door deze wijzigingen een volkomen wanverhouding is ontstaan zoals hiervoor bedoeld. Een stijging van het inkomen van de vrouw kan immers slechts van invloed zijn op het niet-wijzigingsbeding indien er aan haar zijde sprake zou zijn van een ingrijpende wijziging van haar inkomen en daarmee van haar behoeftigheid en een dergelijke ingrijpende wijziging acht het hof niet aannemelijk geworden.

5.10

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden.

5.11

Met betrekking tot de stelling van de man dat indien het hof van oordeel is dat de man € 750,- per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te blijven voldoen, zoals is bepaald bij beschikking van het hof van 26 augustus 2010, dit de draagkracht van de vrouw aanzienlijk beïnvloedt en de rechtsstrijd zich dan niet meer beperkt tot de al dan niet door hem te betalen partneralimentatie, maar dit dan ook de door de man in eerste aanleg verzochte bijdrage van de vrouw aan de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en mogelijk de voor hem zelf gevraagde partneralimentatie omvat, overweegt het hof als volgt.

Het hof is ten aanzien van de door de man verzochte kinderalimentatie voor [minderjarige1] van oordeel dat de man geen belang meer heeft bij dit verzoek, nu ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige1] inmiddels weer bij de vrouw woont. Ten aanzien van het verzoek van de man om een bijdrage van de vrouw in zijn levensonderhoud, is het hof van oordeel dat de man daartoe zijn behoefte aan een bijdrage van de zijde van de vrouw dient te onderbouwen, hetgeen onvoldoende is gebeurd. De enkele stelling dat de draagkracht van de vrouw wordt beïnvloed door de door haar ontvangen partneralimentatie is daartoe volstrekt onvoldoende. Het hof wijst deze verzoeken van de man dan ook af.

5.12

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof geen grond aanwezig om een wijziging aan te brengen in de door partijen gemaakte afspraken met betrekking tot de partneralimentatie, welke afspraken door het hof bij beschikking van 26 augustus 2010 zijn vastgelegd. Nu de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat er een wijzigingsgrond aanwezig was, dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Het hof komt aan de overige stellingen, weren en verzoeken van partijen, niet meer toe.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Derhalve zullen, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 oktober 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst de inleidende verzoeken van de man af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Foppen, mr. I.A. Vermeulen en mr. A.H. Garos, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015 in bijzijn van de griffier.