Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4912

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
200.167.268-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moeder geen toestemming tot verhuizing verleend. Hoofdverblijfplaats minderjarige bij de vader bepaald.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2015/92
JIN 2015/150 met annotatie van P.M. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.167.268/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/162557 / FA RK 14-2314)

beschikking van de familiekamer van 30 juni 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans, kantoorhoudend te Meppel,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [A],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. W. Geersen-Janssen, kantoorhoudend te Enschede.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 24 december 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 maart 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof:
I. die beschikking te vernietigen en:

II. te bepalen dat de na te noemen minderjarige [de minderjarige] hoofdverblijf heeft bij de moeder;

III. haar vervangende toestemming te geven om met ingang van de datum van de door het hof af te geven beschikking met [de minderjarige] te verhuizen naar [B];

IV. haar vervangende toestemming te verlenen [de minderjarige] te laten inschrijven op een school in [B] voor zover het partijen niet lukt om binnen één maand na de door het hof af te geven beschikking hierover overeenstemming te bereiken;
V. de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 mei 2015, heeft de vader het verzoek van de moeder in hoger beroep bestreden en verzocht het hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3

Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- een brief d.d. 9 april 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Overijssel, locatie Zwolle (verder te noemen: de raad);

- een journaalbericht met bijlagen d.d. 23 april 2015, ingediend namens mr. Olie-Hallmans;

- een brief d.d. 28 april 2015 van de raad;

- een journaalbericht met bijlagen d.d. 1 mei 2015, ingediend namens mr. Olie-Hallmans;

- een journaalbericht met bijlagen d.d. 13 mei 2015, ingediend namens mr. Olie-Hallmans;

- een brief d.d. 21 mei 2015 van de raad;

- een journaalbericht met bijlagen d.d. 28 mei 2015, ingediend namens mr. Olie-Hallmans.

2.4

Bij aanvullend verzoekschrift met bijlagen, overgelegd bij voormeld journaalbericht met bijlagen d.d. 1 mei 2015, heeft de moeder verzocht:
VI. haar vervangende toestemming te geven om met de na te noemen minderjarige [de minderjarige] één week aaneengesloten op Aruba te verblijven vanaf zaterdag 17 oktober 2015 tot en met zondag 25 oktober 2015;

VII. haar vervangende toestemming te geven jaarlijks één week aaneengesloten met [de minderjarige] op vakantie te gaan naar het buitenland.

2.5

Bij brief van 13 mei 2015, overgelegd bij voormeld journaalbericht d.d. 13 mei 2015, ingediend namens mr. Olie-Hallmans, heeft de moeder voormelde aanvullende verzoeken VI. en VII. ingetrokken.

2.6

Het hof neemt geen kennis van het journaalbericht met bijlagen d.d. 28 mei 2015, in gediend namens mr. Olie-Hallmans, nu dit is ingediend met overschrijding van de termijn genoemd in artikel 1.4.4. van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Het hof beschouwt de standpunten die zijn ingenomen in de bij dit journaalbericht overgelegde brief d.d. 28 mei 2015 van mr. Olie-Hallmans bovendien als een zonder toestemming van het hof ingelaste nieuwe schriftelijke ronde, die op grond van het geldende procesreglement niet kan worden geaccepteerd.

2.7

De mondelinge behandeling heeft op 2 juni 2015 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Olie-Hallmans heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn [in] 2007 te [A] met elkaar gehuwd, welk huwelijk [in] 2013 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 22 mei 2013 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Uit dit huwelijk is [in] 2010 te [A] geboren de minderjarige [de minderjarige] (verder: [de minderjarige]). Partijen zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast en [de minderjarige] heeft tot de datum van de bestreden beschikking zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder gehad.

3.2

In het ouderschapsplan van partijen d.d. 4/8 januari 2013, waarvan de inhoud is opgenomen in de beschikking van de rechtbank van 22 mei 2013, zijn partijen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] het volgende overeengekomen:
" zal worden ingeschreven op het adres van [verzoekster]. Zowel [verweerder] als [verzoekster] blijft woonachtig in [A]. Indien een van beide wil verhuizen buiten [A] zal dit in overleg gaan en wordt indien nodig de omgangsregeling gewijzigd. We melden elkaar dit voornemen tijdig."

3.3

Partijen zijn in het ouderschapsplan voorts de navolgende zorgregeling overeengekomen. [de minderjarige] verblijft bij de vader in de oneven weken van woensdag 17.30 uur tot en met maandag 17.30 uur en bij de moeder van maandag 17.30 uur in de even weken tot en met woensdag 17.30 uur in de oneven weken. Daarnaast zijn partijen een regeling overeengekomen met betrekking tot de vakanties en de feestdagen.

3.4

Bij inleidend verzoekschrift van 2 oktober 2014, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 3 oktober 2014, heeft de moeder de rechtbank verzocht om haar toestemming te verlenen om per 1 januari 2015 met [de minderjarige] te verhuizen naar [B] en om [de minderjarige] per 1 januari 2015 in te schrijven op een school in [B].

3.5

Bij verweerschrift van 17 november 2014 heeft de vader verweer gevoerd en zelfstandig verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen, met dien verstande dat [de minderjarige] met ingang van de datum van de beschikking zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader.

3.6

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de verzoeken van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing per 1 januari 2015 met [de minderjarige] naar [B] en inschrijving van [de minderjarige] per die datum op een school in [B] afgewezen. De rechtbank heeft voorts de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] gewijzigd en bepaald dat [de minderjarige] met ingang van de datum van de beschikking zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft.

4 De vaststaande feiten

4.1

Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De belangen van de minderjarige dienen hierbij een eerste overweging te vormen. Conform vaste rechtspraak dient de rechter echter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

4.2

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige en een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

4.3

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder tot het verlenen van toestemming om met [de minderjarige] naar [B] te verwijzen en hem in te schrijven op een school in [B] dient te worden afgewezen.

4.4

Het hof onderschrijft de motivering van de rechtbank en maakt de overwegingen van de rechtbank, na eigen onderzoek, tot de zijne.

4.5

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat verhuizing van de moeder en [de minderjarige] naar [A] zal resulteren in een onaanvaardbare beperking in de aard van het contact tussen de vader en [de minderjarige]. Zoals de vader terecht naar voren heeft gebracht zal zijn rol in [de minderjarige] sociale leven aanzienlijk kleiner worden als [de minderjarige] naar [B] verhuist. Gelet op de afspraken die partijen in hun ouderschapsplan hebben gemaakt, waarin expliciet is opgenomen dat zowel de vader als de moeder in [A] woonachtig zal blijven, en waarbij een uitgebreide zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader is vastgesteld, acht het hof deze beperking in de aard van het contact tussen de vader en [de minderjarige] niet aanvaardbaar. Dit valt naar het oordeel van het hof niet te compenseren door [de minderjarige] in [A] te laten sporten, zoals de moeder heeft voorgesteld. Het hof neemt bij dit oordeel ook in aanmerking dat de vader is verhuisd naar een woning in de buurt van de woning van de moeder, om op een goede wijze uitvoering te kunnen geven aan de huidige uitgebreide zorgregeling en dat hij, zoals onbetwist is gesteld, zijn werk hier ook op heeft aangepast.

4.6

De moeder is van mening dat de huidige uitgebreide zorgregeling in stand kan blijven als zij met [de minderjarige] naar [B] verhuist en heeft aangeboden om [de minderjarige] op de donderdag en vrijdag in de oneven weken uit school bij de vader te brengen. Het hof is evenwel van oordeel dat [de minderjarige], gelet op zijn jonge leeftijd en het feit dat hij, zoals uit de stukken blijkt, een sensitief, gevoelig jongetje is, te veel wordt belast als hij op de schooldagen dat hij bij de vader verblijft twee keer per dag de reisafstand tussen [A] en [B] dient te overbruggen. Dat er uitspraken van gerechten zijn waarin een reisafstand die vergelijkbaar is met - of zelfs (aanzienlijk) groter dan - die tussen [A] en [B] wel aanvaardbaar is geacht doet hier niet aan af, nu het onderhavige oordeel van het hof is gebaseerd op de specifieke omstandigheden van dit geval. Ter zitting is gebleken dat partijen op goede wijze invulling geven aan de huidige uitgebreide zorgregeling. Er zijn geen ruzies in bijzijn van [de minderjarige], tijdens de overdrachtsmomenten voeren partijen kort overleg en daarbuiten communiceren zij met elkaar via "What's App", bijvoorbeeld als [de minderjarige] ziek is. Het hof acht behoud van deze uitgebreide zorgregeling daarom in [de minderjarige] belang, hetgeen bij verhuizing van de moeder en [de minderjarige] naar [B] vanwege de reisafstand niet mogelijk is.

4.7

Bij zijn oordeel neemt het hof voorts in aanmerking dat de moeder pas sinds mei 2014 een relatie heeft met haar huidige partner en dat gelet op deze korte duur nog niet kan worden gesproken van een duurzame bestendige relatie, daarbij ook in aanmerking genomen het feit dat de vorige relatie van de moeder, met [C], na ruim een jaar is stukgelopen.

4.8

Tevens zijn naar het oordeel van het hof eventuele alternatieven voor een verhuizing van de moeder met [de minderjarige] naar [B], door de moeder onvoldoende onderzocht.

De huidige partner van de moeder werkt in het ziekenhuis te [D]. In verband met zijn beschikbaarheidsdiensten moet hij een aantal keren per jaar binnen een door zijn werkgever vastgestelde tijd van twintig minuten in het ziekenhuis kunnen zijn, waardoor het voor hem geen optie is naar de moeder in [A] te verhuizen. De moeder stelt dat het mede daardoor voor haar noodzakelijk is om naar [B] te verhuizen.

Naar het oordeel van het hof is door de moeder (en haar huidige partner) onvoldoende gekeken naar de mogelijkheden om invulling te geven aan deze bereikbaarheidsdiensten vanuit een andere woon/verblijfplaats dan [B].

4.9

Tenslotte snijdt het argument van de moeder dat het mede voor haar noodzakelijk is om te verhuizen naar haar partner in [B] in verband met het feit dat zijn 4-jarig dochtertje daar ieder weekend in de haar vertrouwde omgeving kan verblijven, geen hout, nu een soortgelijk argument opgaat voor het niet verhuizen van [de minderjarige] uit [A]. Zoals hiervoor al vermeld is [de minderjarige] een bovengemiddeld sensitief kind dat gebaat is bij behoud van het opgroeien in een voor hem vertrouwde omgeving, in casu [A].

4.10

De overige door de moeder aangevoerde aspecten, waaronder haar beschikbaarheid, haar economische belangen en de geboden compensatie maken het oordeel van het hof niet anders.

4.11

Op grond van het vorenstaande zal het hof het verzoek van de moeder tot het verlenen van toestemming om met [de minderjarige] naar [B] te verhuizen en hem in te schrijven op een school in [B] afwijzen.

4.12

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader. Het hof maakt de overwegingen van de rechtbank, na eigen onderzoek, tot de zijne.

De slotsom

4.13

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 24 december 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. I.A. Vermeulen en mr. H.J. de Ruijter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 juni 2015 in bijzijn van de griffier.