Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4895

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
200.165.937-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De arbeidsongeschiktheid van de werknemer is het gevolg van deels een lichte beroerte en deels een conflict met een collega. De werkgever nodigt na enige tijd werknemer uit voor een gesprek over de re-integratie. Volgens de werkgever heeft de werknemer hem tijdens dat gesprek geslagen. De werknemer wordt op staande voet ontslagen en de werkgever doet aangifte wegens mishandeling. Nadat de officier van justitie bericht dat hij de werknemer niet voor eenvoudige mishandeling zal vervolgen vanwege de betrekkelijk geringe aard en omvang van de beweerdelijke mishandeling, komt de werknemer in kort geding op tegen het ontslag op staande voet en vordert doorbetaling van loon. De werkgever dient bij de kantonrechter een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in. De kantonrechter oordeelt in kort geding dat de werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer heeft geslagen en dat naar de inschatting van de kantonrechter het ontslag op staande voet in de bodemprocedure stand zal houden. Het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, omdat de kantonrechter bij de beoordeling van dat verzoek wegdenkt dat de werknemer heeft geslagen en van mening is dat van de werkgever kan worden verlangd de verhoudingen te normaliseren. De werknemer komt in hoger beroep van het kort geding vonnis. Ook het hof is van oordeel dat de werkgever in kort geding voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer de werkgever heeft geslagen. Voor nadere bewijslevering is in kort geding geen plaats. Het is aan de bodemrechter te oordelen of gelet op de betwisting door de werknemer de werkgever, op wie de stelplicht en de bewijslast rust, verder bewijslevering dient te worden opgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1445

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.165.937/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3646686 \ CV EXPL 14-14031)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 30 juni 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J. Keizer, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde], h.o.d.n. Grieks Restaurant [X],

wonende en zaakdoende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.A. Sikkes, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 april 2015 hier over.

1 Het verder verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van de procedure is als volgt. Op 20 mei 2015 is de bij tussenarrest van 21 april 2015 gelaste comparitie van partijen gehouden, waarbij partijen – de advocaat van [appellant] mede aan de hand van comparitie aantekeningen – vragen van de raadsheer-commissaris hebben beantwoord en hun standpunten verder hebben toegelicht. Voorts is akte verleend voor de door [appellant] vooraf toegezonden productie. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2

Na afloop van de zitting hebben beide partijen het hof verzocht het wijzen van arrest in verband met schikkingsonderhandelingen aan te houden, waarna de zaak naar de rol van
9 juni 2015 is verwezen voor uitlating door partijen. Partijen hebben bericht dat geen schikking is bereikt, waarna het hof op basis van de overgelegde procesdossiers, aangevuld met het proces-verbaal van de zitting van 20 mei 2015 en de tijdig voor die zitting door [appellant] toegezonden productie, arrest heeft bepaald.

2 De feiten

2.1

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten onder 2.1 tot en met 2.12 van het vonnis, waarvan beroep, is geen grief gericht. Samen met wat in hoger beroep tussen partijen is komen vast te staan, mede gelet op de inhoud van de overgelegde en niet betwiste stukken, komen de feiten op het volgende neer.

2.2

[geïntimeerde] is eigenaar van de eenmanszaak genaamd ‘Grieks restaurant [X]’ (hierna: het restaurant).

2.3

[appellant] (geboren op 29 mei 1951) is op 11 april 2005 op basis van een uitzendovereenkomst bij [geïntimeerde] als kok gaan werken. Op 30 mei 2007 is [geïntimeerde] met [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan. Volgens de schriftelijke arbeidsovereenkomst is de functie van [appellant] keukenmedewerker. De CAO voor horeca- en aanverwante bedrijven is van overeenkomstige toepassing verklaard. Het laatst genoten salaris bedraagt € 1.997,20 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.4

In januari 2014 is bij [geïntimeerde] een nieuwe kok, [kok 1], in dienst getreden. Nadat deze kok door [appellant] was ingewerkt, ontstonden er tussen [kok 1] en [appellant] problemen.

2.5

In april 2014 krijgt [appellant] een lichte beroerte als gevolg waarvan hij per
29 april 2014 volledig arbeidsongeschikt is geraakt.

2.6

[geïntimeerde] zendt [appellant] bij e-mail van 5 mei 2014 een vaststellingsovereenkomst strekkende tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. [appellant] heeft deze vaststellingsovereenkomst niet ondertekend.

2.7

In mei 2014 is ArboNed met de verzuimbegeleiding gestart. [appellant] is op het spreekuur van de bedrijfsarts van 3 juni 2014 verschenen. De bedrijfsarts heeft een probleemanalyse met advies opgesteld die aan partijen is toegezonden. De bedrijfsarts constateert dat er naast medische beperkingen sprake is van een arbeidsconflict. [geïntimeerde] wordt erop gewezen dat hij samen met [appellant] een plan van aanpak heeft op te stellen, waarin de activiteiten worden beschreven voor het re-integreren van [appellant].

2.8

Op 1 juli 2014 geeft de bedrijfsarts aan dat [geïntimeerde] en [appellant] de werkgerelateerde problematiek hebben te bespreken en daarvoor oplossingen hebben aan te dragen. Op
19 augustus 2014 volgt het advies voor [appellant] een trainingstraject met begeleiding te starten. Een verwijzing naar De Gezonde Zaak wordt door de bedrijfsarts in gang gezet, maar de offerte is blijkens de rapportage van de bedrijfsarts van 29 september 2014 niet door [geïntimeerde] getekend.

2.9

[appellant] wijst [geïntimeerde] bij aangetekende brief van 17 september 2014 erop dat zijn loon over de maand augustus 2014 nog niet is uitbetaald en verzoekt [geïntimeerde] dit alsnog binnen 7 dagen te doen.

2.10

[geïntimeerde] antwoordt bij brief van 21 september 2014 dat vanwege nieuwe software voor de loonadministratie vertraging was opgetreden in de uitbetaling van het loon en dat het loon inmiddels was uitbetaald. Voorts nodigt [geïntimeerde] [appellant] uit voor een gesprek in het restaurant op 25 september 2014 om de mogelijkheden van re-integratie te bespreken en een plan van aanpak op te stellen. [appellant] wordt verzocht de geleende spullen mee te nemen, waaronder de Griekse gitaar Bouzouki met koffer.

2.11

[appellant] gaat op de uitnodiging van [geïntimeerde] in en spreekt op 25 september 2014 in het restaurant met [geïntimeerde]. Op dat moment waren in het restaurant enkele personeelsleden (waaronder de weer in dienst getreden kok [kok 2]) en twee klanten, [klant 1] (hierna: [klant 1]) en [klant 2] (hierna: [klant 2]), aanwezig.

2.12

[geïntimeerde] bericht [appellant] bij brief van zijn toenmalige gemachtigde van
26 september 2014 dat aan hem onverwijld ontslag op staande voet wordt gegeven, omdat hij tijdens het gesprek op 25 september 2014 [geïntimeerde] in het gezicht heeft geslagen.

2.13

[appellant] wendt zich tot een gemachtigde die bij e-mail van 30 september 2014 [geïntimeerde] laat weten zich eerst met [appellant] over de ontstane situatie te willen beraden.

2.14

Op 1 oktober 2014 doet [geïntimeerde] tegen [appellant] aangifte van eenvoudige mishandeling. In ieder geval [appellant] is naar aanleiding van deze aangifte door de politie gehoord. De officier van justitie bericht [appellant] bij brief van 24 oktober 2014 dat hij hem niet verder voor de eenvoudige mishandeling zal vervolgen. Als reden wordt opgegeven dat het een feit van betrekkelijk geringe aard/omvang betreft.

2.15

[appellant] bericht [geïntimeerde] bij e-mail van zijn gemachtigde van 27 oktober 2014 dat van een valse beschuldiging sprake is geweest. In de e-mail van 13 november 2014 neemt [appellant] het standpunt in dat de arbeidsovereenkomst is blijven bestaan en het salaris aan hem moet worden uitbetaald. Ook wordt [geïntimeerde] uitgenodigd de consulten met de bedrijfsarts te laten hervatten.

2.16

Bij brief van 25 november 2014 bericht de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] dat [appellant] ontkent dat hij [geïntimeerde] tijdens het gesprek op 25 september 2014 heeft geslagen en dat hij zich op het standpunt stelt dat sprake is van een vernietigbaar ontslag. Voorts wordt [geïntimeerde] gesommeerd om het loon van [appellant] over de maanden september, oktober en november 2014 uit te betalen. [geïntimeerde] geeft aan deze sommatie geen gevolg.

2.17

[geïntimeerde] dient op 3 december 2014 bij de kantonrechter in Leeuwarden een voorwaardelijk - voorzover de arbeidsovereenkomst niet reeds door het ontslag op staande voet is geëindigd - verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in. Aan het verzoek legt [geïntimeerde] primair een dringende reden en subsidiair verandering in de omstandigheden ten grondslag. De kantonrechter wijst bij beschikking van 27 januari 2015, dezelfde dag waarop het bestreden vonnis in kort geding is gewezen, het verzoek van [geïntimeerde] af. De kantonrechter overweegt daartoe:

4.3 Met betrekking tot de primaire grondslag van het verzoek, de dringende reden, overweegt de kantonrechter het volgende. Nu de kantonrechter bij de beoordeling van het verzoek uit moet gaan van de situatie dat [appellant] [geïntimeerde] niet heeft geslagen en dat derhalve geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, kan diezelfde gestelde dringende reden evenmin grond opleveren voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter zal het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding dan ook niet op de primaire grondslag toewijzen.

4.4

Ten aanzien van de subsidiaire grondslag van het verzoek, de verandering van omstandigheden, overweegt de kantonrechter als volgt. De gestelde verandering van omstandigheden, zijnde de vertrouwensbreuk, is gebaseerd op de stelling dat [appellant] [geïntimeerde] zou hebben geslagen, terwijl de kantonrechter bij de beoordeling van het verzoek ervan uit moet gaan dat dat niet is gebeurd. De klap kan dan ook niet worden aangemerkt als de grond voor de vertrouwensbreuk. Voor zover de verhouding tussen partijen mogelijk is verslechterd als gevolg van het feit dat [geïntimeerde] [appellant] ervan heeft beschuldigd hem te hebben geslagen, overweegt de kantonrechter dat van [geïntimeerde] als werkgever inspanningen mogen worden verwacht om de verhoudingen te herstellen en aan herstel van vertrouwen te werken. Indien ten gevolge van de beschuldiging van het geven van een klap en het gegeven ontslag op staande voet de verhouding tussen partijen is verslechterd, dient [geïntimeerde] hiervan in beginsel ook zelf de gevolgen te dragen in de vorm van voortzetting van het dienstverband met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarom onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen. Het verzoek van [geïntimeerde] zal derhalve worden afgewezen.

2.18

Bij dagvaarding van 7 mei 2015 betrekt [appellant] [geïntimeerde] in een bodemprocedure en vordert [geïntimeerde] te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 26 september 2014, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente, en € 1.074,02 incl. btw aan buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in kort geding de vordering van [appellant] tot doorbetaling van loon vanaf 26 september 2014 afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat hij voldoende aannemelijk acht dat [appellant] [geïntimeerde] op
25 september 2014 heeft geslagen en dat, naar hij verwacht, in een bodemprocedure bij afweging van deze omstandigheid en de overige omstandigheden van het geval zal worden geoordeeld dat sprake is van een dringende reden voor ontslag als bedoeld in
artikel 7:677 BW zodat het ontslag op staande voet in stand zal blijven.

[appellant] is van het vonnis in (spoed) appel gekomen en heeft daartegen acht grieven geformuleerd (twee van de tot en met 7 genummerde grieven zijn kennelijk per abuis met een 6 genummerd). Met deze grieven ligt het gehele geschil ter beoordeling van het hof voor.

3.2

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding gevorderde voorziening, hetzij na toewijzing hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (ECLI:NL:HR:2002:AE3437 en ECLI:NL:HR:2002:AE4553). Het hof acht, mede gezien de aard van de door [appellant] gevorderde voorziening, voldoende aannemelijk dat hij (nog steeds) een spoedeisend belang bij die voorziening heeft.

3.3

[appellant] vecht in de bodemprocedure het aan hem gegeven ontslag op staande voet aan. In kort geding heeft [appellant] vooruitlopend op de beslissing in die bodemprocedure doorbetaling van loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, gevorderd. Het hof dient in het kader van het kort geding te beoordelen of zozeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal beslissen dat het ontslag op staande voet nietig is, dat op die beslissing met toewijzing van de vordering tot doorbetaling van loon kan worden vooruitgelopen.

Het hof stelt voorop dat voor de toets of de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde reden als dringend in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW heeft te gelden, alle omstandigheden van het geval dienen te worden afgewogen. Daarbij mag niet alleen worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem kunnen hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (ECLI:NL:HR:2000:AA4436 en ECLI:NL:HR:2012:BV9532).

De bewijslast van de opgegeven dringende reden rust in de bodemprocedure op [geïntimeerde] als werkgever.

3.4

[geïntimeerde] heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd, dat [appellant] hem tijdens het gesprek in het restaurant op 25 september 2014 heeft geslagen. Ter ondersteuning heeft [geïntimeerde] overgelegd een op 25 september 2014 gemaakte selfie, waarin striemen op zijn kaak en nek zijn te zien, de aangifte d.d. 1 oktober 2014, de handgeschreven getuigenverklaring van [klant 1] d.d. 4 januari 2015 en de vanaf het e-mailadres van [klant 1] verzonden e-mail van 19 maart 2015 waarin een getuigenverklaring van [klant 2] is opgenomen. Volgens [geïntimeerde] is de selfie een half uur na het incident genomen.

3.5

Ter toelichting heeft [geïntimeerde] het navolgende aangevoerd. Voor de exploitatie van het restaurant maakt [geïntimeerde] gebruik van twee koks. In 2013 waren dat [kok 2] en [appellant]. Toen eind 2013 [kok 2] vertrok, is [kok 1] voor hem in de plaats gekomen. Na terugkeer van vakantie heeft [appellant] aan [geïntimeerde] gemeld dat hij gezien zijn leeftijd (toen 62 jaar) met behoud van een uitkering met werken wil stoppen. [geïntimeerde] was bereid de mogelijkheden hiervoor te onderzoeken en heeft in maart 2014 zijn rechtsbijstandverzekeraar voor advies benaderd. Van de rechtsbijstandverzekeraar heeft hij een concept-vaststellingsovereenkomst met aandachtspunten ontvangen. Het is er niet meer van gekomen die aandachtspunten met [appellant] te bespreken. [appellant] kreeg een beroerte en viel ziek uit. Daarna liet [appellant] weten dat hij graag over de concept-vaststellingsovereenkomst wilde beschikken om met zijn juridisch adviseur te bespreken, zodat de vaststellingsovereenkomst ondertekend kon worden nadat [appellant] was hersteld. [geïntimeerde] heeft daarop in mei de concept-vaststellingsovereenkomst per e-mail toegezonden.

Vanwege de arbeidsongeschiktheid van [appellant] heeft [geïntimeerde] in augustus 2014 [kok 2] als tweede kok weer aangetrokken.

Van de bedrijfsarts had [geïntimeerde] een re-integratie gesprek met [appellant] te voeren. Hij heeft [appellant] daarvoor uitgenodigd op donderdagavond 25 september 2014 te 21.00 uur. Zoals verwacht waren op dat tijdstip de meeste gasten vertrokken. Alleen [klant 1] en zijn vriendin [klant 2] waren nog aanwezig. [geïntimeerde] is met [appellant] in een wat achteraf gelegen gedeelte van het restaurant gaan zitten, waarna zij in het Grieks met elkaar hebben gesproken. [appellant] vertelde [geïntimeerde] dat hij nog steeds problemen met [kok 1] had en niet met hem wilde werken. [geïntimeerde] moest tussen hen kiezen. Dat wilde [geïntimeerde] niet, waarna [appellant] hem een klap heeft gegeven. Dit is gezien door [klant 1] en [klant 2]. [klant 1] had zicht op de tafel waaraan [geïntimeerde] en [appellant] zaten. [klant 2] zat er met de rug naar toe. [klant 2] hoorde dat het gesprek in een andere taal dan Nederlands was en dat het gesprek steeds luidruchtiger werd. [klant 1] heeft gezien dat [appellant] [geïntimeerde] een klap gaf. [klant 2] niet, zij hoorde dat van [klant 1].

Nadat [appellant] de klap had gegeven is hij vertrokken. Mogelijk heeft [appellant] bij het weggaan [kok 2] nog gegroet. [geïntimeerde] is naar zijn klanten [klant 1] en [klant 2] gegaan en heeft zijn verontschuldigingen aangeboden. [klant 2] en [klant 1] hebben [geïntimeerde] toen gemeld dat het gedrag van [appellant] niet normaal was en hebben hun adresgegevens achtergelaten met de mededeling dat hij hen mocht benaderen voor het afleggen van een verklaring. [geïntimeerde] heeft daar later gebruik van gemaakt.

Dezelfde avond heeft [geïntimeerde] de politie gebeld, maar nog geen aangifte gedaan. Na een nachtje te hebben geslapen, heeft hij de volgende dag weer naar de politie gebeld en een afspraak voor het doen van aangifte gemaakt. Ook heeft hij zijn rechtsbijstandverzekeraar over het ernstige incident geïnformeerd, waarna de ontslagbrief is verzonden.

[geïntimeerde] voert aan dat hij bij [appellant] nimmer op beëindiging van het dienstverband heeft aangedrongen. De beweringen van [appellant], dat er financiële redenen voor het ontslag zouden zijn, dat hij [kok 1] als kok ter vervanging van [appellant] had aangetrokken en dat hij de getuige [klant 1] kent, zijn niet waar. [geïntimeerde] is bij Delta Lloyd voor arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers verzekerd en [kok 1] kwam als tweede kok naast [appellant] en genoot hetzelfde salaris als [appellant]. Met [klant 1] is [geïntimeerde] niet bevriend. Voorts wijst [geïntimeerde] erop dat [appellant] eerder een collega op de werkvloer heeft mishandeld, waarvoor hij als werkgever aansprakelijk is gesteld. Tot slot wijst [geïntimeerde] erop dat [appellant] pas na twee maanden bezwaar tegen het ontslag op staande voet heeft gemaakt.

3.6

[appellant] betwist dat hij [geïntimeerde] heeft geslagen. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] het gesprek op 25 september 2014 in scene gezet om met een truc zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen. [appellant] vermoedt dat [geïntimeerde] voor de doorbetaling van het loon niet is verzekerd en dat [geïntimeerde] de kosten van ArboNed heeft te dragen. Bovendien had [geïntimeerde] met [kok 1] een nieuwe kok aangetrokken die ongetwijfeld goedkoper is dan hij. [appellant] houdt het ervoor dat hij een kostenpost is van wie [geïntimeerde] af wilde.

De gang van zaken is volgens [appellant] als volgt geweest. [geïntimeerde] heeft eind 2013/begin 2014 een nieuwe kok, [kok 1], aangetrokken. Tussen [appellant] en [kok 1] ontstonden problemen waarvoor [appellant] bij [geïntimeerde] aandacht heeft gevraagd. [geïntimeerde] vond dat [appellant] die problemen zelf moest oplossen of anders moest vertrekken. Aan conflictoplossing heeft [geïntimeerde] niet gedaan. Dit gaf bij [appellant] spanningen, waarna hij in april een lichte beroerte kreeg. Ruim een week nadat hij ziek was, kwam [geïntimeerde] bij hem thuis langs met een vaststellingsovereenkomst en verzocht hem die vaststellingsovereenkomst te tekenen. [geïntimeerde] heeft daarbij druk uitgeoefend, maar [appellant] heeft daaraan weerstand geboden. Vervolgens is [appellant] op een ongewoon tijdstip in de avond uitgenodigd voor een gesprek in het restaurant. Opnieuw wilde [geïntimeerde] dat [appellant] instemde met een beëindiging van het dienstverband, maar [appellant] wilde zijn werk weer hervatten als hij beter was. Aan het einde van het gesprek is nog over de privé situatie van [geïntimeerde] gesproken en hebben zij met een handdruk van elkaar afscheid genomen. Bij het weggaan heeft [appellant] [kok 2] nog begroet en ongeveer 7 minuten met hem gesproken.

De volgende dag kwam het bericht dat hij [geïntimeerde] zou hebben geslagen. Dat is een verzonnen verhaal om van hem af te komen. [geïntimeerde] heeft een en ander in scene gezet. Hij heeft [klant 2] en [klant 1], die [geïntimeerde] goed kent, in het restaurant gelaten en het tafeltje waaraan zij zaten gekozen zodat [klant 1] als getuige zou kunnen optreden.

3.7

Het hof is voorshands van oordeel dat [geïntimeerde] met het overleggen van de selfie, de schriftelijke getuigenverklaringen van [klant 1] en [klant 2] en de aangifte voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] hem heeft geslagen. Het hof weegt daarin mee dat, anders dan [appellant] stelt, het gelet op de breedte van de tafel en de aard van de verwonding zeer wel mogelijk is dat [appellant], licht opverend van zijn stoel, [geïntimeerde] een klap heeft uitgedeeld.

Het hof voegt daaraan toe dat de aard van de kort geding procedure zich verzet tegen verdere bewijslevering door onder meer het horen van getuigen, zodat de door beide partijen gedane bewijsaanbiedingen worden gepasseerd. Het is aan de rechter in de bodemprocedure te oordelen of, gelet op de betwisting door [appellant], [geïntimeerde] (op wie de stelplicht en de bewijslast rust) verdere bewijslevering, waaronder het horen van getuigen, dient te worden opgedragen. Alsdan kunnen ook de verdere omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd over de geloofwaardigheid van de verklaringen van [geïntimeerde] en [klant 1] worden afgewogen.

Grief 5 slaagt daardoor niet. Grief 6, waarin [appellant] opkomt tegen de beslissing van de kantonrechter dat niet is gebleken dat het ontslag op staande voet verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [appellant], slaagt evenmin. In dit kort geding heeft het hof immers uit te gaan van de voor het ontslag op staande voet opgegeven grond: de door hem aan [geïntimeerde] gegeven klap.

[appellant] heeft zijn stelling dat [klant 1] met [geïntimeerde] een vriendschappelijke relatie heeft, zodat getwijfeld moet worden aan de juistheid van diens verklaring, niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Afgezien daarvan is, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, met vriendschap nog niet gegeven dat een valse verklaring is afgelegd. Dit betekent dat ook grief 2 faalt.

[appellant] heeft aangevoerd dat uit de omstandigheid dat hij, na afloop van het gesprek met [geïntimeerde], nog ongeveer 7 minuten met [kok 2] in het restaurant heeft gesproken blijkt, dat het onaannemelijk is dat hij daarvoor [geïntimeerde] heeft geslagen. Daargelaten de vraag of die omstandigheid tot de door [appellant] getrokken conclusie leidt, kan uit het door [appellant] overgelegde transcript van het telefoongesprek, dat hij met [kok 2] op 5 januari 2015 heeft gevoerd, niet worden afgeleid dat het gesprek de door [appellant] gestelde duur heeft gehad. Uit dat gesprek blijkt vooral dat [kok 2] heeft gezien dat [appellant] die avond met [geïntimeerde] heeft gesproken, dat [kok 2] bij het weggaan van [appellant] vanuit de keuken naar de bar liep om een drankje te halen, dat hij niet heeft gezien of [appellant] al dan niet een klap aan [geïntimeerde] heeft gegeven en dat [appellant] [kok 2] bij het weggaan heeft gegroet waarna [kok 2] weer naar de keuken is gegaan. Dit betekent dat de grieven 3 en 4 falen.

Op zichzelf voert [appellant] met grief 1 terecht aan dat niet is overgelegd de verklaring die [klant 1] bij de politie heeft afgegeven, zodat ook niet kan worden geconcludeerd dat die verklaring met de overgelegde schriftelijke verklaring overeenstemt. Dit leidt er echter niet toe dat daarmee op grond van de overgelegde bewijsmiddelen voorshands onaannemelijk is geworden dat [appellant] aan [geïntimeerde] een klap heeft gegeven.

3.8

Het hof is voorshands van oordeel dat het slaan van de werkgever op zichzelf een ernstig verwijt is. Het hof betrekt in zijn overwegingen dat [appellant] ten tijde van het ontslag ruim 9 jaar voor [geïntimeerde] werkzaam was en dat hij in die periode naar behoren heeft gefunctioneerd. Voorts zal het ontslag op staande voet voor de inmiddels 64-jarige [appellant] persoonlijk tot gevolg hebben dat hij is aangewezen op een uitkering die belangrijk lager is dan zijn salaris, terwijl mede gezien zijn leeftijd, beperkte kennis van de Nederlandse taal en kennelijk zijn beperkte opleiding geen reëel uitzicht op ander werk bestaat. Het hof is voorshands van oordeel dat ondanks deze gebleken persoonlijke omstandigheden van [appellant] de aard en de ernst van de aan hem verweten gedraging zodanig is dat, indien deze gedraging in een bodemprocedure komt vast te staan, het niet zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter het ontslag op staande voet nietig zal verklaren.

3.9

Hiervoor heeft het hof meegewogen de leeftijd van [appellant] en zijn slechte kansen op de arbeidsmarkt, zodat [appellant] bij (de tweede) grief 6 geen belang meer heeft. Grief 7 heeft geen zelfstandige betekenis (meer) en wordt verworpen.

4. Slotsom

Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven falen. De uitspraak van de kantonrechter wordt bekrachtigd. Bij deze uitkomst van de procedure wordt [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld (tariefgroep II).

5 De beslissing

Het hof:

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 27 januari 2015;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het appel en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 311,- aan verschotten en op € 1.788,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. J.H. Kuiper en mr. M.E.L. Fikkers en is door de rolrechter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 juni 2015.