Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4875

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
21-002305-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:1960, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1397, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak Hoendiep. Gekwalificeerde doodslag op echtpaar uit Aduard. Bevestiging van het vonnis van de rechtbank met aanvulling en verbetering van de gronden voor wat betreft de bewezenverklaring. Vernietiging van dat vonnis voor wat betreft de strafoplegging omdat het hof een zwaardere straf passend en geboden acht. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren, het maximum dat de rechter ingeval van een tijdelijke gevangenisstraf kan opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002305-14

Uitspraak d.d.: 1 juli 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 april 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-850193-13 en 18-830026-14, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in PI Rijnmond - HvB De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 3 juli 2014 en 17 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, veroordeling van verdachte ter zake van het in parketnummer 18-850193-13 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde, dan wel de veroordeling van verdachte ter zake van het in parketnummer 18-850193-13 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en het in parketnummer 18-830026-14 onder primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 17.469,98, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. P.T. Huisman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bevestiging ter zake van de bewezenverklaring en de daarbij behorende overwegingen

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep ter zake van de bewezenverklaring, de daarbij behorende overwegingen, de kwalificatie en de overwegingen omtrent de strafbaarheid en zal het vonnis met aanvulling en verbetering van gronden op deze punten bevestigen.

Vrijspraak van het in parketnummer 18-850193-13 onder 1 primair en 2 primair: moord

Voorgaande houdt onder meer in dat het hof – met de rechtbank – van oordeel is dat met betrekking tot het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde – kortgezegd de ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ niet bewezen kan worden en dat verdachte derhalve van deze feiten vrijgesproken dient te worden. Het hof sluit zich in dit kader volledig aan bij de door de rechtbank op pagina 17, 18 en 19 in het vonnis hieromtrent opgenomen overwegingen.

Het hof realiseert zich dat voor de nabestaanden van het echtpaar [slachtoffers], maar ook voor anderen die juridisch niet ingewijd zijn, hetgeen overwogen is omtrent ‘voorbedachte raad’ een technische kwestie kan lijken. Voor de nabestaanden geldt namelijk dat het echtpaar [slachtoffers] ‘vermoord’ is. Naar dagelijks spraakgebruik is dat zo.

Echter, de beslissing of verdachtes handelen in juridische zin als ‘moord’ of als ‘gekwalificeerde doodslag’ (zoals onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste is gelegd en bewezen is verklaard) is te kwalificeren vergt een zorgvuldige afweging van bewijsmateriaal en toetsing aan kaders zoals die in de wet en rechtspraak van de Hoge Raad zijn vastgelegd. Voor het bewijs van ‘voorbedachte raad’ gelden strenge bewijs- en motiveringseisen, zoals de rechtbank in haar vonnis gemotiveerd heeft weergegeven.

Overigens acht de wetgever de bewezen verklaarde ‘gekwalificeerde doodslag’ een even zwaar en even ernstig feit als ‘moord’, nu de maximale op te leggen straf voor beide strafbare feiten gelijk is; op beide staat een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke maximum gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren.

Vernietiging ter zake van de strafoplegging en strafmotivering

Voor wat betreft de aan verdachte opgelegde sancties en de motivering daarvan zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en zal in zoverre opnieuw recht worden gedaan.

Nadere overwegingen ten aanzien van de verweren in hoger beroep

Het hof begrijpt de pleitnota van de raadsman onder 4 aldus dat volgens hem sprake is geweest van vormverzuimen in het vooronderzoek. Daardoor is niet voldaan aan de vereisten van een ‘fair trial’ in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering verbindt hieraan aldus de verdediging conclusies. De verdediging constateert de navolgende vormverzuimen:

 Aanvankelijk zou er dossierinformatie, niet alleen qua inhoud, maar ook qua aard en strekking daarvan, langdurig door het openbaar ministerie voor de verdediging zijn achtergehouden.

 Er zou sprake zijn geweest van contaminatie bij het NFI. De rechtbank wist hier niets van. Daarbij komt dat de brief van de officier van justitie aan de rechter-commissaris d.d. 22 augustus 2013 in het dossier van de rechtbank heeft ontbroken, alsmede het NFI rapport met betrekking tot het onderzoek in de zaak Haarlem. Hierdoor is de behandeling in eerste aanleg niet volledig geweest en is een instantie verloren gegaan.

 Bij het openbaar ministerie is van het begin af aan sprake geweest van tunnelvisie.

 Er is geen sprake geweest van ‘equality of arms’. Zowel bij het openbaar ministerie als bij de rechter-commissaris heeft een gebrek aan bereidheid, dan wel duidelijke onwil bestaan om à décharge onderzoek uit te voeren. Als voorbeelden noemt de raadsman de hardnekkige weigering tot het uitvoeren van een bloedspoorpatroonanalyse, een fotoconfrontatie en het onderzoek naar de brandweerlieden.

 Tijdens de verhoren van verdachte heeft de politie meerdere malen onbehoorlijk opgetreden. Er is suggestief doorgevraagd, er zijn onjuiste mededelingen gedaan over getuigenverklaringen die zouden zijn afgelegd en verdachte is met verkeerde feitelijkheden geconfronteerd. Als voorbeeld noemt de raadsman het bioscoopbezoek van verdachte.

Voorts heeft de raadsman de verklaringen van de zich in het dossier bevindende getuigen, in het bijzonder de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], in twijfel getrokken. Dit heeft hij in zijn pleitnota nader toegelicht.

Bepleit is dat de sporen op het touw niet als bewijs kunnen dienen nu dit ondeugdelijk bewijsmateriaal is en er sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek. Er is op het touw slechts een mengprofiel aangetroffen met DNA afkomstig van het echtpaar [slachtoffers] en mogelijk – via een aanname redenering – van verdachte en een vierde persoon. Het is onbekend wie de vierde persoon is geweest en het NFI concludeert slechts dat het DNA materiaal eventueel van verdachte kan zijn. Daarbij is sprake geweest van contaminatie bij het NFI. Het NFI kan aldus de raadsman niet uitsluiten dat het mengspoor op de touwen door contaminatie met DNA-materiaal van verdachte dat afkomstig is van andere in beslag genomen goederen is ontstaan.

Tevens is aangevoerd dat verdachte van meet af aan heeft ontkend iets te maken te hebben gehad met de dood van het echtpaar en dat hij geloof verdient in zijn ontkenning.

Tot slot heeft de raadsman gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte van plan was de boot van het echtpaar te stelen.

Het hof overweegt omtrent voornoemde verweren als volgt.

1. Vormverzuimen in het vooronderzoek

1.1

Algemeen

De raadsman doet een beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel luidt als volgt:

“Artikel 359a:

1.

De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;

b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;

c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is , indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

3.

Het vonnis bevat de beslissingen vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.”

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad1 volgt dat van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in voornoemd artikel, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in het tweede lid (‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’, ‘de ernst van het verzuim’ en ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’) wordt aangegeven tot welk in het eerste lid omschreven rechtsgevolg (strafvermindering, bewijsuitsluiting dan wel het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie) dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.

Het hof gaat hieronder nader in op de door de raadsman gevoerde verweren.

1.2.

Achterhouden van informatie / ‘equality of arms’

1.2.1.

De feiten omtrent het achterhouden van informatie

Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie bij brief van 8 maart 2013 de schriftelijke mededeling ex artikel 30, lid 3 en 4, van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte heeft gedaan dat kennisneming van bepaalde processtukken aan hem werden onthouden. Het bleek te gaan om de schouwverslagen en de sectiebevindingen van de beide slachtoffers. De raadsman heeft op 14 maart 2013 hiertegen een bezwaarschrift ingediend.
Dit bezwaarschrift is op 25 maart 2013 door de rechter-commissaris behandeld. Bij beslissing d.d. 29 maart 2013 heeft de rechter-commissaris het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.2.2.

De feiten omtrent ‘equality of arms’: de bloedspoorpatroonanalyse, de fotoconfrontatie en het onderzoek naar de brandweermannen

Uit het dossier blijkt dat de raadsman bij de rechter-commissaris kenbaar heeft gemaakt een bloedspoorpatroonanalyse, een fotoconfrontatie en nader onderzoek naar de brandweermannen op het terrein van [bedrijf 1] te wensen. Deze onderzoekswensen zijn op de regiezitting van de rechter-commissaris d.d. 26 augustus 2013 besproken. Uiteindelijk heeft de rechter-commissaris de verzoeken van de raadsman respectievelijk bij beslissing d.d. 23 september 2013 (bloedspoorpatroonanalyse) en 27 augustus 2013 (fotoconfrontatie en onderzoek naar de brandweermannen) afgewezen. Tegen deze beslissingen heeft de raadsman bezwaar aangetekend. Bij beschikking d.d. 24 september 2013 heeft de rechtbank het bezwaar ten aanzien van de fotoconfrontatie en het onderzoek naar de brandweermannen gegrond verklaard. Beide onderzoeken hebben plaatsgevonden. Bij beschikking d.d. 28 november 2013, nadat er correspondentie met het NFI omtrent de bloedspoorpatroonanalyse en een behandeling in raadkamer d.d. 28 november 2013 hebben plaatsgevonden, heeft de rechtbank ook het bezwaarschrift ten aanzien van de bloedspoorpatroonanalyse gegrond verklaard. Ook dit onderzoek heeft uiteindelijk plaatsgevonden.

1.2.3.

Concluderend

Het hof stelt vast dat zowel in het geval van het achterhouden van stukken, als in het geval van de door de verdediging gevraagde onderzoekswensen telkens de daarvoor bestaande wettelijke procedure gevolgd is. De raadsman heeft zijn verdedigingsrechten in die procedures kunnen uitoefenen.

Niet aannemelijk is geworden dat in dit proces het beginsel van ‘equality of arms’ is geschonden. Er is telkens in overeenstemming met de wet gehandeld waarbij de verdediging haar rechten heeft kunnen uitoefenen. Ook in hoger beroep is er op verzoek van de raadsman nog op meerdere punten nader onderzoek verricht en zijn er verschillende stukken aan het dossier toegevoegd. Conclusie is dat er in dit kader geen sprake is geweest van enig vormverzuim noch van schending van het recht op een eerlijk proces.

1.3

Onvolledige behandeling in eerste aanleg

Het hof stelt vast dat – los van de vraag óf sprake is van enig vormverzuim - hetgeen de raadsman in dit kader heeft aangevoerd noch vormverzuimen in het vooronderzoek noch onherstelbare vormverzuimen kan opleveren. Gelet hierop behoeft dit verweer geen nadere bespreking.

1.4

Tunnelvisie openbaar ministerie

Uit het dossier blijkt het hof dat het (politie)onderzoek van meet af aan breed is opgezet en open is geweest. Op het moment dat verdachte in beeld kwam, zijn alle door hem opgeworpen al dan niet ontlastende stellingen nader onderzocht. Tevens zijn in het onderzoek meerdere (andere) verdachten in beeld geweest.

De door de raadsman gestelde tunnelvisie is gelet op het voorgaande op geen enkele wijze vast komen te staan. Dit brengt met zich dat ook in dit kader geen onherstelbare vormverzuimen hebben plaatsgevonden.

1.5

Politieverhoren

De door de raadsman gestelde ‘onbehoorlijkheden’ van de politie tijdens de verhoren van verdachte zijn niet nader onderbouwd dan met een enkele verwijzing naar het politieonderzoek omtrent het bioscoopbezoek van verdachte. Het hof is ook uit het dossier niet gebleken van andere onbehoorlijkheden van de politie tijdens het onderzoek. Ook in dit kader is geen sprake geweest van enig onherstelbaar vormverzuim.

Met betrekking tot het bioscoopbezoek van verdachte stelt het hof nog vast dat verdachte op enig moment in zijn verhoren heeft verklaard dat hij op zondag 3 maart 2013 ’s middags naar de [bioscoop] te Groningen zou zijn geweest. Bij navraag door de politie bij een medewerker van de [bioscoop] werd medegedeeld dat de film welke verdachte stelde te hebben bezocht één maal op zondag 3 maart 2013 zou zijn vertoond en wel in de avond. Uit de camerabeelden van [bioscoop] van de avonduren bleek dat verdachte daarop niet te zien was. Verdachte is vervolgens door de politie met deze bevindingen geconfronteerd in één van zijn nadere verhoren. Verdachte bleef volharden in zijn stelling dat hij op die zondagmiddag naar de film was geweest. Naar aanleiding hiervan heeft nader onderzoek plaatsgevonden waaruit is gebleken dat de medewerker aanvankelijk aan de politie onjuiste informatie had verstrekt. Het bleek dat de film die verdachte had bezocht wel degelijk ook in de middag was vertoond en op die betreffende camerabeelden was verdachte ook te zien.

Uit het voorgaande trekt het hof, anders dan de verdediging, niet de conclusie dat de politie verdachte bewust met verkeerde feitelijkheden heeft geconfronteerd. Op het moment dat de politie de uitlatingen over de verkregen informatie van [bioscoop] deed, waren deze in die stand van het onderzoek juist. Zij heeft slechts de toen beschikbare bevindingen doorgegeven. Pas achteraf is komen vast te staan dat deze bevindingen onjuist waren. Overigens heeft de politie verdachte ook in kennis gesteld van deze nieuwe later ontvangen informatie.

2. Betrouwbaarheid getuigen [getuige 1] en [getuige 3]

Wat betreft de betrouwbaarheid van de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] sluit het hof zich aan bij de in het vonnis op blad 16, onderaan, weergegeven overwegingen van de rechtbank. Hetgeen in hoger beroep door de raadsman omtrent de onbetrouwbaarheid van [getuige 1] en [getuige 3] is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden noch noopt tot een andere conclusie dan die reeds door de rechtbank is getrokken; de verklaringen van beide getuigen zijn betrouwbaar en kunnen voor het bewijs gebruikt worden.

3. Betrouwbaarheid getuigen [getuige 2] en [getuige 4]

Anders dan de verdediging heeft bepleit, ziet het hof geen aanleiding om de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 4] als onbetrouwbaar aan te merken, noch deze uit te sluiten van het bewijs. [getuige 2] en [getuige 4] hebben hun verklaringen ten overstaan van de politie kort na het gebeurde afgelegd, zij hebben deze bij de rechter-commissaris op hoofdlijnen bevestigd en deze vinden bovendien op onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. [getuige 4] en
[getuige 3] hebben zich – nadat zij kennis hadden genomen van het nieuwsbericht over de vermissing van het echtpaar en de boot – onafhankelijk van elkaar bij de politie gemeld en hebben daar ieder voor zich een verklaring afgelegd.

4. DNA-sporen touw - contaminatie

4.1

Het DNA-spoor op het touw

4.1.1

De feiten omtrent het DNA-spoor op het touw

Uit het dossier blijkt dat de boot van het echtpaar [slachtoffers], de “[naam boot]”, op 5 en 7 maart 2013 is onderzocht op sporen. De landvast waarmee de boot aan stuurboord achterzijde om een boom en om een bolder lag vastgemaakt, is gefixeerd en veiliggesteld. Dit touw is vervolgens door het NFI op DNA-sporen onderzocht.

Hetgeen door de raadsman is aangevoerd is in zoverre juist, dat het klopt dat op het deel van het touw dat van achter de boom naar beneden liep waarbij een stuk onder de reling door naar het dek van de boot ging en het andere stuk naar de boomstronk, een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen is aangetroffen. Het betreft de bemonstering met SIN-nummer AAE8597NL, zoals weergegeven op de pagina’s 2118, 2198, 2363 en 2366 van het dossier. Dit spoor bevatte celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het echtpaar [slachtoffers], verdachte en minimaal één andere persoon. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is door het NFI niet berekend.

Echter, op een ander deel van het touw, het deel dat met een lus om de voorste bolder zat en over de reling omhoog naar de boom liep, is eveneens DNA aangetroffen. Dit betreft een onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal drie personen. Het bevatte celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het echtpaar [slachtoffers] en verdachte. De matchkans van dit DNA-profiel is wel berekend; de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.2

4.1.2.

Concluderend

Het hof zal slechts de resultaten van het DNA-onderzoek ten aanzien van het andere deel van het touw dan waaraan de raadsman refereert, namelijk het deel van het touw dat met een lus om de voorste bolder zat en over de reling omhoog naar de boom liep, bezigen tot het bewijs. Dit bewijsmateriaal acht het hof overtuigend, mede omdat ten aanzien van dit deel door het NFI een matchkans is berekend.

Het hof stelt overigens vast dat de bevinding dat DNA van verdachte op het touw wordt aangetroffen ook steun vindt in de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] waar die inhouden dat zij verdachte de boot met behulp van een touw om de boom hebben zien afmeren.

4.2

Contaminatie

4.2.1

De feiten omtrent de contaminatie

Het dossier bevat een brief van de officier van justitie gericht aan de rechter-commissaris d.d. 22 augustus 2013, alsmede het NFI rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overzocht van
G.A.L. in Haarlem op 22 april 2013’ d.d. 14 augustus 2013.

Uit deze stukken blijkt dat het DNA-profiel van verdachte naar voren is gekomen in een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek dat door het NFI is ingesteld naar aanleiding van een levensdelict gepleegd in Haarlem op 22 april 2013. Het DNA-profiel van verdachte vertoonde in dat onderzoek een match met celmateriaal in een van de onderzochte bemonsteringen. Gebleken is echter dat verdachte op die datum gedetineerd zat ter zake van onderhavige zaak. Hierop is door het NFI een controle uitgevoerd op het onderzoekstraject van de bewuste bemonstering. Geconstateerd is dat in de laboratoriumruimte waar de bemonstering is veiliggesteld voor DNA-onderzoek eerder onderzoeksmateriaal (kleding) van verdachte is onderzocht. Omdat later is vastgesteld dat deze kleding een enorm hoge concentratie DNA bevat die afkomstig was van verdachte, is niet uit te sluiten dat bij het veiligstellen van de bemonstering contaminatie is opgetreden en per abuis celmateriaal afkomstig van verdachte in de bemonstering terecht is gekomen. De gerapporteerde match in de ‘Haarlemse zaak’ kan dus het gevolg zijn van laboratorium contaminatie.

Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 maart 2014 is onder andere de deskundige
Van der Scheer van het NFI gehoord. Op een vraag omtrent de contaminatie verklaarde
Van der Scheer dat hij van collega’s had vernomen dat het touw in een andere ruimte is onderzocht dan waar de kleding van verdachte is onderzocht.

In de fase van hoger beroep heeft de raadsman van verdachte aangegeven nadere vragen te willen stellen aan de desbetreffende deskundigen van het NFI omtrent de contaminatie. Hij heeft daartoe per brief van 26 mei 2015 een tiental vragen geformuleerd. Deze vragen zijn bij brief van 29 mei 2015 door deskundige dr. Maaskant van het NFI beantwoord.

In deze brief geef dr. Maaskant een beschrijving van de wijze van onderzoek aan de verschillende sporen.

Dr. Maaskant stelt – samengevat - vast dat in de periode van 16 mei 2013 tot en met 3 juli 2013 in de ruimte D1.21 (tafel B) ook onderzoek is verricht aan kleding van verdachte. Op 7 maart 2013 heeft in diezelfde ruimte (tafel A) het onderzoek plaatsgevonden aan bemonsteringen van kleding en het lichaam van verdachte. Andere SVO’s uit onderhavige zaak zijn niet in deze ruimte (D1.21) onderzocht. De overige onderzoeken aan SVO’s in onderhavige zaak zijn bovendien dermate in tijd en/of ruimte gescheiden dat contaminatie uiterst onwaarschijnlijk wordt geacht.

Specifiek ten aanzien van de touwen relateert Maaskant dat het onderzoek daaraan heeft plaatsgevonden in de periode van 22 mei 2013 tot 29 mei 2013 in ruimte D1.15 (tafel A). Tevens zijn de veiliggestelde bemonsteringen van de touwen niet op dezelfde DNA werklijst onderzocht als de bemonsteringen van de kleding en het lichaam van verdachte.

Dr. Maaskant deelt bij de beantwoording van de door de raadsman gestelde vragen onder meer mede dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat het DNA-materiaal op de touwen ontstaan is door contaminatie binnen het NFI. Dit betekent dat de DNA-mengprofielen van het celmateriaal in de bemonsteringen van de touwen afkomstig zijn van celmateriaal dat reeds op de touwen aanwezig was voor aanlevering bij het NFI.

4.2.2.

Concluderend

Uit de uiteenzetting van dr. Maaskant leidt het hof af dat er mogelijk contaminatie heeft plaatsgevonden vanuit TGO Hoendiep naar de ‘Haarlemse zaak’, niet andersom. Gezien haar uiteenzetting over de wijze waarop, het tijdsbeslag waarbinnen en de plaats waar de stukken van overtuiging in verdachtes zaak zijn onderzocht en haar antwoorden op de door de raadsman gestelde vragen is het niet aannemelijk geworden dat er in de zaak van verdachte contaminatie van onderzoeksmateriaal heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft tegen de nadere beantwoording door dr. Maaskant geen concrete argumenten ingebracht op grond waarvan het hof anders zou moeten concluderen. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals is bepleit, het onderzoek aan het touw als onzorgvuldig aan te merken en de desbetreffende onderzoeksresultaten uit te sluiten van het bewijs. Het hof is van oordeel dat sprake is van valide en betrouwbaar bewijs.

5. Geloofwaardigheid van verdachte

Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht het hof verdachte niet geloofwaardig in zijn verklaringen en zijn ontkenning dat hij iets met de dood van het echtpaar te maken heeft gehad noch dat hij de schipper van de boot is geweest. Zijn ontkenning wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Daarbij komt dat verdachte vanaf het moment dat hij in onderhavige zaak in beeld kwam, tot en met de fase in het hoger beroep telkens wisselend heeft verklaard.

Met name hetgeen verdachte ter verklaring van de op zijn kleding en schoenen aangetroffen bloedsporen houdende het DNA van het echtpaar heeft verklaard – namelijk dat hij de boot weliswaar heeft betreden en daarin handelingen heeft verricht, maar dat dit heeft plaatsgevonden toen de boot – na het varen en na het overlijden van het echtpaar – weer aangemeerd lag in het Hoendiep - acht het hof ongeloofwaardig. Deze stelling vindt op geen enkele wijze ondersteuning in het zich in het dossier bevindende bewijsmateriaal. Sterker nog, deze stelling wordt door dat bewijsmateriaal, zowel door getuigenverklaringen als door forensisch-technisch bewijs, weerlegd.

Met betrekking tot het forensisch-technische bewijs overweegt het hof dat de door verdachte gestelde door hem verrichte handelingen in en op de boot in de vorm van een hypothese door deskundigen van het NFI getoetst zijn aan de in en op de boot aangetroffen bloedsporen en bloedspoorpatronen. Men concludeert dat de verkregen onderzoeksresultaten veel waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de bloedsporen zijn veroorzaakt door de in de tenlastelegging beschreven handelingen dan onder de hypothese dat de bloedsporen zijn veroorzaakt door de door verdachte genoemde actieve handelingen.

In de fase van het hoger beroep heeft een reconstructie plaatsgevonden ter zake van de door verdachte verklaarde gang van zaken. De deskundigen Van der Scheer en Roos van het NFI hebben aangegeven dat de reconstructie, waar zij overigens bij aanwezig zijn geweest, hun eerder genoemde conclusie niet anders maakt.3

6. Opzet op de diefstal van de boot

Anders dan de verdediging, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes opzet gericht was op het stelen van de boot van het echtpaar. Dit blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen.

Hieruit blijkt onder meer dat verdachtes handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm van meet af gaan gericht waren op het opzettelijk en wederrechtelijk verkrijgen van de boot. Hij heeft telefonisch contact gezocht en zich voorgedaan als koper van de te koop staande boot, en is nadat hij daartoe een afspraak had gemaakt samen met de eigenaren, het echtpaar [slachtoffers], op die boot gaan varen en heeft hen om het leven gebracht. Verdachte is vervolgens met de boot weggevaren en heeft deze niet op de vaste ligplaats maar elders aangemeerd. Hij heeft daarmee de feitelijke heerschappij over de boot uitgeoefend. Tevens heeft hij het met anderen gehad over het stelen van een boot. Uit het dossier, waaronder de verklaring van verdachte zelf, kan worden afgeleid dat verdachte over niet meer dan een minimum inkomen beschikte en niet de beschikking had over de gevraagde koopprijs. Met de rechtbank kan het hof aan het handelen van verdachte geen andere conclusie verbinden dan dat verdachte met het doden van het echtpaar [slachtoffers] het oogmerk had zich van het bezit van de boot te verzekeren. Het hof verwijst in dit kader ook aanvullend naar de op blad 19 in het vonnis van de rechtbank opgenomen overweging hieromtrent.

7. Eindconclusie

De verweren van de raadsman worden, gelet op het bovenstaande, alle verworpen.

Aanvulling en verbetering van gronden

Ten aanzien van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen ter zake van het in parketnummer 18-850193-13 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en het in parketnummer 18-830026-14 onder primair bewezen verklaarde, voert het hof de navolgende verbeteringen/aanvullingen van gronden door:

- Het hof voegt – na het op blad 6 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel inhoudende de verklaring van [zoon slachtoffers] - als bewijsmiddel toe:

Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal Algemeen Dossier d.d. 14 oktober 2013 (pagina 1-141 van dossier nummer [dossiernummer], inhoudende - zakelijk weergegeven -

als verklaring van verbalisanten, dan wel één van hen:

Financieel onderzoek m.b.t. verdachte [verdachte]

Na analyse van de ontvangen gegevens konden de inkomsten van de verdachte
[verdachte] duidelijk in beeld worden gebracht. De inkomsten bestaan enkel uit een ZW/WAO/WIO uitkering en een zorgtoeslag (p. 114).

- Het hof voegt - na voornoemd bewijsmiddel - als bewijsmiddel toe:

Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2013 (pagina 1640-1690 van dossier nummer [dossiernummer], inhoudende - zakelijk weergegeven -

als verklaring van verbalisanten, dan wel één van hen:

In het onderzoek 01TGO13003 werd de verdachte [verdachte] meerdere keren gehoord. De verhoren werden audiovisueel vastgelegd.

Door de schrijftolk werden deze verhoren letterlijk uitgewerkt. Door de schrijftolk werden bij het uitwerken de vragen van de verbalisanten voorafgegaan door een V en de antwoorden van de verdachte door een A.

In dit proces-verbaal wordt een, door de schrijftolk uitgewerkt verhoor verantwoord. Dit betreft: V-001-13 van 14 maart 2013 omstreeks 12.53 uur, opnamenummer VRH-2013-03-129869.

Hieronder volgt de door de schrijftolk uitgewerkte, en door ons gecontroleerde en zo nodig aangepaste tekst van het verhoor.

A: Ik kreeg dat vrouwke aan de telefoon, “ik zal u mijn man geven” en daar kreeg ik dus informatie over welke boot het ging. Ik heb een afspraak gemaakt bij de boot. Dan denk ik: nu heb ik een probleem van mij opgelost. En dan shit, hoe moet ik aan die centen komen.

- Het op blad 7 van het vonnis genoemde bewijsmiddel getiteld “Een proces-verbaal d.d. 8 maart 2013, opgenomen op pagina 2516 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 5], zakelijk weergegeven” wordt vervangen door:

Maandagmiddag liep er een man voor het huis. Ik vond het vreemd. Ik zag hem naar de schipper gaan. Hij was toen met hem in gesprek. Hij was op de steiger. De schipper was aan boord. De man van de steiger ging ook aan boord. Achter op het schip was een luik, daar gingen ze samen naar toe en ze keken in het luik. De vrouw was ook nog op de steiger maar ging later ook op de boot. Om drie uur waren mijn dochter en ik weer thuis en toen was de boot weg.

- Het hof voegt – na het op blad 7 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel inhoudende de verklaring van [getuige 5] - als bewijsmiddel toe:

Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 maart 2013 (pagina 2547-2550 van dossier nummer [dossiernummer], inhoudende - zakelijk weergegeven -

als verklaring van [getuige 6]:

Op 4 maart 2013 heb ik die boot van de kade weg zien varen. Ik denk dat het ongeveer 14:45 uur ’s middags was. Ik ben gelopen naar de woning van mijn schoonmoeder aan de [adres 1] in [plaats]. Toen zag ik een boot van de kade wegvaren. De bovenkant was wit en de rest, dat wat in het water ligt, was blauw. De boot ging richting de [straat 1]. Hij lag iets voorbij het huis van mijn schoonmoeder. Hij lag evenwijdig aan de kade.

De motor draaide al, want het viel mij op dat hij veel lawaai maakte. Ik denk dat hij net in beweging was want het geluid werd daarna minder. Ik heb in ieder geval een vrouw op het dek gezien. Zij was de 60 gepasseerd en had grijzig haar. Die boot had daar een ligplaats, ik had hem vaker gezien. De boot lag aan de overkant aan de [straat 2].

- Aan het op blad 8 genoemde bewijsmiddel getiteld “Een proces-verbaal d.d. 27 maart 2013, op genomen op pagina 2913 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 7], zakelijk weergegeven:” wordt toegevoegd:

- als opmerking van verbalisant -

Als bijlage gaat bij dit proces-verbaal:

Foto’s, die gemaakt zijn vanaf de toren, van een boot die vaart in het Hoendiep en vaart in de richting van de stad Groningen.

- Het op blad 8 van het vonnis genoemde bewijsmiddel getiteld “De eigen waarneming van de rechtbank van de foto, opgenomen op pagina 2916 van voornoemd dossier” komt te vervallen. In de plaats daarvan wordt het navolgende bewijsmiddel opgenomen:

Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof, d.d. 4 juni 2015 houdende de eigen waarneming van het gerechtshof, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

De voorzitter houdt voor – zakelijk weergegeven -:

Getuige [getuige 7] stond op 4 maart 2013 op het dak van [bedrijf 3] te Groningen. Zij heeft daar foto’s van het terrein gemaakt. Op enkele van die foto’s is op de achtergrond een in het Hoendiep varende boot te zien. De rechtbank heeft dit ook met verdachte doorgenomen. Naar aanleiding van de regiezitting in hoger beroep d.d. 3 juli 2014 zijn de digitale opnames van de foto’s waarop de boot te zien is aan het dossier toegevoegd. Het hof heeft de op pagina 2916 van het dossier opgenomen print en vergrote print van één van de door [getuige 7] gemaakte foto’s bekeken, alsmede de digitale opname van die foto.

De voorzitter vat hetgeen zichtbaar is op de foto’s als waarneming van het hof als volgt samen – zakelijk weergegeven -:

Op basis hiervan constateert het hof dat de boot op de foto’s zodanig sterke overeenkomsten vertoond met de boot [naam boot], zoals het hof die op de foto’s in het dossier en op de DVD van de reconstructie heeft kunnen zien, dat het hof waarneemt dat de in het Hoendiep varende boot zichtbaar op de foto van getuige [getuige 7] de [naam boot] betreft.

- Aan het op blad 9 van het vonnis genoemde bewijsmiddel getiteld “Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 maart 2013, opgenomen op pagina 2905 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant 1], zakelijk weergegeven:” wordt vooraf toegevoegd:

Mijn adres is [adres 2].

- Het hof voegt – na het op blad 9/10 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel inhoudende de verklaring van [getuige 1] - als bewijsmiddel toe:

Een proces-verbaal, in de wettelijk vorm opgemaakt, houdende de verklaring van getuige [getuige 1] afgelegd ter terechtzitting van de rechter-commissaris van 31 oktober 2013, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik heb bij de politie de waarheid verklaard.

Ik heb de hele situatie gevolgd totdat hij de boot vastmaakte aan de wal. Hij kwam met een gang langs mijn bootjes en toen heeft hij aangemeerd. Dat heb ik waargenomen. Het lawaai viel mij op, het was vol gas. Ik zat in een loods in mijn kantoortje te kijken. Een boot kwam rustig aanvaren richting Groningen. Ik wist dat de boot te koop stond. Het duurde een tijdje. Toen ik naar de brievenbus liep, kwam het bootje weer terug. Voor [bedrijf 2] maakt hij een kwartslag. Toen ging het bootje richting Hoogkerk en meerde af. Dat ging vol gas. Ik hoorde ook een piepgeluid. Dat trok de aandacht. Ik heb die boot gevolgd tot aan de plaats waar de boot is aangemeerd. Toen stapte hij van de boot af en liep naar het steigertje. Hij liep weer terug naar de boot en toen hield het gepiep op. Het gepiep hield op toen hij op de boot was. U vraagt mij hoe de boot werd aangemeerd. Aan de zijkant, dat ging niet normaal. Eerst ging hij bij [bedrijf 2] in de beschoeiing. Dat ging niet zachtzinnig, zoals het hoort, dat viel mij op. Hij heeft de boot aan de bomen vastgemaakt. Hij heeft daar anderhalf uur rondgespookt. Ik heb gezien dat hij met zijn handen in het water zat. Vervolgens liep hij weer naar de boot. De persoon die aan boord was, was dezelfde persoon die de boot had aangelegd. Ik heb één persoon gezien. U vraagt mij of ik andere mensen op het terrein heb gezien toen hij daar rondliep. Dat waren mensen van de gemeente. De boot is aan de bomen vastgelegd met de voorkant richting Hoogkerk. Degene die aan kwam varen, heeft de boot aangemeerd. Ik heb maar één persoon de boot op en af zien gaan. Ik heb geen andere mensen de boot op zien gaan, nadat de boot was aangemeerd. De deur van de boot bleef eerst open. De deur is dichtgedaan door diezelfde persoon. Hij deed de deur de tweede keer, toen hij de tweede keer op de boot was, dicht.

- Het hof voegt – gelet op het op blad 10 van het vonnis genoemde bewijsmiddel getiteld “Een ander geschrift, te weten het NFI-rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het Hoendiep op 5 maart 2013’ d.d. 16 juli 2013, opgenomen op pagina 2358 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:”, voorafgaand aan dat bewijsmiddel - als bewijsmiddel toe:

Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek d.d. 6 mei 2013 (pagina 1988-2008 van dossier nummer [dossiernummer], inhoudende - zakelijk weergegeven -

als verklaring van verbalisanten, dan wel één van hen:

Wij hebben op 5 maart 2013 en op 7 maart 2013 de boot van de slachtoffers op sporen onderzocht. Het onderzoek werd verricht op en in een stalen motorkruiser genaamd “[naam boot]”.

De boot lag afgemeerd aan een afmeerplaats in het Hoendiep langs de weg met dezelfde naam ter hoogte van de toerit naar perceelnummer [perceelnummer], binnen de bebouwde kom van Groningen.

Bij onze komst ter plaatse verklaarde de aanwezige [betrokkene] dat de boot bij aantreffen dwars op de vaarrichting in het kanaal lag. De boot lag op dat moment alleen vast aan een blauw nylon touw wat aan boord was bevestigd aan twee bolders op het achterdek en aan de wal om een boom heen was geslagen.

Het blauwe nylontouw, aan de stuurboord achterzijde van de boot, zat met een in het touw gevlochten lus rond de achterste bolder, aan de stuurboordzijde van de boot. Het touw liep vervolgens dubbelgeslagen om de boom, op de wal en weer terug naar de boot. Een enkel deel van het touw was weer rond de één na achterste bolder, aan de stuurboordzijde van de boot geslagen en hierop vastgemaakt. Ik heb het touw gefixeerd en veilig gesteld (SIN AAAE8596NL).

- Het op blad 11 genoemde bewijsmiddel getiteld “Een ander geschrift, te weten een vanuit het Duits vertaald getuigenverhoor, d.d. 2 april 2013 van getuige [getuige 8], opgenomen op pagina 3158 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:” wordt vervangen door:

De “chef”, zo noem ik [verdachte].

Mijn mobiele telefoonnummer luidt: [telefoonnummer].

Mij wordt voorgehouden dat ik op grond van het politieonderzoek op 4 maart 2013 omstreeks 16:51 uur telefonisch contact met de chef heb gehad. Dan zal dat het laatste gesprek geweest zijn. De chef heeft mij meegedeeld dat hij op een boot was en op dat moment met de reparatie van een motor bezig was.

Vraag:

U zei dat de chef op de boot stond, toen hij met u het laatste telefoongesprek heeft gevoerd. Zei hij: “Ik sta op het schip?”

Antwoord:

Hij zei: “Ik ben met een motor bezig op het schip.”

- Aan het op blad 12 genoemde bewijsmiddel getiteld “Een ander geschrift, te weten het NFI-rapport ‘Bloedspoorpatroononderzoek naar aanleiding van het aantreffen van de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het Hoendiep op 5 maart 2013’ d.d. 14 maart 2014, opgenomen als losse bijlage bij voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:” wordt vooraf toegevoegd:

3 Resultaten bloedspoorpatroononderzoek op de plaats delict

3.1

Onderzoek naar bloedsporen

De aanwezige bloedspoorpatronen op de plaats delict zijn geclassificeerd en geïnterpreteerd. Voor de resultaten van dit onderzoek, zie het deskundigenrapport van 13 maart 2014. Een samenvatting van de resultaten van dit onderzoek is vermeld in dit rapport en hieronder weergegeven.

3.2

Algemeen

De bloedsporen op het motorjacht ‘[naam boot]’ worden aan de binnenzijde voornamelijk aangetroffen in de stuurhut. Aan de buitenzijde van het motorjacht worden de bloedsporen voornamelijk op het gangboord, aan de reling en aan de zijkant ter hoogte van de ingang aan stuurboordzijde aangetroffen.

3.4

Bloedspoorpatronen rond het toilet

Uit de resultaten van het onderzoek naar het ontstaansmechanisme van de afzonderlijke bloedspoorpatronen op en rond het toilet kan de volgende samenvatting worden gemaakt:

3.4.1

Bloedspattenpatroon op toiletdeur en linker schuifdeurtje aan stuurboordzijde

Met de aanname dat het bloed afkomstig is van het mannelijk slachtoffer, deze bloedspatten veroorzaakt zijn door uitgeademd bloed en dat deze op een geringe hoogte worden aangetroffen geeft dat aan dat het slachtoffer minimaal twee keer bloed heeft uitgeademd door mond en/of neus en het slachtoffer met het hoofd ter hoogte van de vloer heeft verbleven ten tijde van het ontstaan van deze bloedspatten.

3.4.2

Bloedpoel op de vloer ter hoogte van het toilet

De bloedpoel voor de toiletdeur geeft aan dat de bloedbron (het mannelijk slachtoffer) hier enige tijd heeft verbleven.

3.5

Bloedspoorpatronen rond de draaistoel

Uit de resultaten van het onderzoek naar het ontstaansmechanisme van de afzonderlijke bloedspoorpatronen op en rond het instrumentenpaneel aan bakboordzijde kan de volgende samenvatting worden gemaakt:

Met de aanname dat het bloed afkomstig is van het vrouwelijk slachtoffer en de aangetroffen bloedspatten op de poot van de draaistoel even waarschijnlijk zijn als deze veroorzaakt zijn door een impact in vloeibaar bloed dan wanneer deze veroorzaakt zijn door uitgeademd bloed als ook de geringe hoogte waarop de overige bloedspoorpatronen in deze omgeving worden aangetroffen, geeft dit aan dat het slachtoffer laag bij de grond was ten tijde van het ontstaan van deze bloedspoorpatronen.

Uit bovenstaande valt op te maken dat de bloedspatten aangetroffen nabij het toilet als ook nabij de stoel passen bij één of meerdere impacts in vloeibaar bloed als ook bij geëxpireerd bloed. Gezien de beperkte ruimte aanwezig in de stuurhut en de aanwezigheid van meerdere personen is de verwachting dat op de kleding van de dader bloedspatten aanwezig zijn die geassocieerd kunnen worden met een impact en/of geëxpireerd bloed.

4 Resultaten bloedspoorpatroononderzoek onderzoeksmateriaal

4.1

Eerder onderzoek naar bloedsporen

De kleding van de verdachte [verdachte], namelijk de spijkerbroek [nummer 1], de jas [nummer 2], de trui [nummer 3], de sokken [nummer 4], de rechterschoen [nummer 5] en de linkerschoen [nummer 6] zijn in een eerder stadium onderzocht op de aanwezigheid van bloedsporen.

Voor de resultaten van dit onderzoek wordt verwezen naar de NFI-deskundigenrapporten van 16 juli 2013 en 11 maart 2014. Een samenvatting van de resultaten die naar verwachting onderscheidend zijn bij het beschouwen van de resultaten onder de beide hypothesen is hieronder beschreven.

4.2

Overzicht onderzoeksresultaten

Hieronder volgt een deel van de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek met betrekking tot met name de aangetroffen (passieve) bloedspatten. Op de kleding en schoenen van de verdachte zijn eveneens bloedvlekken en contactsporen van bloed aangetroffen. Van bloedvlekken kan op grond van de morfologie niet worden vastgesteld op welke wijze deze kunnen zijn ontstaan. Contactsporen van bloed kunnen zowel onder de door verdachte genoemde handelingen als de in de

tenlastelegging genoemde handelingen worden verklaard. Derhalve zijn beide typen bloedsporen niet onderscheidend ten aanzien van de (geherformuleerde) hypothesen en daarom niet tot In detail in de beschouwing betrokken. Opgemerkt dient te worden dat enkele aspecten van de door verdachte genoemde handelingen gericht betrekking hebben op contactsporen van bloed. Enkele contactsporen van bloed zijn daarom wel nader omschreven.

Spijkerbroek [nummer 1]

Op beide broekspijpen van de spijkerbroek [nummer 1] zijn relatief kleine bloedspatjes aangetroffen. De bloedspatjes [nummer 1]#01 tot en met #04, #08 en #09, #14 tot en met #16 zijn afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer 1]. [nummer 1]#01 en #14 betreffen twee bemonsteringen van hetzelfde bloedspatje. In de bemonstering van het bloedspatje [nummer 1]#01 is een aanwijzing gevonden voor de aanwezigheid van speeksel met behulp van de RSID saliva test. De aard van het aanwezige celmateriaal in de bemonsteringen [nummer 1]#14 tot en met 16 is door middel van RNA-onderzoek nader onderzocht. In deze bemonsteringen is een mengsel van bloed en nasaal vocht aangetroffen. De RSID saliva test is gericht op het detecteren van amylase. Amylase is aanwezig in speeksel, maar ook in (onder andere) nasaal vocht. De RSID saliva test kan derhalve geen onderscheid maken tussen speeksel en nasaal vocht.

Het bloedspatje [nummer 1]#17 aan de binnenkant van de linkerbroekspijp is afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer 2]. In deze bemonstering is door middel van RNA-onderzoek alleen bloed aangetroffen.

Tevens zijn enkele passieve bloedspatten aangetroffen op de rechterbroekspijp. De passieve bloedspat [nummer 1]#05 is afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Op de rechterbroekspijp is min of meer ter hoogte van de knie een contactspoor van bloed aangetroffen. Dit contactspoor van bloed is niet in detail beschreven in het NFI-deskundigenrapport van 16 juli 2013. Ook is dit contactspoor van bloed niet

bemonsterd voor een DNA-onderzoek. Op de achterzijde van de spijkerbroek is, rechts onder de linkerachterzak, een contactspoortje van bloed aangetroffen. Omdat van het DNA in de bemonstering van dit contactspoortje van bloed [nummer 1]#07 een DNA-mengprofiel is verkregen, is niet duidelijk of het bloed in deze bemonstering afkomstig is van één of beide personen.

Dit betekent dat onbekend is of het bloed afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer 1] en/of de verdachte [verdachte].

Schoenen [nummer 5] en [nummer 6]

Op de schoenen [nummer 5] en [nummer 6] zijn relatief kleine bloedspatjes aangetroffen. Het bloedspatje [nummer 5]#03 vanaf de rechterschoen is afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer 1]. De bloedspatjes [nummer 5]#01 en #02 vanaf de rechterschoen en [nummer 6]#01 tot en met #04 vanaf de linkerschoen zijn afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Trui [nummer 3]

Aan de voorzijde van de trui is een passieve bloedspat aangetroffen. Omdat van deze bloedspat [nummer 3]#03 een DNA-mengprofiel is verkregen, is niet duidelijk of het bloed in deze bemonstering afkomstig is van één of beide personen. Dit betekent dat onbekend is of het bloed afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer 1] en/of de verdachte [verdachte].

- Het op blad 15 genoemde bewijsmiddel getiteld “Een proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek d.d. 11 juni 2013, opgenomen op pagina 1971 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant 2], zakelijk weergegeven:” wordt vervangen door:

In verband met de vermissing van twee personen en het aantreffen van één van hen, werd mij verzocht een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van schoensporen geprojecteerd met bloed, op of in een boot.

Op 7 maart 2013 startte ik een onderzoek naar de aanwezigheid van schoensporen geprojecteerd met bloed aan boord van het schip “[naam boot]”.

In het stuurboord gangboord was ter hoogte van de ingang naar de salon/stuurhut een hoeveelheid bloed waarneembaar. Dit bloed lag in grote druppels dan wel kleinere plassen c.q. vegen bij elkaar. Vanuit deze concentratie waren in hetzelfde gangboord in de richting van het achterschip projecties van schoensporen zichtbaar. Ik zag dat het projecties van schoenzolen waren met een onderling gelijksoortig profiel voor zover zichtbaar bestaande uit vierhoekige blokken, E-vormige blokken en (deels) ovaalvormige lijnen. Gerekend vanuit de richting van de ingang van de salon/stuurhut stopte het waarneembare spoor op ongeveer vijftig centimeter voor een bolder.

Teneinde de sporen in bloed beter zichtbaar te maken, dan wel latente sporen in bloed waarneembaar te maken, behandelde ik dat deel van het gangboord met Aqua Leuco Crystal Violet (ALCV), een chemische verbinding in vloeibare vorm, die bloedsporen paars/violet doet kleuren. Ik zag dat er meer sporen met ALCV zichtbaar waren dan voor de behandeling. De sporen hielden nu op bij de bolder.

Aan de wijze van projectie te zien, was het aannemelijk dat de veroorzaker van de sporen, nadat hij of zij door bloed was gelopen, naar de bolder was gelopen en weer terug. Er waren hoofdzakelijk sporen zichtbaar van het baldeel van een rechterschoen en de hakken van zowel een linker- als een rechterschoen.

Het gehele achterdek werd door mij onderzocht en behandeld met ALCV, daarbij werden geen schoenprojecties in bloed meer aangetroffen na de bolder aan stuurboord.

In de stuurhut/salon onderzocht ik de vloer. Op een aluminium rand van een vloerluik werd een fragment van een met bloed geplaatst spoor aangetroffen. Gezien de zichtbare elementen in dit spoor, namelijk elliptische lijnen, kwam een schoen (de hak daarvan) met soortgelijke profielelementen als verdachtes schoenen in aanmerking als meest waarschijnlijke veroorzaker.

CONCLUSIES

Aan de hand van het door mij ingestelde schoensporen onderzoek concludeer ik het volgende:

 De sporen zijn gemaakt door linker- en rechterschoenen met een onderling gelijksoortige profiel en van dezelfde maat, waarbij het aannemelijk is dat het schoenen van één paar betreft;

 Er werden geen andere schoensporen in bloed waargenomen dan soortgelijk aan het profiel van de zolen van verdachtes schoenen.

- Het hof voegt – gelet op voornoemd bewijsmiddel - daaropvolgend als bewijsmiddel toe:

Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal Relaas Forensisch Technisch Onderzoek d.d. 22 augustus 2013 (pagina 1912-1942 van dossier nummer [dossiernummer], inhoudende - zakelijk weergegeven -

als verklaring van verbalisanten, dan wel één van hen:

Op en aan boord van de boot werden diverse in bloed gezette schoensporen aangetroffen. Deze schoensporen werden op 7 maart onderzocht door [verbalisant 2], schoenen- en bandendeskundige.

De schoensporen werden vergeleken met foto’s van de schoenzolen, die door de aangehouden verdachte [verdachte] tijdens diens aanhouding waren gedragen.

Fotograferen schoenzolen

Omdat de schoenen van de verdachte [verdachte] voor nader onderzoek werden gezonden naar het NFI en dus niet fysiek beschikbaar waren, werden hieraan voorafgaand de zolen hiervan gefotografeerd ten behoeve van het vergelijkend schoensporen onderzoek door de deskundige schoenen en banden.

- Het hof voegt als opmerking toe:

Het hof begrijpt dat daar waar in de bewijsmiddelen wordt gesproken van
[slachtoffer 2], dan wel [slachtoffer 2] wordt bedoeld [slachtoffer 2]
.

- Het op blad 16 van het vonnis genoemde kopje “Ten aanzien van het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18-830026-14” wordt vervangen door: “Naast de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden ter zake van het parketnummer
18-830026-14 onder primair nog de navolgende bewijsmiddelen gebezigd.”

- Het op blad 16 van het vonnis genoemde bewijsmiddel getiteld “Een ander geschrift, zijnde een foto met als onderschrift ‘Overzichtsopname van schade aan de stuurboordachterzijde van de boot, waarschijnlijk veroorzaakt bij het aanmeren van de boot. Passend bij de boomstronk op de wal’, opgenomen op pagina 1992 van voornoemd dossier, zijnde een bijlage behorend bij bovengenoemd proces-verbaal” komt te vervallen.

De aangevulde en/of verbeterde bewijsmiddelen ter zake van het in parketnummer
18-850193-13 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en het in parketnummer 18-830026-14 onder primair bewezen verklaarde worden later in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest opgenomen.

Strafbaarheid van verdachte

Met de rechtbank gaat het hof – nu ook dit onderdeel van het vonnis bevestigd wordt – er in het kader van de strafmaat eveneens vanuit dat het bewezen verklaarde volledig aan verdachte toegerekend kan worden.

Strafoplegging

Bij de bepaling van de straf heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst

van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de

persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de

terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de

justitiële documentatie, alsmede de vordering van de advocaat-generaal en het pleidooi van

de raadsman.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 4 maart 2013 het echtpaar [slachtoffers] op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Hij heeft zich ten opzichte van hen voorgedaan als een potentiële koper voor hun boot. De avond voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten heeft hij telefonisch een afspraak met hen gemaakt voor een proefvaart. Uit het dossier kan worden afgeleid dat het echtpaar [slachtoffers] er daadwerkelijk rekening mee hield dat hun boot, die al langere tijd te koop stond, ook zou worden verkocht. In de ochtend van 4 maart 2013 hebben zij de boot in gereedheid gebracht voor de verkoop en de met verdachte afgesproken proefvaart. Tijdens deze proefvaart op het Hoendiep te Groningen heeft verdachte het echtpaar om het leven gebracht.

Op grond van het sporenonderzoek moet er vanuit worden gegaan dat hij hen in de kajuit met een of meerdere voorwerpen op het hoofd en in het gezicht heeft geslagen. Deze niets ontziende handelwijze van verdachte brengt met zich dat één van de twee slachtoffers getuige moet zijn geweest van het inslaan van verdachte op de ander. Het is nauwelijks voorstelbaar hoe verschrikkelijk dat moet zijn geweest.

Na deze zeer gewelddadige handelingen heeft verdachte zich op volstrekt respectloze wijze ontdaan van de lichamen door deze overboord te zetten. Het echtpaar [slachtoffers] is uiteindelijk de volgende dag in het Hoendiep aangetroffen. Voor het geval de slachtoffers op het moment dat zij door verdachte overboord werden gezet nog niet waren overleden, geldt dat verdachte hen op dat moment volkomen machteloos en in hulpeloze toestand heeft achtergelaten in het water.

Verdachte is er vervolgens met de boot vandoor gegaan. Hij is met de boot richting Hoogkerk terug gevaren en heeft de boot afgemeerd. Verdachte heeft getoond zich ten koste van een ander enkel te laten leiden door eigen financieel gewin. Hij heeft uit zelfzucht welbewust het leven van een ander beëindigd.

De feiten hebben de samenleving ernstig geschokt.

De heer en mevrouw [slachtoffers] zijn respectievelijk 70 en 68 jaar oud geworden. Aan de nabestaanden van het echtpaar heeft verdachte een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Het feit dat de preciese omstandigheden rondom de dood van hun familieleden nooit duidelijk zullen worden, maakt dat hen extra pijn toegebracht wordt en dat het nog moeilijker zal zijn om hun dood te verwerken.

Verdachte heeft voorts de boot tijdens het varen beschadigd waardoor aan de nabestaanden ook financiële schade is toegebracht.

Het hof komt tot het oordeel dat verdachte zich twee maal schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag.

Gekwalificeerde doodslag behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Evenals bij moord heeft de wetgever dit delict met de zwaarst mogelijke straf bedreigd; levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren.

Met de rechtbank acht het hof het van het grootste belang dat de maatschappij beschermd wordt tegen verdachte, die er blijk van heeft gegeven zeer weinig respect te hebben voor het menselijk leven en andersmans eigendom.

Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij werden gepleegd en de persoon van de verdachte zoals hij ook in de rapportages verder wordt beschreven, is het hof van oordeel dat de maximale tijdelijke gevangenissstraf passend en geboden is. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij werden gepleegd.

Het hof zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde], namens de erven van [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 18.941,28, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en bestaat uit de navolgende materiële schadeposten:

  1. Waardevermindering boot € 16.500,--

  2. Kosten opmaken taxatierapport € 468,98

  3. Kosten verkoop boot € 1.972,30

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.968,98 (posten ‘waardevermindering boot’ en ‘kosten opmaken taxatierapport’), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. In hoger beroep is de schadepost ‘kosten verkoop boot’ verminderd tot een bedrag van € 500,--, waardoor de totale vordering € 17.468,98 is komen te bedragen.

Het hof merkt hierbij op dat op het nieuwe voegingsformulier ter zake van de verlaagde vordering een totaalbedrag van € 17.469,98 vermeld staat. In deze berekening is ter zake van de schadepost ‘kosten opmaken taxatierapport’ kennelijk per abuis uitgegaan van het bedrag € 469,98. Uit de onderliggende stukken blijkt dat het om een bedrag van € 468,98 ging. Uitgaand van laatstgenoemd bedrag betreft de verlaagde vordering een bedrag van
€ 17.468,98.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voornoemd verlaagd bedrag. Verdachte heeft ter zitting van het hof meegedeeld de schade te willen vergoeden, door de raadsman is de schade niet inhoudelijk gemotiveerd bestreden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 288 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde], namens de erven van [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-850193-13 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en in de zaak met parketnummer 18-830026-14 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 17.468,98 (zeventienduizend vierhonderdachtenzestig euro en achtennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-850193-13 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en in de zaak met parketnummer 18-830026-14 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 17.468,98 (zeventienduizend vierhonderdachtenzestig euro en achtennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 122 (honderdtweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 1 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Lahuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533.

2 Het hof verwijst behalve naar de gebezigde bewijsmiddelen, naar de pagina’s 2118, 2198, 2363 en
2365 van het dossier.

3 Zoals de deskundigen Van der Scheer en Roos hebben vermeld in hun brieven van 19 december 2014 en 9 februari 2015.