Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4847

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
200.128.027
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging partneralimentatie. Bewijsvermoeden van samenwoning van de vrouw met een nieuwe partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/41.23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.128.027

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 333326)

beschikking van de familiekamer van 30 juni 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F. Ettaia te Zeist

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.A. Voorips-Breddels te Zeist.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 15 juli 2014 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Ingevolge voormelde tussenbeschikking heeft op 27 oktober 2014 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Het verdere verloop van het geding blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Ettaia van 29 december 2014 met bijlage, ingekomen op

30 december 2014;

- een journaalbericht van mr. Voorips-Breddels van 13 januari 2015 met bijlage, ingekomen

op 14 januari 2015;

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikkingen van 4 maart 2014 en 15 juli 2014, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

Het hof stelt nogmaals voorop dat ingevolge artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW) een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwoning van de vrouw met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt toegepast. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

2.3

Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 15 juli 2014 geoordeeld dat het hof voorshands aannemelijk acht dat de vrouw met [A] is gaan samenleven als waren zij gehuwd, in de zin van artikel 1:160 BW. De vrouw is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

2.4

De vrouw heeft in het getuigenverhoor zichzelf als partijgetuige en [A] en [B] (hierna: [B]) als getuigen doen horen. De man heeft afgezien van het horen van getuigen in het tegengetuigenverhoor. Thans is aan de orde de vraag of de vrouw door middel van de verklaringen van voornoemde getuigen er in is geslaagd het hiervoor onder 2.3 genoemde tegenbewijs te leveren. Beoordeeld dient te worden of de door het hof voorshands aannemelijk geachte stelling, dat de vrouw samenwoont met [A] in de zin van artikel 1: 160 BW, wordt ontzenuwd door de verklaringen van voornoemde getuigen.

2.5

Naar het oordeel van het hof is de vrouw er niet in geslaagd het bewijsvermoeden dat sprake is, dan wel is geweest, van een samenwoning van de vrouw met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW te ontzenuwen.

2.6

De vrouw heeft als getuige onder meer verklaard dat [A] een goede vriend van haar is. Gedurende een jaar kwam hij om de paar weken bij haar langs om een hapje te eten en ging dan weer weg. Hij kwam vanaf het begin, zo’n zeven jaar geleden, tot vorig jaar september twee à drie keer in de week langs. Totdat hij kwam om post op te halen was dit voor de gezelligheid. Hij sliep nooit bij de vrouw. Zes, zeven jaar geleden is zij een paar keer, in de zomer, op vrijdag of zaterdag bij [A] op visite geweest op de camping. De vrouw bleef dan, naar haar zeggen, niet slapen bij [A], maar wel ongeveer één keer in de maand bij [B]. Dit is zo doorgegaan tot september vorig jaar. De vrouw ging wel eens winkelen in [plaats 1]-dorp of in [plaats 1] in het winkelcentrum. Zij kocht dan gewone boodschappen en soms kleding. [A] heeft haar op een gegeven moment gevraagd of hij haar adres als postadres mocht gebruiken. In september vorig jaar kreeg [A] een relatie met iemand, toen werd het contact minder. Hij nam toen een postbus in [plaats 2]. [A] heeft de vrouw een bedrag van € 500,- terugbetaald dat zij hem had geleend. De vrouw heeft voor hem de energiekosten op de camping voldaan omdat hij het geld niet had om opnieuw aangesloten te worden. De vrouw heeft voorts verklaard dat zij de door het hof opgevraagde bankafschriften niet heeft opgevraagd omdat zij daarvoor destijds te ziek was en nu nog steeds is.

2.7

[A] heeft als getuige verklaard dat hij de vrouw zeven jaar geleden heeft leren kennen. Hij had geen relatie met haar, maar er was sprake een platonische liefde. Hij heeft haar op een gegeven moment gevraagd naar de camping te komen. Zij mocht er ook komen als hij aan het varen was. Ze bleef dan niet slapen, want ze had een hekel aan kamperen. Buiten de camping gingen ze wel eens met een heel stel naar de film. Af en toe kwam hij bij de vrouw in [woonplaats] om te eten, hoe vaak weet hij niet meer. Ook gingen ze wel eens samen, met familie of met kennissen uit eten. In 2010 ging [A] bij de brandweer werken en kwam hij bijna niet meer bij de vrouw. Wel belde hij af en toe. [A] had zijn postadres bij de vrouw en kwam één keer in de drie weken op zaterdag de post halen. De vrouw gaf hem zijn post aan de deur en dan ging hij weer weg. Volgens [A] heeft hij wel eens € 500,- en wel eens € 300,- van de vrouw geleend, hetgeen hij netjes heeft terugbetaald. De vrouw betaalde de stroom op de camping, omdat [A] opnieuw moest worden aangesloten. [A] betaalde dit terug door haar sigaretten te geven, een keer voor haar te tanken of via kennissen in een envelop. Dit doet hij nog steeds.

[B] heeft als getuige verklaard dat zij de vrouw op een feestje heeft ontmoet. De vrouw kwam toen vaak bij haar thuis. In de zomer vaker dan in de winter (soms één keer in de week, soms minder). De vrouw sliep wel eens bij haar op de camping of thuis. Als de vrouw bij haar was, had ze geen contact met [A]. [B] heeft hen, naar haar zeggen, niet samen gezien op de camping. [B] en de vrouw gingen wel eens samen winkelen in [plaats 1] of in [plaats 2]. De vrouw kocht dan haar huishoudelijke boodschappen, de dingen die niet in de koelkast hoefden en houdbaar waren.

2.8

Ingevolge artikel 164 lid 2 Rv kan de verklaring van een partijgetuige omtrent door hem of haar te bewijzen feiten geen bewijs in zijn of haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

Dit laatste is hier niet het geval.

2.9

De vrouw en [A] hebben thans beiden als getuigen verklaard dat zij geen affectieve relatie van duurzame aard hebben, dan wel hebben gehad. Dit strookt echter niet met de verklaring van de vrouw in eerste aanleg dat er wel sprake is, dan wel is geweest van een affectieve relatie van duurzame aard. De verklaringen van de vrouw en [A] lopen vervolgens uiteen met betrekking tot de frequentie dat zij elkaar zagen. Volgens [A] kwam hij slechts één keer in de drie weken de post halen en volgens de vrouw kwam [A] vanaf het begin tot vorig jaar september twee à drie keer in de week langs. [A] spreekt vervolgens wel over een platonische liefde en dat hij en de vrouw (al dan niet met familie en kennissen) samen naar de film en uit eten gingen. De getuigen verklaren vervolgens heel verschillend over hoe vaak en bij wie de vrouw op de camping in [plaats 1] kwam. Volgens [A] mocht de vrouw er ook komen als hij er niet was, maar bleef zij nooit slapen. De vrouw stelt echter slechts een paar keer bij [A] op visite geweest op de camping. Wel bleef zij één keer per maand bij [B] (op de camping) slapen. [B] verklaart dat de vrouw soms wel één keer in de week bij haar langskwam en wel eens bij haar op de camping sliep of thuis. Zij heeft de vrouw en [A] nooit samen gezien op de camping. Nu de verklaring van de vrouw slechts kan dienen ter aanvulling van onvolledig bewijs en de verklaring van [A] niet consistent is en ook niet overeenkomt met die van de vrouw, mede gelet ook op de eerdere verklaring van de vrouw in eerste aanleg, oordeelt het hof beide verklaringen niet geloofwaardig en niet mede redengevend als bewijsmiddel. [B] heeft niets kunnen verklaren over de affectieve relatie van partijen, dan wel het samenwonen van partijen, nu zij zelf stelt hen nooit samen te hebben gezien op de camping en zij, naar zij denkt maar niet precies weet, in totaal drie keer bij de vrouw in [woonplaats] is geweest. Het hof houdt de vrouw aan haar verklaring in eerste aanleg, waarin zij niet heeft betwist dat sprake is, dan wel was, van een affectieve relatie van duurzame aard. De door de vrouw daarna afgelegde verklaringen stelt het hof als ongeloofwaardig ter zijde. Het hof merkt daarbij op dat de vrouw tijdens het getuigenverhoor weer anders heeft verklaard dan tijdens de mondelinge behandeling op 14 januari 2014. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij [A] helemaal niet meer zag sinds september 2013. Tijdens het getuigenverhoor heeft de vrouw verklaard dat zij [A] sinds september 2013 nog steeds één keer per week ziet.

2.10

Met betrekking tot het vereiste van de wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding voeren, oordeelt het hof als volgt. Het hof constateert dat de vrouw, ook thans in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs, nog altijd heeft nagelaten de door het hof in de beschikking van 4 maart 2014 opgevraagde bankafschriften over te leggen. De vrouw heeft volstaan met het voorbrengen van een aantal getuigen. De gegeven verklaring van de vrouw dat zij te ziek was en is om alsnog bankafschriften te overleggen, acht het hof onaannemelijk. Uit de omstandigheid dat de vrouw kennelijk weigerachtig is afschriften van bankafschriften te verstrekken, trekt het hof de conclusie dat het beeld dat oprijst uit de wel overgelegde bankafschriften, te weten dat sprake is van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding, een juist beeld is.

De vrouw en [A] geven in de door hen afgelegde verklaringen weliswaar verklaringen voor een aantal in de bankafschriften gebleken ongerijmdheden, maar het hof acht deze verklaringen niet toereikend. Uit de wel overgelegde bankafschriften en uit haar eigen verklaring leidt het hof af dat de vrouw sinds 2006 de energiekosten voor [A] betaalde op de camping. De verklaring van [A] dat de vrouw voor hem de energiekosten betaalde en dat hij daarvoor wel eens tankte voor de vrouw, sigaretten voor haar haalde of het bedrag voor de energiekosten (via kennissen) aan haar deed toekomen, bevestigen deze wederzijdse verzorging. Voorts valt uit de bankafschriften af te leiden dat de vrouw enkele dagen achtereen boodschappen heeft gedaan bij de Albert Heijn in [plaats 1], te weten (iedere dag) op dinsdag 21, woensdag 22 en donderdag 23 augustus 2012. Dit duidt op een verblijf van enkele dagen op de camping. De vrouw heeft echter verklaard dat zij altijd in het weekend op de camping in [plaats 1] verbleef en hooguit een nacht bij [B] bleef slapen. Ook [B] heeft verklaard dat de vrouw hooguit een nacht bij haar bleef slapen. Uit het voorgaande trekt het hof de conclusie dat de vrouw van 21 tot en met 23 augustus 2012 op de camping heeft verbleven en dat dat bij [A] moet zijn geweest. [A] heeft immers verklaard dat hij in de zomer op de camping woonde. Ook de getuigenverklaring van de vrouw en van [A] dat hij wel eens € 300,- en een keer € 500,- van de vrouw heeft geleend, ontzenuwen niet het vermoeden dat er wel degelijk sprake is, dan wel was geweest van meer dan een goede vriendschap tussen de vrouw en [A]. Dat [A] ongeveer een jaar geleden een relatie met een andere vrouw heeft gekregen, doet niet af aan het feit dat het hof aannemelijk acht dat de vrouw en [A] wel op enig moment hebben samengewoond als waren zij gehuwd.

2.11

Nu de vrouw er in het onderhavige geval niet in is geslaagd het bewijsvermoeden dat sprake is, dan wel is geweest, van een samenwoning van de vrouw met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW te ontzenuwen. Aldus is het hof van oordeel dat de vrouw samenleeft, dan wel heeft samengeleefd met [A] als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW. Ingevolge dat artikel is de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de vrouw met ingang van de datum van 22 november 2012 geëindigd, nu de man heeft gesteld dat de vrouw in elk geval vanaf deze datum, zijnde de datum van ontvangst van het verzoekschrift in eerste aanleg, is gaan samenleven met [A].

2.12

Nu de alimentatieverplichting met ingang van 22 november 2012 is geëindigd kan de incidentele grief van de vrouw onbesproken blijven.

3 De slotsom

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief van de man in het principaal hoger beroep. Het hof komt niet toe aan de behandeling van de grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

3.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 maart 2013, voor zover deze in hoger beroep aan het hof is voorgelegd,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 13 september 2006, voor zover in die beschikking onder 4.2 is bepaald de verplichting van de man tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw voor de periode vanaf 22 november 2012 als volgt:

bepaalt dat de verplichting van de man om levensonderhoud te verschaffen aan de vrouw met ingang van 22 november 2012 van rechtswege is geëindigd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, E.H. Schulten en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. E. Baan als griffier, en is op 30 juni 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.