Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4798

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
24-006178-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Inleidende dagvaarding (alsnog) partieel nietig verklaard (onvoldoende gespecificeerd). Verdachte wordt ter zake van het overige ten laste gelegde deels vrijgesproken en veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2016/6406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006178-13

Uitspraak d.d.: 30 juni 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 2 juli 2013 met parketnummer 07-994501-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak en ter terechtzitting gegeven beslissing

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft ter voormelde terechtzitting naar aanleiding van een daartoe gevoerd preliminair verweer de inleidende dagvaarding partieel nietig verklaard voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje. De tenlastelegging is voor het overige geldig verklaard.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot

vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling ter zake van het onder 1 onder het derde gedachtestreepje tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. A.S. ten Doesschate, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 december 2009 tot en met 30 maart 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, een aantal paarden en/of pony's,

niet goed heeft verzorgd, aangezien dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 4 van het

Besluit welzijn productiedieren, immers:

- werden 19 paarden en/of pony's, althans een aantal paarden en/of pony's, die ziek of gewond waren of leken, zoals het hebben van diarree, schimmelinfectie, bloedworm, verwondingen en/of pusachtige vloeistof uit ogen en neus, niet onmiddellijk op een passende wijze verzorgd,

- kregen 58 paarden en/of pony's, althans een aantal paarden en/of pony's, geen toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer, zodat ze in goede gezondheid bleven en aan hun voedingsbehoeften werd voldaan, hetgeen bleek uit het aangetroffen beschimmelde ruwvoer, de verrotte voederaardappels, de afwezigheid van krachtvoer, en/of hun conditiescore 1 en 2,

en/of

niet goed heeft gehuisvest, aangezien dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 5 van het Besluit welzijn productiedieren, immers:

- hadden 18 paarden en/of pony's, althans een aantal paarden en/of pony's, op één of meerdere tijdstippen in de periode van 9 december 2009 tot en met 11 december 2009 geen toegang tot een toereikende hoeveelheid schoon water en konden zij niet op een andere wijze aan hun behoefte aan water voldoen, en/of

- waren voederinstallaties en/of drinkinstallaties niet zo ontworpen, gebouwd en geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voeder en water, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren tot een minimum werden (werd) beperkt, hetgeen is geconstateerd op de locatie [adres] (locatie 2), locatie [adres] (locatie 4, later 3), locatie [adres] (locatie 4) en/of locatie [adres] (locatie 1) in de verblijven 3,4,8 en/of [adres].


Met inachtneming van eerder vermelde partiële nietigheid is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde thans uitsluitend nog van belang de aanhef en de huisvesting onder het derde gedachtestreepje (beginnend met: "hadden 18 paarden".

2.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 december 2009 tot en met 30 maart 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, als houder van 79 (negenzeventig), althans een aantal paarden en/of pony's, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij:

- bij een Fries paard op locatie 4, later 3 ([adres]) de geconstateerde achterstallige hoefverzorging op 9 december 2009 niet behandeld, dan wel niet doen (laten) behandelen door een hoefverzorger;

- bij één paard op locatie 1 ([adres]), verblijf 3, de geconstateerde achterstallige hoefverzorging van 9 december 2009 en/of 11 december 2009 niet behandeld, dan wel niet doen (laten) behandelen door een hoefverzorger;

- bij een groot aantal paarden en/of pony's op locatie 1, in de verblijven 4, 8, 12 en/of [adres], op de locaties 2, 3 en/of 4, er niet voor gezorgd dat voor deze dieren voer beschikbaar was;

- bij een Fries paard (chipnummer [nummer]) op locatie [adres] op 9 december 2009 niet de op de huid en/of staart aanwezige mestresten verwijderd dan wel laten verwijderen;

- bij twee pony's op locatie 1 ([adres]), verblijf 17, op 9 december 2009 en/of 11 december 2009, niet de op huid en/of staart aanwezige mestresten verwijderd dan wel laten verwijderen;

- bij enkele paarden, op locatie 1, in verblijf 1 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 9 december 2009 en/of 11 december 2009;

- bij een paard, op locatie 1, in verblijf 2 niet gezorgd dat dat dier kon beschikken over een droge ligplaats op 9 december 2009 en/of 11 december 2009;

- bij een vijftal jonge paarden, op locatie 1, in verblijf 7 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 11 december 2009;

- bij een minipony, op locatie 1, in verblijf 9 niet gezorgd dat dat dier kon beschikken over een droge ligplaats op 9 december 2009 en/of 11 december 2009;

- bij negen paarden en/of pony's, althans één of meerdere paarden en/of pony's, op locatie 1, verblijf 10 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op

11 december 2009 en/of 3 maart 2010;

- bij vier, althans één of meerdere veulens, op locatie 1, verblijf 13 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 9 december 2009;

- bij vijf, althans één of meerdere veulens, op locatie 1, verblijf 14 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 11 december 2009 en/of 3 maart 2010.

Indien in de tenlastelegging - voor zover thans nog van belang - taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Het hof leest "locatie 11" in het onder 2 ten laste gelegde onder het negende gedachtestreepje verbeterd in "locatie 1". Voorts leest het hof de datum

"3 maart 2010" in het onder 2 ten laste gelegde onder het tiende en twaalfde gedachtestreepje telkens verbeterd in "3 februari 2010". De verdachte is door deze verbeterde lezingen niet geschaad in de verdediging.

Partiële nietigheid van de inleidende dagvaarding ter zake van het onder 2 ten laste gelegde

Het hof verklaart de inleidende dagvaarding (alsnog) partieel nietig voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde onder het derde gedachtestreepje (beginnend met: "bij een groot aantal"), omdat het verwijt daarin per paard en pony onvoldoende is gespecificeerd voor wat betreft de pleegdata, locaties en verblijven.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde onder het derde gedachtestreepje en het onder 2 ten laste gelegde onder het eerste, tweede, vierde en vijfde gedachtestreepje heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde onder het derde gedachtestreepje acht het hof met name niet wettig bewezen dat de paarden en pony's geen toegang hadden tot een toereikende hoeveelheid schoon water en dat zij niet op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen. Immers, de stukken vermelden slechts de afwezigheid van een permanente drinkwatervoorziening, zonder te vermelden of de paarden en pony's de beschikking hadden over een toereikende hoeveelheid schoon water of op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen, zoals artikel 5, achtste lid, van het Besluit welzijn productiedieren voorschrijft.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde onder het eerste en tweede gedachtestreepje acht het hof met name niet wettig bewezen dat sprake is geweest van achterstallige hoefverzorging die behandeld diende te worden door een hoefverzorger. In de stukken is niet omschreven waaruit de geconstateerde achterstallige hoefverzorging heeft bestaan, noch zijn foto's aan het dossier toegevoegd waarop de geconstateerde achterstallige hoefverzorging zou zijn waar te nemen.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde onder het vierde en vijfde gedachtestreepje acht het hof weliswaar bewezen dat telkens mestresten zijn aangetroffen op het paard respectievelijk de twee pony's, maar, nu in de stukken deze mestresten niet nader zijn omschreven, kan niet worden vastgesteld of aan deze dieren de nodige zorg is onthouden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 9 december 2009 tot en met 3 februari 2010 in Nederland opzettelijk, als houder van een aantal paarden en pony's, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij:

- bij enkele paarden, op locatie 1, in verblijf 1 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 9 december 2009 en 11 december 2009;

- bij een paard, op locatie 1, in verblijf 2 niet gezorgd dat dat dier kon beschikken over een droge ligplaats op 9 december 2009 en 11 december 2009;

- bij een vijftal jonge paarden, op locatie 1, in verblijf 7 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 11 december 2009;

- bij een minipony, op locatie 1, in verblijf 9 niet gezorgd dat dat dier kon beschikken over een droge ligplaats op 9 december 2009 en 11 december 2009;

- bij meerdere paarden en/of pony's, op locatie 1, verblijf 10 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 11 december 2009 en/of 3 februari 2010;

- bij vier veulens, op locatie 1, verblijf 13 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 9 december 2009;

- bij meerdere veulens, op locatie 1, verblijf 14 niet gezorgd dat die dieren konden beschikken over een droge ligplaats op 11 december 2009 en 3 februari 2010.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het hof is van oordeel dat de verwijten onder het zesde tot en met twaalfde gedachtestreepje van het onder 2 ten laste gelegde, ondanks het ontbreken van de woorden "en/of" tussen elk van die gedachtestreepjes, als aparte feiten moeten worden gezien, die ook afzonderlijk ten laste gelegd hadden kunnen worden. Het hof vat deze verwijten daarom op als impliciet cumulatief.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert aldus op:

zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op meerdere tijdstippen in de periode van 9 december 2009 tot en met

3 februari 2010 aan meerdere paarden en pony's de nodige verzorging onthouden door deze dieren telkens niet de beschikking te geven over een droge ligplaats.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 mei 2015 blijkt dat verdachte vóór het plegen van de bewezen verklaarde feiten eenmaal eerder ter zake van het plegen van soortgelijke feiten, onherroepelijk tot straf is veroordeeld. Deze straf heeft verdachte er niet van weerhouden de hiervoor bewezen verklaarde feiten te begaan.

Verdachte heeft te kennen gegeven er van overtuigd te zijn dat de staat waarin de stallen verkeerden goed was. Uit verdachtes houding spreekt dat hij op geen enkele wijze het laakbare van zijn gedrag inziet. Het hof overweegt dat verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor het welzijn van de dieren waarvan hij de verzorging op zich heeft genomen.

Het hof is alles overwegende van oordeel dat oplegging van een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden is. Gelet op het feit dat zich sinds de bewezen verklaarde feiten kennelijk niet opnieuw soortgelijke feiten hebben voorgedaan en ter voorkoming daarvan in de toekomst, zal het hof naast de werkstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren opleggen.

De berechting in eerste aanleg heeft echter niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. De redelijke termijn van berechting is - anders dan de raadsvrouw ter zitting van het hof heeft gesteld - aangevangen op of omstreeks 17 juni 2010, de dag waarop verdachte door de Algemene Inspectiedienst schriftelijk proces-verbaal is aangezegd en is uitgenodigd voor het afleggen van een verklaring (bijlage 33). Het eindvonnis is gewezen op 2 juli 2013. Weliswaar houdt een deel van de sindsdien verstreken tijd verband met het horen van getuigen door de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging, een misverstand over het doorgaan van de zitting van 18 september 2012 en de nietigverklaring van de inleidende dagvaarding op 8 januari 2013, doch dit rechtvaardigt niet een dergelijke lange duur van de behandeling in eerste aanleg. Derhalve is sprake van overschrijding van de termijn met een jaar en bijna 1 maand, hetgeen in strijd is met artikel 6, eerste lid, EVRM.

Echter, nu het hof, als laatste feitelijke instantie, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf van minder dan 100 uren zal opleggen, past het hof geen strafvermindering toe en volstaat het hof met het oordeel, dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd door de vaststelling hiervan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 37, 121 en 122 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt vast dat het hof ter terechtzitting van 16 juni 2015 de inleidende dagvaarding partieel nietig heeft verklaard voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje.

Verklaart de inleidende dagvaarding partieel nietig voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde onder het derde gedachtestreepje.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde onder het derde gedachtestreepje en het onder 2 ten laste gelegde onder het eerste, tweede, vierde en vijfde gedachtestreepje heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde onder het zesde tot en met twaalfde gedachtestreepje heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 30 juni 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.M. van Schuijlenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.