Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4796

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
1401154
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:6929, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:125
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Terbeschikkingstellingsregeling. Verlies?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1677
V-N 2015/42.1.3
FutD 2015-1917
NTFR 2015/2187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/01154

uitspraakdatum: 30 juni 2015

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 november 2014, nummer AWB 14/2254, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Hoofddorp (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.605. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 27. Bij beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 984.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 7.605, de belastingrentebeschikking gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 6 november 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft hierop in zijn conclusie van dupliek gereageerd.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door [B].

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende bezit alle aandelen in [C] bv (hierna: de bv).

2.2

Op 2 september 2002 heeft belanghebbende de woning aan de [a-straat] 68 te [D] verkocht. De verkoopopbrengst heeft de [a-bank] verrekend met diverse leningen die de [a-bank] aan belanghebbende en/of zijn gewezen echtgenote heeft verstrekt.

2.3

Belanghebbende heeft in 2000 de eigendom verworven van een woonhuis met bedrijfsruimte aan de [b-straat] 16 te [Z] (hierna: de onroerende zaak).

2.4

Op 17 augustus 2004 is de onroerende zaak op een veiling verkocht. Op 10 september 2004 hebben [E] bv en [F] bv de onroerende zaak verkregen door inschrijving in het kadaster van de akten van bijzondere veilingvoorwaarden, veiling, gunning, de command en kwijting.

2.5

Door het ontbreken van een bedrijfsruimte heeft de bv in 2004 haar onderneming gestaakt.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur terecht de aftrek van de verliezen uit terbeschikkingstelling en aanmerkelijk belang heeft geweigerd en of de Inspecteur het inkomen uit sparen en beleggen juist heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

3.2

Belanghebbende stelt dat bij het vaststellen van de aanslag met de volgende elementen rekening gehouden had moeten worden:

- negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 50.000 in verband met het ter beschikking stellen van de onroerende zaak aan de bv;

- verlies uit aanmerkelijk belang van € 45.000;

- verhoging van de rendementsgrondslag met een vordering op de [a-bank] van € 175.522;

- verhoging van de rendementsgrondslag met de waarde van de onroerende zaak van € 1.200.000.

3.3

De Inspecteur bestrijdt dat met deze elementen rekening gehouden moet worden.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, aanpassing van de aanslag met de door hem genoemde elementen en, naar het hof begrijpt, verhoging van het bij beschikking vastgestelde verlies uit aanmerkelijk belang tot € 45.000.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Verlies uit terbeschikkingstelling

4.1

Ingevolge artikel 3.90 in verbinding met artikel 3.92 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 wordt – voor zover hier van belang – onder werkzaamheid mede verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voor zover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft.

4.2

Belanghebbende stelt dat hij de onroerende zaak aan zijn bv ter beschikking heeft gesteld. De Inspecteur bestrijdt onder verwijzing naar de gedwongen verkoop van de onroerende zaak in 2004, dat belanghebbende de onroerende zaak aan de bv ter beschikking kan stellen.

4.3

Op belanghebbende rust de bewijslast, dat hij een verlies heeft geleden uit de terbeschikkingstelling van de onroerende zaak aan zijn bv.

4.4

Tegenover de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2012 de onroerende zaak aan de bv ter beschikking heeft gesteld.

4.5

De Inspecteur heeft daarom terecht geweigerd een verlies uit terbeschikkingstelling te accepteren.

Verlies uit aanmerkelijk belang

4.6

Belanghebbende stelt dat hij een verlies uit aanmerkelijk belang heeft geleden van
€ 45.000. Hij voert daartoe aan dat hij in 2012, indien de werkzaamheden van de onderneming die in de bv gedreven werd, na 2004 zouden zijn voortgezet, inkomen uit aanmerkelijk belang zou hebben genoten. Nu hiervan geen sprake is, is volgens belanghebbende sprake van een verlies uit aanmerkelijk belang.

4.7

De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat het betoog van belanghebbende niet kan slagen, omdat de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de bv inkomsten is misgelopen, niet met zich brengt dat belanghebbende een verlies uit aanmerkelijk belang heeft geleden.

4.8

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen en het Hof maakt dit oordeel en de daartoe gebezigde gronden tot de zijne.

Vaststelling inkomen uit sparen en beleggen

4.9

Belanghebbende verzoekt het inkomen uit sparen en beleggen hoger vast te stellen dan het door de Inspecteur bij de aanslag vastgestelde inkomen uit sparen en beleggen van nihil.

4.10

Het standpunt van belanghebbende zou ertoe leiden dat de aanslag moet worden verhoogd.

4.11

Belanghebbende heeft bij een oordeel over zijn standpunt geen belang, omdat dit hem niet in een gunstiger positie kan brengen. De stelling van belanghebbende kan daarom onbesproken blijven (vgl. HR 15 december 2006, nr. 40 333, LJN AZ4415, BNB 2007/133). Dit wordt niet anders indien de belanghebbende een buiten het desbetreffende besluit liggend belang heeft bij de beantwoording van de door hem aangevoerde twistpunten (vgl. HR 23 maart 2012, nr. 11/01321, ECLI:NL:HR:2012:BV0655, BNB 2012/157).

Belastingrente

4.12

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de aanslag niet wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 30 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema)

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 juni 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.