Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4792

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
14/00897
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen. Bevoegdheid belastingrechter. Klachten over invordering voorlopige aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1680
V-N 2016/31.22.25
FutD 2015-1933
NTFR 2015/2202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/00897

uitspraakdatum: 30 juni 2015

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2014, nummer
AWB 14/1611, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Ontvanger)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.635.

1.2.

Belanghebbende heeft bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

1.3.

De Rechtbank heeft zich bij uitspraak van 24 juli 2014 onbevoegd verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief, ingekomen bij het Hof op
21 augustus 2014, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van mr. [A] en [B], alsmede, namens de Ontvanger, [C].

1.7.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 3 januari 2012 een brief aan de Belastingdienst, Postbus 9048, 7300 GK Apeldoorn, gestuurd met daarin vermeld de wijziging van haar bankrekeningnummer. Het bankrekeningnummer was [000000] ([a-bank]) en moest worden [000001] ([b-bank]).

2.2.

Aan belanghebbende is met dagtekening 16 januari 2012 een eerste voorlopige aanslag IB/PVV 2012 opgelegd. Op deze voorlopige aanslag is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Te ontvangen € 2.711

Het bedrag, of het deel dat overblijft na verrekening, wordt in maandelijkse termijnen overgemaakt op rekeningnummer [000000]

(...)

Controleer uw gegevens goed. Zijn de (geschatte) gegevens goed, dan hoeft u verder niets te doen. Wijzigingen kunt u doorgeven met:

- het VA programma op www.belastingdienst.nl (alleen voor inwoners van Nederland).

-het formulier verzoek of wijziging voorlopige aanslag dat u kunt aanvragen bij de BelastingTelefoon.

(…)

Uw persoonlijke situatie in 2012

Uw fiscale partner is [D]”

2.3.

De Ontvanger heeft de teruggaaf over de maanden januari 2012 tot en met november 2012 overgemaakt op het bankrekeningnummer dat is vermeld op de eerste voorlopige aanslag. De laatste termijn heeft de Ontvanger overgemaakt op het bankrekeningnummer [000001].

2.4.

Met dagtekening 28 juni 2013 is ten name van belanghebbende een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2012 opgelegd. Deze voorlopige aanslag resulteert in een te betalen bedrag van € 2.721 en is opgelegd conform de ingediende aangifte IB/PVV 2012.

2.5.

Belanghebbende heeft op 1 juli 2013 contact opgenomen met de Belastingdienst en gemeld dat de teruggaaf op een onjuist bankrekeningnummer is overgemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft de Ontvanger bij brief van 12 juli 2013 aan belanghebbende meegedeeld dat hij een onderzoek zal instellen.

2.6.

De Ontvanger heeft op 1 augustus 2013 een verzoek om uitstel van betaling van de tweede voorlopige aanslag ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft de Ontvanger bij brief van 5 augustus 2013 belanghebbende verzocht binnen veertien dagen een vragenformulier in te vullen en te retourneren.

2.7.

Bij brief van 12 augustus 2013 heeft de Ontvanger de uitkomst van het door hem gedane onderzoek aan belanghebbende meegedeeld. De Ontvanger heeft belanghebbende gemeld dat de teruggaaf is uitbetaald op het door belanghebbende opgegeven bankrekeningnummer en dat de betreffende bankrekeninghouder is aangeschreven met het verzoek de teruggaaf aan de Ontvanger over te maken.

2.8.

Bij brief van 23 augustus 2013 heeft de Ontvanger, voor zover van belang, aan belanghebbende geschreven:

“-U schrijft in uw brief dat u in januari 2012 telefonisch een ander bankrekeningnummer had opgegeven. Een bankrekeningnummer kunt u niet telefonisch wijzigen, dit moet schriftelijk of elektronisch gebeuren. Dit in verband met mogelijke fraude.

(…)

Het is aan u beiden hoe u een rekeningnummer of teruggaven gebruikt dan wel verdeeld. Feit blijft dat de uitbetalingen van de Voorlopige Teruggaven op uw naam uitbetaald werden, op het bij ons bekende rekeningnummer van u op dat moment.

(…)

-Ik verzoek u dan ook (…) alsnog voor 1 september 2013 het op 5 augustus 2013 aan u gezonden formulier betreft een verzoek betalingsregeling geheel ingevuld en van gevraagde bewijsstukken voorzien, aan ons terug te zenden.”

2.9.

Bij brief van 21 september 2013 heeft belanghebbende, voor zover van belang, aan de Ontvanger geschreven:

“Hierbij na overleg met u dd. 19-09-2013, mijn schriftelijke bezwaar tegen [Hof: de tweede voorlopige aanslag].

(…)

Eind 2012 kwam ik er per toeval achter dat de belasting nog steeds mijn oude bankrekeningnummer gebruikte. Na een telefoontje eind november naar de belastingtelefoon (…) bleek inderdaad dat het rekeningnummer helemaal niet veranderd was. Hij heeft dit toen voor mij alsnog gedaan en hiervan een bevestiging gestuurd 14 december 2012.”.

2.10.

Bij brief van 24 september 2013 heeft de Ontvanger in aansluiting op zijn brief van 12 augustus 2013 (zie 2.7) aan belanghebbende meegedeeld dat de betreffende bankrekeninghouder geen gevolg heeft gegeven aan zijn verzoek om terugbetaling van de teruggaaf en dat hem verder geen middelen tot zijn beschikking staan de teruggaaf terug te vorderen. In dit verband heeft de Ontvanger de naam- en adresgegevens van de bankrekeninghouder verstrekt zodat belanghebbende een civiele procedure kan starten.

2.11.

Bij brief van 18 oktober 2013 heeft de Ontvanger, voor zover van belang, aan belanghebbende geschreven:

“Aan u, werd uitstel van betaling verleend voor de volgende aanslag. [Hof: tweede voorlopige aanslag]. Hierbij deel ik u mee dat het uitstel is vervallen omdat de in de uitstelbeschikking genoemde termijn inmiddels is verstreken of op het bezwaar- of beroepschrift inmiddels is beslist.”

2.12.

Bij brief van 23 oktober 2013 heeft de Ontvanger aan belanghebbende geschreven dat het uitstel is ingetrokken omdat de Belastingdienst niet verantwoordelijk is voor de onjuiste uitbetaling.

2.13.

De Ontvanger heeft belanghebbende op 11 december 2013 een aanmaning gezonden wegens het uitblijven van betaling van de tweede voorlopige aanslag.

2.14.

Bij brief van 17 december 2013 heeft Stichting [E] namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de tweede voorlopige aanslag.

2.15.

De Ontvanger heeft op 28 januari 2014 een dwangbevel aan belanghebbende betekend.

2.16.

Bij brief van 30 januari 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het dwangbevel. Verder heeft belanghebbende in deze brief geschreven dat zij, omdat zij op alle eerdere bezwaren geen of onvoldoende reacties heeft ontvangen, genoodzaakt is de zaak aan de rechter voor te leggen.

2.17.

Belanghebbende heeft bij brief van 25 februari 2014, ontvangen door de Rechtbank op 5 maart 2014, beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

2.18.

De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.19.

Belanghebbende heeft tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2012 geen bezwaar gemaakt.

3 Geschil

In geschil is of de Rechtbank bevoegd is, en zo ja, of de Belastingdienst in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en of belanghebbende in aanmerking komt voor een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4 Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid

4.1.

Ingevolge artikel 26, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), kan – voor zover van belang – tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft: a. een belastingaanslag of b. een voor bezwaar vatbare beschikking. Ingevolge artikel 7:1, lid 1, van de Awb, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te worden gemaakt.

4.2.

Belanghebbende heeft, nu de tweede voorlopige aanslag is opgelegd conform de ingediende aangifte IB/PVV 2012, geen bezwaar tegen de hoogte daarvan, maar tegen de betaling door haar van deze aanslag omdat zij de teruggaaf – die voortvloeide uit de eerste voorlopige aanslag – niet op haar bankrekening heeft ontvangen. Aangezien de teruggaaf door haar ex-partner is ontvangen, dient de Ontvanger bij hem de tweede voorlopige aanslag in te vorderen, aldus belanghebbende.

4.3.

Het in 4.2 vermelde, betekent dat het betoog van belanghebbende zich richt tegen de betaling en daarmee de invordering van de tweede voorlopige aanslag. Hierop is de Invorderingswet 1990 van toepassing.

4.4.

Onder het begrip ‘belastingwet’ zoals opgenomen in artikel 26, lid 1, van de AWR (zie 4.1), dient te worden verstaan de AWR en andere wettelijke bepalingen betreffende de heffing van belastingen welke van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven (artikel 2, lid 1, letter a, in verbinding met artikel 1 van de AWR). De Invorderingswet 1990 is geen belastingwet in de hier bedoelde zin.

4.5.

Ingevolge artikel 8:5, lid 1, van de Awb, kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort. In bijlage 2, de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, wordt in artikel 1 bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit genomen op grond van de Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a. Nu de invordering van een aanslag niet onder één van deze drie genoemde artikelen van de Invorderingswet 1990 valt, kan geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

4.6.

Uit artikel 1, lid 2, van de Invorderingswet 1990, kan worden afgeleid dat titel 4.4 van de Awb (‘Bestuursrechtelijke geldschulden’) van toepassing is, met uitzondering van artikel 4:125. Ingevolge artikel 4:85, lid 1, letter b, van de Awb, is titel 4.4 van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep. In artikel 9.5, lid 3, van de Wet IB 2001, wordt bepaald dat een voorlopige aanslag, waarvan in het onderhavige geval sprake is, niet voor bezwaar vatbaar is. Dit brengt mee dat titel 4.4 te dezen niet van toepassing is.

4.7.

Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de Rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard en terecht heeft vermeld dat uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. Hier voegt het Hof aan toe dat op de belastingrechter geen verplichting rust de zaak door te zenden naar de burgerlijke rechter. Verder is van belang dat het aanhangig maken van een zaak bij de burgerlijke rechter eigen procedurele eisen kent.

Schadevergoeding

4.8.

Nu de Rechtbank onbevoegd is, kan zij ook niet toekomen aan een oordeel over het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb en dient dit verzoek ook door de burgerlijke rechter te worden behandeld (vgl. HR 20 december 2013, 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797). Aangezien de Rechtbank evenbedoeld verzoek toch heeft behandeld en afgewezen, kan de uitspraak van de Rechtbank om deze reden niet in stand blijven.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende dient gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken vast op € 735 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting Hof à € 490 per punt met wegingsfactor 0,5).

6 Beslissing
Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen;

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

– veroordeelt de Ontvanger in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 735;

– gelast dat de Ontvanger aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 122 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. C.M. Ettema, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 30 juni 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.