Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4719

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
200.167.482
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Hoger beroep van de moeder en bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.167.482, 200.169.066, 200.170.558 en 200.170.561

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 384398 en 392233)

beschikking van de familiekamer van 25 juni 2015

in de zaken met de nummers 200.167.482 en 200.170.561 van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.J.M.J. Werners te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

tegen

de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn in deze beide zaken aangemerkt:

mr. [A],

in haar hoedanigheid van bijzonder curator van
[kind], verder te noemen: [kind],

kantoorhoudende te Utrecht,

verder te noemen: de bijzonder curator,

en

[belanghebbende 1] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de vader.

En in de zaken met de nummers 200.169.066 en 200.170.558 van:

mr. [A],

in haar hoedanigheid van bijzonder curator van [kind],

kantoorhoudende te Utrecht,

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de bijzonder curator,

tegen

de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbenden zijn in deze beide zaken aangemerkt:

[belanghebbende 2] ,

wonende te Vorden, gemeente Bronckhorst,

verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.J.M.J. Werners te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

en

[belanghebbende 1] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de vader.

1 De gedingen in eerste aanleg

Het hof verwijst voor de gedingen in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 januari 2015 en 7 mei 2015, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 De gedingen in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedures blijkt uit de volgende stukken.

In de zaak met nummer 200.167.482

- het beroepschrift van de moeder, ingekomen op 3 april 2015;

- het verweerschrift van de GI, ingekomen op 22 april 2015;

- een journaalbericht van mr. Werners van 11 mei 2015, ingekomen op 12 mei 2015.

In de zaak met nummer 200.169.066

- het beroepschrift van de bijzonder curator, ingekomen op 24 april 2015;

- een brief van de GI van 21 mei 2015 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

In de zaak met nummer 200.170.558

- het beroepschrift van de bijzonder curator, ingekomen op 26 mei 2015.

In de zaak met nummer 200.170.561

- het beroepschrift van de moeder, ingekomen op 29 mei 2015.

2.2

[kind] is op 4 juni 2015, buiten aanwezigheid van partijen, voorafgaande aan de mondelinge behandeling, door het hof gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 4 juni 2015 plaatsgevonden. Gelet op de samenhang van de vier zaken zijn deze zaken op verzoek van dan wel met voorafgaande instemming van de moeder, de bijzonder curator en de GI, alsmede met instemming van de vader ter zitting, gevoegd behandeld.

De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Voorts is de bijzonder curator verschenen. Namens de GI is de heer H. [B], jeugdzorgwerker, verschenen. De vader is in persoon verschenen. De Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is niet verschenen.

3 De vaststaande feiten in alle zaken

3.1

Uit het op 30 juli 2007 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 1999 [kind] geboren. De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind]. Bij de echtscheidingsbeschikking is de hoofdverblijfplaats van [kind] bij de moeder bepaald.

3.2

Bij beschikking van 13 augustus 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, [kind] onder toezicht gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (thans: de GI) tot 13 augustus 2015.

3.3

Bij beschikking van 17 april 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, mr. [A] voor de periode van 17 april 2015 tot uiterlijk 13 augustus 2015 benoemd tot bijzonder curator van [kind] teneinde haar belangen ten aanzien van haar verblijfplaats te behartigen.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 28 januari 2015 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind] bij de vader, met ingang van 28 januari 2015 tot uiterlijk 13 augustus 2015. Deze machtiging is door de GI niet binnen de termijn van drie maanden ten uitvoer gelegd, waardoor de machtiging is vervallen.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 7 mei 2015 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI opnieuw machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind] bij de vader, met ingang van 7 mei 2015 tot 13 augustus 2015.

3.6

[kind] heeft sinds de echtscheiding bij de moeder gewoond. Van 27 januari 2014 tot
10 oktober 2014 heeft zij bij de vader gewoond. Sinds 10 oktober 2014 verblijft zij weer bij de moeder. De moeder en [kind] zijn in december 2014 van [plaats] naar [woonplaats] verhuisd.

4 De motivering van de beslissing

4.1

In de zaken met nummers 200.167.482 en 200.169.066 hebben de moeder respectievelijk de bijzonder curator ter zitting erkend dat zij geen belang meer hebben bij een beoordeling van het hoger beroep tegen de beschikking van 28 januari 2015, nu de bij die beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing niet tijdig is ten uitvoer gelegd en daarmee is vervallen. Gelet hierop zal hof de verzoeken in hoger beroep van de moeder en de bijzonder curator in deze zaken afwijzen.

Ter beoordeling staat daarmee uitsluitend nog het hoger beroep van de bijzonder curator en dat van de moeder tegen de beschikking van 7 mei 2015 (de zaken met nummers 200.170.558 en 200.170.561).

4.2

De bijzonder curator heeft twee grieven gericht tegen de bestreden beschikking van

7 mei 2015. Deze grieven zien op het ontbreken van gronden tot het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind]. De bijzonder curator verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot machtiging om [kind] uit huis te plaatsen bij de vader, alsnog af te wijzen.

4.3

De moeder heeft vier grieven gericht tegen de bestreden beschikking van 7 mei 2015. Ter mondelinge behandeling heeft de moeder de grieven 1 tot en met 3 ingetrokken en (naar het hof begrijpt:) haar verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig aangepast. Grief 4 ziet op het ontbreken van gronden tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] bij de vader. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI tot machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] bij de vader af te wijzen.

4.4

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.5

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de GI tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de bijzonder curator en de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [kind]’s verzorging en opvoeding dan wel tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.6

Als gronden voor de uithuisplaatsing heeft de GI aangevoerd:

  1. dat het voor een opgroeiend kind als [kind] per definitie ongezond is dat het contact tussen de vader en haar in de afgelopen maanden tot vrijwel nihil is gereduceerd;

  2. dat het deels goed gaat met [kind] op school, maar grotendeels niet. Haar docenten vinden het, aldus de GI ter mondelinge behandeling bij dit hof, zorgelijk dat [kind] het bij een opdracht over politieke partijen alleen maar over de GI heeft en daarin de hele klas meetrekt;

  3. dat de moeder handelt en besluiten neemt in het leven van [kind] vanuit haar eigen behoeften en niet vanuit de behoeften van [kind]. Zo was de verhuizing van [kind] naar [woonplaats] in december 2014 niet in haar belang. [kind] mist haar oude vriendinnen;

  4. dat de voor [kind] benodigde hulpverlening niet op gang is gekomen. De raad heeft in juli 2014 geadviseerd [kind] te helpen door een persoonlijkheidsonderzoek te laten afnemen en haar een hulpverleningstraject aan te bieden. Dit is niet tot stand gekomen, niet alleen door de verhuizing naar [woonplaats], maar ook omdat de moeder heeft geweigerd een toestemmingsverklaring voor het persoonlijkheidsonderzoek te ondertekenen.

4.7

Blijkens het rapport van de raad van 10 juli 2014 zijn de ouders na jarenlange ruzies en spanningen, ook in het bijzijn van [kind], in 2007 gescheiden. De communicatie tussen de ouders is na de scheiding, aldus de raad, slecht gebleven. Zoals het hof ter mondelinge behandeling heeft kunnen constateren, is de verstandhouding tussen de ouders onverminderd slecht. De ouders zijn er kennelijk zo aan gewend geraakt elkaar als persoon en als ouder van [kind] te diskwalificeren, dat zij dit zelf niet meer lijken te merken. De heftige onderlinge strijd tussen de ouders met als inzet [kind], heeft [kind] in een loyaliteitsconflict gebracht, dat ertoe heeft geleid dat zij in haar pubertijd ervoor heeft gekozen om de ene periode extreem de kant van de vader te kiezen en in de andere periode juist weer volledig de kant van de moeder. Sinds oktober 2014 uit [kind] evenwel een consistente en bestendige wens om haar hoofdverblijfplaats bij de moeder te hebben. De bijzonder curator heeft ter zitting bij het hof verklaard dat [kind] in deze wens zeer standvastig is en dat zij haar keuze goed heeft kunnen beargumenteren.

Hoewel het hof de zorgen van de GI en van de vader over het loyaliteitsconflict van [kind] deelt, evenals die over het gebrek aan contact met de vader, is niet althans onvoldoende aannemelijk geworden dat het thuis bij haar moeder en op school niet goed met [kind] gaat. Zo ontbreekt rechtstreekse informatie vanuit school waaruit volgt dat het - zoals de gezinsvoogd en de vader stellen, maar de moeder en de bijzonder curator evenals [kind] betwisten - op school niet goed met [kind] zou gaan. Allerminst valt uit te sluiten dat de door de GI en de vader gestelde ziekmeldingen op school hun oorzaak vinden in het grote aantal procedures waarbij [kind] betrokken is geweest en haar vrees bij de vader te moeten gaan wonen. Evenmin heeft de GI melding gemaakt van zorgelijke incidenten tussen de moeder en [kind] sinds zij in oktober 2014 weer bij de moeder is gaan wonen, noch is daarvan anderszins gebleken.

4.8

De moeder heeft ter mondelinge behandeling bij dit hof erkend dat het geen schoonheidsprijs verdient dat zij zonder voorafgaand overleg met de GI en de vader met [kind] is verhuisd naar [woonplaats]. In het licht van het feit dat het hier een ruim vijftienjarig meisje betreft dat al ruim een half jaar met alle haar ter beschikking staande middelen laat weten dat zij niet bij de vader wil wonen, en dat zich in die zin ook duidelijk heeft uitgelaten ten overstaan van het hof, acht het hof deze verhuizing zonder voorafgaand overleg, voor welke verhuizing de moeder op zichzelf goede redenen had, echter onvoldoende om een gedwongen uithuisplaatsing naar de vader te rechtvaardigen.

4.9

Dat het contact tussen [kind] en de vader sedert eind 2014 op een laag pitje is komen te staan is, mede gelet op het hiervoor overwogene, evenmin voldoende reden om tot een uithuisplaatsing van [kind] bij de vader te komen. Zoals de bijzonder curator heeft aangevoerd en [kind] zelf ten overstaan van het hof heeft bevestigd, wil [kind] haar vader graag blijven zien, maar dan niet meer met een vast omgangsschema. Zij zegt meer te hechten aan de kwaliteit van het contact met de vader dan aan de kwantiteit van de omgangsmomenten.

4.10

Het hof constateert voorts dat het ten gevolge van de verhuizing van de moeder met [kind] naar [woonplaats] noodzakelijk zal zijn dat de uitvoering van de lopende ondertoezichtstelling zal worden overgedragen aan een gecertificeerde instelling in de regio Zutphen, met aanwijzing van een nieuwe jeugdzorgwerker.

Volgens de moeder heeft de huisarts aangeraden pas tot een persoonlijkheidsonderzoek bij [kind] over te gaan wanneer er rust is gekomen voor [kind]. Het hof gaat ervan uit dat de moeder onverwijld haar medewerking aan een persoonlijkheidsonderzoek zal verlenen indien en voor zover de opvolgende jeugdzorgwerker dit in het stadium waarin [kind] zich dan bevindt, nog steeds in het belang van [kind] noodzakelijk acht.

Daarnaast gaat het hof ervan uit dat de opvolgende jeugdzorgwerker de regie zal nemen om een omgangsregeling tussen de vader en [kind] tot stand te brengen die, rekening houdend met de wensen van [kind], in het belang van [kind] kan worden geacht. Ten slotte acht het hof het dringend gewenst dat de opvolgende jeugdzorgwerker de nodige stappen zal nemen die zullen leiden tot verbetering van de communicatie tussen de ouders. Het hof onderschrijft het belang dat de ouders met elkaar in gesprek komen waar het [kind] aangaat, maar het heeft niet de overtuiging dat een gedwongen uithuisplaatsing van [kind] tegen haar wil een wezenlijke bijdrage zal leveren aan de verbetering van de verstandhouding tussen de ouders.

Gezien de bij [kind] geconstateerde weerstand tegen het wonen bij de vader ziet het hof onvoldoende aanleiding de vader te volgen in zijn verwachting dat [kind] het vrij snel zal accepteren als zij bij hem moet komen wonen.

4.11

Gelet op het voorgaande acht het hof onvoldoende grond aanwezig voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] bij de vader. De grieven van de bijzonder curator tegen de bestreden beschikking van 7 mei 2015 slagen. De tegen deze beschikking gerichte grief 4 van de moeder slaagt evenzeer. De bestreden beschikking van 7 mei 2015 zal dan ook worden vernietigd. Het inleidend verzoek van de GI zal alsnog worden afgewezen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaken met nummers 200.167.482 en 200.169.066:

verstaat dat de bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 januari 2015 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] bij de vader met ingang van 28 april 2015 is vervallen;

wijst de verzoeken van de moeder en de bijzonder curator in hoger beroep af;

in de zaken met nummers 200.170.558 en 200.170.561:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 mei 2015 en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] bij de vader alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.J. Laurentius-Kooter en

K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op

25 juni 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.