Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4677

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
14/01153
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:6802, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Beschikking verlies uit aanmerkelijk belang. Rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1491
V-N 2015/45.2.2
FutD 2015-1655
NTFR 2015/1997
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

Nummer 14/01153

uitspraakdatum: 23 juni 2015

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 oktober 2014, nummer AWB 14/2668, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Roosendaal (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 tegelijkertijd een “beschikking vaststelling verlies uit aanmerkelijk belang” van nihil alsmede een “beschikking omzetting verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting” van nihil afgegeven.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar beide beschikkingen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 oktober 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [A] namens de Inspecteur.

1.7

Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende was enig aandeelhouder van [B] BV en [C] BV. [B] BV was de enig aandeelhoudster van [D] BV. In deze drie vennootschappen is het minimum aandelenkapitaal van € 18.151 door de aandeelhouders gestort. De vennootschappen zijn inmiddels geliquideerd.

2.2

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Hierbij heeft de Inspecteur geen verlies uit aanmerkelijk belang vastgesteld.

2.3

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend en heeft tegen de afwijzende beslissing van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

2.4

Met zijn aan belanghebbende gerichte brief van 2 april 2013 heeft de Inspecteur hem het volgende medegedeeld:

“Op 27 maart 2013 ontving ik uw brief waarin u vraagt om het aanmerkelijk belangverlies in de aangifte inkomstenbelasting 2010 en 2011 om te zetten in een belastingkorting als bedoeld in artikel 4.53 Wet inkomstenbelasting 2001. (…)

Volgens mijn gegevens dienen de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2010 en 2011 nog te worden vastgesteld, waarbij ik overigens opmerk dat uitsluitend in de aangifte 2011 een aanmerkelijk belangverlies van € 18.151 wordt geclaimd.

Ik verzoek u dus pas om een beschikking te verzoeken als het verlies bij definitieve aanslag is vastgesteld. Ik heb overigens in ons systeem aangegeven om deze beschikking te verstrekken direct na vaststelling van de definitieve aanslag 2011, omdat u bij deze al een verzoek hiertoe heeft gedaan.”

2.5

Op 13 juni 2013 heeft het onderzoek ter zitting bij de in 2.3 bedoelde rechtbank plaatsgevonden. Ter zitting hebben partijen een compromis gesloten, hetgeen is vastgelegd in onderdeel 2.1 van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 17 juni 2013. Dit compromis luidt als volgt:

“Partijen zijn ter zitting nader tot overeenstemming gekomen in die zin dat

-de aanslag IB 2009 wordt verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.396 en een verlies uit aanmerkelijk belang van € 70.000, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan voorheffingen van in totaal € 4.270 (de door PGGM ingehouden loonheffing);

-een aanslag IB 2010 aan belanghebbende wordt opgelegd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.614 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil:

-een aanslag IB 2011 aan belanghebbende wordt opgelegd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.647 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil,

-de belastingkorting op grond van het negatieve inkomen uit aanmerkelijk belang over 2009, overeenkomstig artikel 4.53 van de Wet IB 2001, wordt verrekend met de aanslag IB 2011 en eventueel met aanslagen IB over latere jaren,

-de inspecteur aan belanghebbende een immateriële schadevergoeding betaalt van € 1.500, maar dat hij geen materiële schadevergoeding aan belanghebbende verschuldigd is,

-de inspecteur aan belanghebbende zijn proceskosten vergoedt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit),

-de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt”

2.6

In het proces-verbaal van de zitting van 13 juni 2013 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant is verder het navolgende opgenomen:

‘ (…) In antwoord op vragen van de rechtbank verklaart belanghebbende:

Ik kan mij verenigen met het idee om alle geschilpunten, ten aanzien van alle nog openstaande jaren, nu ineens af te wikkelen.

(…)

In antwoord op vragen van de rechtbank verklaart de inspecteur:

(…)

Ik wil graag met belanghebbende tot een vergelijk komen, maar dan wel over alle nog in geschil zijnde punten. (…)

Het pensioen vormde in 2009 wél inkomen. Daarom moet het verlies uit aanmerkelijk belang met de pensioenuitkering worden verhoogd. Het verlies uit aanmerkelijk belang bedraagt dan € 26.710, te verhogen met het pensioen van € 21.777, is € 48.487. Ik ga verder akkoord met bijtelling van tweemaal de verkrijgingsprijs van de aandelen in de besloten vennootschap, wat neerkomt op € 36.302, zodat het verlies uit aanmerkelijk belang € 84.789 bedraagt. Dat is dus het bedrag wat voor verrekening in aanmerking komt. Dan worden de stamrecht- en pensioenuitkeringen in de jaren 2010 en 2011 niet belast, ook niet als afkoop. (…) Verder ben ik dan bereid akkoord te gaan met betaling van een immateriële schadevergoeding van drie maal € 500, te weten € 1.500. Tot slot ga ik akkoord met proceskostenvergoeding volgens het forfait (…).

In antwoord op vragen van de rechtbank verklaart de inspecteur nog:

Ik ga eveneens akkoord met het niet belasten van de stamrechtuitkering in 2009. Dat heeft tot gevolg dat het verlies uit aanmerkelijk belang € 15.000 minder bedraagt, zodat dit € 70.000 beloopt. Het belastbaar inkomen over 2009 bedraagt dan € 68.862 minus € 21.777 en € 22.689, te weten € 24.396. Daarvan mag de inhouding op de stamrechtuitkering worden afgetrokken. (…) De inhouding door PGGM bedraagt € 4.270. Het verlies uit aanmerkelijk belang is dan € 70.000. Het belastbaar inkomen over 2010 bedraagt € 26.614 en over 2011 is dat € 33.647.

In antwoord op vragen van de rechtbank verklaart belanghebbende nog:

Ik ga akkoord met het voorstel van de inspecteur. Dat komt neer op een verlies uit aanmerkelijk belang in 2009 van € 70.000, een bedrag aan ingehouden loonheffing in 2009 van € 4.270, een belastbaar inkomen in 2010 van € 26.614 en in 2011 van € 33.647, een immateriële schadevergoeding van € 1.500 en vergoeding van proceskosten volgens het forfait. Ik wil graag van de zaak af.”

2.7

In zijn bezwaarschrift tegen de in 1.1 vermelde beschikkingen heeft belanghebbende over het verloop van de zitting bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant het volgende geschreven:

“Echter na de zitting, ontstond er een verschil van interpretatie tussen partijen, betreffende de specificatie van de overeengekomen 70.000,-- verlies aanmerkelijk belang. Het verlies uit aanmerkelijk belang voortvloeien uit de indertijd gedane stortingen van aandelenkapitaal na liquidatie van de betreffende vennootschappen was niet in de discussie en het accoord betrokken.

Tijdens de zitting op 13 juni 2013 stelde de rechter aan ondergetekende voor om over de aan de orde zijnde afspraak “nog een nachtje te slapen” en vervolgens het resultaat telefonisch mede te delen. Echter gelet op de bij mij aan de orde zijnde liquiditeitsproblemen had ik behoefte aan snelheid. De rechter heeft dit verzoek mijnerzijds om snelheid gehonoreerd en reeds op 17 juni 2013 een uitspraak gedaan. Op 17 juni 2013 heeft ondergetekende nog getracht het manco alsnog in te brengen, doch de zitting was reeds gesloten”

2.8

In zijn brief van 14 juni 2013 gericht aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft belanghebbende met betrekking tot het gesloten compromis het volgende opgenomen:

‘ Tijdens de zitting gisteren (…) werd er een package deal gesloten. (…) Er werd een bedrag overeengekomen ad Euro 70.000,-- voor de omzetting van TBS stortingen naar informele kapitaalstortingen c.q. aanmerkelijk belang verliezen box 2.

Tijdens een telefonisch overleg deze morgen stelt Dhr. [E] dat dit bedrag inclusief het aanmerkelijk belangverlies is, dat voortvloeit uit de indertijd gestorte aandelenkapitalen 3 X 18.151,-- = 54.453,--.

Het bedrag uit de package deal, dat ik heb gesloten, is als volgt te specificeren.

Reeds overeengekomen bedrag 2009 26.710,--

TBS stortingen 2010 (zie bijlage) volgens

onderliggende stukken 37.804,--

64.514,--

Deel z.g. gemengde kosten 5.486,--

Totaal 70.000,--

=====

(…)

Wanneer de interpretatie van Dhr. [E] wordt gevolgd, geeft dat het navolgende resultaat.

Verlies t.g.v. liquidatie vennootschappen 54.453,-- vermeerderd met het eerder overeengekomen bedrag over 2009 ad 26.710,-- = 81.163,--!!!

(…)’

2.9

De Inspecteur heeft op de in 2.8 opgenomen brief als volgt schriftelijk gereageerd:

‘ (…) Van belanghebbende (…) heb ik met dagtekening 14 juni 2013 een schrijven ontvangen dat hij vermoedelijk ook tot de Rechtbank heeft gericht.

In die brief bepleit hij – zo leid ik af uit de tekst – het einde AB verlies op € 81.163 te bepalen vanuit de misvatting dat er drie maal de verkrijgingsprijs als basis voor de berekening van het einde AB verlies is opgenomen.

Om misverstanden te voorkómen is afgesproken een totaal (einde) AB verlies van € 70.000

Bestaande uit de componenten:

Bij oorspronkelijk “compromis” genoemde bedrag, berekening aan partijen bekend : € 26.710

Vermeerderd met twee * € 18.151 =(verkrijgingsprijs van Holding en stamrecht BV) € 36.302

(NB de werkBV hing onder de Holding waardoor de VerkrijgingsPrijs daarvan niet meetelt)

bij compromis aanvaard deel van de “gemengde kosten” gemaakt voor de Holding

(totale tijdvak 2002 t/m liquidatie) € 6.988

----------

totaal € 70.000

(…)’

2.10

De Inspecteur heeft van voormelde zitting van 13 juni 2013 zijn zittingsaantekeningen overgelegd. Zijn aantekeningen stemmen overeen met het in de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant opgenomen compromis.

2.11

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant geen hoger beroep ingesteld.

2.12

Belanghebbende heeft op 17 januari 2014 verzocht om een verlies uit aanmerkelijk belang in het jaar 2011 van € 54.453,63 om te zetten in een belastingkorting.

2.13

De Inspecteur heeft, zoals hij ter zitting bij het Hof heeft verklaard, met zijn aan belanghebbende gerichte brief van 22 januari 2014, een tweetal beschikkingen afgegeven. Enerzijds heeft hij daarbij een beschikking vaststelling verlies uit aanmerkelijk belang voor het jaar 20111 van nihil afgegeven en anderzijds een beschikking omzetting verlies uit aanmerkelijk belang voor datzelfde jaar in een belastingkorting van eveneens nihil.

2.14

Belanghebbende heeft hiertegen tevergeefs bezwaar aangetekend. Tegen de afwijzende beslissingen van de Inspecteur heeft belanghebbende vervolgens beroep bij de Rechtbank ingesteld.

2.15

De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur de in 2.13 vermelde nihil-beschikkingen terecht heeft afgegeven.

3.2

Belanghebbende is van mening dat, ondanks het in 2.5 vermelde compromis, hij in 2011 een verlies uit aanmerkelijk belang heeft gerealiseerd. Naast het verlies uit aanmerkelijk belang van het jaar 2009, dat is gebaseerd op informele kapitaalstortingen, heeft hij, aldus nog steeds belanghebbende, recht op een verlies uit aanmerkelijk belang en een daarmee samenhangende belastingkorting op grond van de in 2.1 bedoelde formele stortingen van aandelenkapitaal van in totaal € 54.453,63. Hij stelt voorts dat hij het compromis nooit zou hebben geaccepteerd indien hij zich zou hebben gerealiseerd dat voor de stortingen van het aandelenkapitaal geen (aanvullend) verlies uit aanmerkelijk belang voor het jaar 2011 zou worden vastgesteld.

3.3

De Inspecteur is de mening toegedaan dat belanghebbende aan het in 2.5 vermelde compromis gehouden dient te worden en dat daarin voormelde formele kapitaalstortingen, althans voor een bedrag van € 36.302, zijn begrepen zodat deze niet nog eens in het jaar 2011 tot een verlies uit aanmerkelijk belang kunnen leiden. De Inspecteur stelt dat overigens nooit meer dan € 36.302 (tweemaal de volstorting van het minimum aandelenkapitaal van € 18.151) in aanmerking zou kunnen worden genomen omdat belanghebbende slechts de aandeelhouder was in [B] BV en [C] BV. De aandelen in de derde vennootschap, [D] BV, werden niet door belanghebbende maar door [B] BV gehouden.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en tot afgifte van een beschikking verlies uit aanmerkelijk belang voor het jaar 2011 ter grootte van € 54.453,63 alsmede tot afgifte van een beschikking tot omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting ter grootte van € 13.613.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende stelt in wezen dat het tussen hem en de Inspecteur gesloten compromis niet uitsluit dat voor het jaar 2011 een beschikking verlies uit aanmerkelijk belang alsmede een beschikking omzetting verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting dient te worden afgegeven. Omdat in 2011 geen liquidatie-uitkeringen zijn gedaan meent hij het totaal van de verkrijgingsprijzen van de aandelen in de in 3.3 genoemde vennootschappen, ter grootte van de volstortingen van de aandelenkapitalen in die vennootschappen, als verlies uit aanmerkelijk belang in aanmerking te kunnen nemen.

4.2

Gelet op de tekst van het compromis zoals opgenomen in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, alsmede het proces-verbaal van de zitting en de zittingsaantekeningen van de Inspecteur, is naar het oordeel van het Hof buiten twijfel dat partijen zijn overeengekomen dat het verlies uit aanmerkelijk belang in 2011 nihil bedraagt en dat in het compromis ook voornoemde formele kapitaalstortingen voor twee van de drie vennootschappen zijn begrepen. Aangezien de aandelen in [D] BV door [B] BV en niet door belanghebbende werden gehouden heeft de Inspecteur terecht niet de storting van het aandelenkapitaal in [D] BV tot het verlies uit aanmerkelijk belang gerekend en heeft belanghebbende voor de aandelen in deze laatste vennootschap terecht geen (negatief) vervreemdingsvoordeel genoten.

4.3

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof gesteld dat, zoals ook zou blijken uit de laatste alinea van het in 2.6 opgenomen proces-verbaal van de zitting, hij slechts akkoord is gegaan met een verlies uit aanmerkelijk belang in 2009 van € 70.000 en dat hij er van uitging dat dat zou betekenen dat voor het jaar 2011 nog een aanvullend verlies uit aanmerkelijk belang zou kunnen worden vastgesteld. Het Hof acht deze stelling niet aannemelijk. In diezelfde alinea is namelijk ook vermeld dat belanghebbende akkoord ging met een belastbaar inkomen voor het jaar 2011 van € 33.647. Buiten twijfel is hiermee het belastbare inkomen uit werk en woning bedoeld. Indien bedoeld zou zijn dat het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang voor 2011 op een ander bedrag dan nihil zou dienen te worden vastgesteld dan ligt het voor de hand dat belanghebbende dat op dat moment zou hebben gezegd. Belanghebbende heeft zulks echter nagelaten.

4.4

Indien er van dient te worden uitgegaan dat belanghebbende wel dat innerlijk voorbehoud heeft gemaakt, inhoudende dat hij slechts akkoord is gegaan met een verlies uit aanmerkelijk belang in 2009 van € 70.000 omdat hij er van uitging dat dat zou betekenen dat voor het jaar 2011 nog een aanvullend verlies uit aanmerkelijk belang zou kunnen worden vastgesteld, heeft te gelden dat hij aan zijn verklaringen, inhoudende dat hij het totaal-compromis accepteert, ook met betrekking tot het jaar 2011, gehouden dient te worden. De Inspecteur mag namelijk afgaan op het bij hem op toerekenbare wijze opgewekte vertrouwen dat de verklaring is bedoeld zoals zij is afgelegd. De conclusie is derhalve dat belanghebbendes wil en zijn verklaringen met elkaar overeenstemmen – er is geen sprake van oneigenlijke dwaling - zodat er geen reden bestaat om te veronderstellen dat bij het accepteren van het door de Inspecteur aangeboden compromis geen overeenkomst tot stand is gekomen.

4.5

Vooropgesteld dient te worden dat de door belanghebbende en de Inspecteur ter zitting van 13 juni 2013 gesloten overeenkomst een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek) betreft en dat als uitgangspunt heeft te gelden dat ze daar aan zijn gebonden (Hoge Raad 7 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3201). Dit zou anders kunnen zijn indien bij belanghebbende op het moment van het sluiten van de overeenkomst sprake is geweest van een wilsgebrek. Bij betwisting door de Inspecteur, zoals in onderhavige zaak, dient belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit dat wilsgebrek volgt.

4.6

Belanghebbende heeft gesteld dat hij bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft gedwaald omtrent hetgeen is overeengekomen met betrekking tot het jaar 2011. Naar zijn mening is hij door de Inspecteur op een dwaalspoor gezet en verkeerde hij bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in de veronderstelling dat er nog ruimte was om het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang voor het jaar 2011 op € - 54.453,63 vast te kunnen laten stellen.

4.7

Indien een overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken die niet zou zijn gesloten, is deze vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. (art. 6:228, lid 1, onderdeel b, Burgerlijk Wetboek). De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval, voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

4.8

Zoals uit het proces-verbaal van de zitting van 13 juni 2013 blijkt, is uitdrukkelijk besproken hoe het voor het jaar 2009 vast te stellen verlies uit aanmerkelijk belang van € 70.000 is bepaald. Na in eerste instantie te hebben toegezegd dat het verlies uit aanmerkelijk belang voor het jaar 2009 op € 84.789 zou worden vastgesteld heeft de Inspecteur nadien het niet belasten van een stamrechtuitkering in 2009 uitgeruild met verlaging van het toegezegde verlies uit aanmerkelijk belang naar € 70.000. Het bedrag van € 84.789 is blijkens dat proces-verbaal te splitsen in een bedrag van € 26.710, € 21.777 en € 36.602. Dit laatste bedrag is samengesteld uit de volstortingen van het aandelenkapitaal in [B] BV en [C] BV, van ieder € 18.151. Buiten twijfel is derhalve dat de Inspecteur geen onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en dat belanghebbende wist dat de bewuste kapitaalstortingen in het verlies uit aanmerkelijk belang van € 70.000 waren begrepen.

4.9

Aan het voorgaande doet niet af de inhoud van de 2.4 vermelde brief van 2 april 2013. Hierin is namelijk door de Inspecteur aangegeven dat de beschikking omzetting verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting pas zal worden verstrekt als de definitieve aanslag IB/PVV voor 2011 zou zijn vastgesteld. Nu deze aanslag op het moment van de zitting nog niet vaststond en de Inspecteur ter zitting bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 13 juni 2013 nadrukkelijk heeft aangegeven een afspraak voor alle openstaande jaren te willen maken kon belanghebbende in alle redelijkheid niet menen dat hij op grond van voormelde brief ook in 2011 nog een verlies uit aanmerkelijk belang kon claimen.

4.10

Geen ruimte bestaat er derhalve om de vaststellingsovereenkomst geheel dan wel gedeeltelijk vernietigbaar te achten en voor het jaar 2011 een verlies uit aanmerkelijk belang tot enig bedrag vast te stellen. Het gelijk is aan de Inspecteur.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 23 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 26 juni 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.