Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4664

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
200.167.704/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige niet zijn hoofdverblijf heeft. Hof is in absolute zin niet gebonden aan het indicatiebesluit voor zover het de keuze voor een bepaald pleeggezin betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.167.704/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/108134 / FA RK 14-3202)

beschikking van de familiekamer van 18 juni 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler, kantoorhoudend te Emmen,

tegen

Jeugdbescherming Noord,

voorheen genaamd: Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe,

gevestigd te Assen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de moeder],

wonende te [B],

hierna te noemen: de moeder,

2. [de grootouders],

wonende te [B],

hierna te noemen: de grootouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 6 januari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 april 2015, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof daarin die beschikking

1. te vernietigen;

2. alsnog te bepalen, dat de duur van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met een jaar ingaande 11 januari 2015 uitgevoerd door de stichting wordt verlengd;

3. alsnog te bepalen dat het verzoek verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (de grootouders) wordt afgewezen met dien verstande dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vader;

4. één en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 mei 2015, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 17 april 2015 een brief van 16 april 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

- op 12 mei 2015 een journaalbericht van 11 mei 2015 van mr. Fischer-Fuhler met bijlagen;

- op 20 mei 2015 een brief van de grootouders van 17 mei 2015 waarbij zij aangeven niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2015 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de stichting zijn verschenen de heer [C], mevrouw [D] en mevrouw [E]. Mr. Fischer-Fuhler heeft een pleitnota overgelegd. De vader heeft zijn verzoek ter zitting gewijzigd in die zin dat hij geen bezwaar maakt tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing als zodanig, maar slechts tegen de plaats waar de uithuisplaatsing wordt uitgevoerd en dat hij geen wijziging van het hoofdverblijf beoogt.

2.5

Op 28 mei 2015 heeft het hof nog het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 6 januari 2015 ontvangen van mr. Fischer-Fuhler.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de verbroken relatie van de vader en de moeder is [in] 2009 [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]) geboren. De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast. Na het uiteengaan van de vader en de moeder in september 2011 is [de minderjarige] bij de moeder blijven wonen. Haar hoofdverblijfplaats is bij de moeder bepaald.

3.2

Sinds 11 januari 2012 staat [de minderjarige] onder toezicht van de stichting. Op 11 december 2012 is ten aanzien van [de minderjarige] een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verleend. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader zijn steeds verlengd, laatstelijk tot 11 januari 2015.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op

5 december 2014, heeft de stichting verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met één jaar te verlengen tot 11 januari 2016.

3.4

De stichting heeft op 24 december 2014 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (oud) (hierna: WJZ).

3.5

Op 30 december 2014 is binnengekomen een verzoek van de stichting tot omzetting van haar oorspronkelijke verzoek in een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing conform het indicatiebesluit van 24 december 2014, te weten "verblijf pleeggezin 24-uurs, geheel etmaal" (in casu: de grootouders).

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van [de minderjarige], conform en ter effectuering van het indicatiebesluit, met ingang van 11 januari 2015 voor de duur van één jaar verlengd.

3.7

[de minderjarige] woont sinds 11 januari jl. bij de grootouders.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Aangezien zowel het inleidend verzoek als het gewijzigd verzoek is ingediend voor het tijdstip van in werking treden van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen is het recht dat vóór 1 januari 2015 gold van toepassing.

4.2

Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW (oud) kan de kinderrechter - kort gezegd - de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid BW (oud) kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.3

De vader voert geen verweer tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing als zodanig. Hij stelt slechts de plaats van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ter discussie. De vader verzoekt [de minderjarige] bij hem (terug) te plaatsen. De stichting stelt dat plaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders het meest in haar belang is.

4.4

Uit het proces-verbaal van de zitting van 6 januari 2015 en het in de beschikking waarvan beroep opgenomen standpunt van de vader maakt het hof op dat de vader reeds in eerste aanleg heeft verzocht de uitvoering van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij hem te laten voortduren. Aldus is geen sprake van een voor het eerst in hoger beroep gedaan zelfstandig verzoek, zodat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek in appel.

4.5

Het verlenen of verlengen van een machtiging als bedoeld in artikel 1:261 BW (oud) is een inbreuk op het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM. Volgens vaste rechtspraak dient die inbreuk in een redelijke verhouding te staan tot de legitieme doelstelling die daarmee wordt nagestreefd.

4.6

De beschermende werking van artikel 8 EVRM brengt voor de nationale autoriteiten niet alleen mee dat zij zich in beginsel dienen te onthouden van een inmenging in het familie- en gezinsleven, maar houdt ook de positieve verplichting in dat de rechten op familie- en gezinsleven effectief worden verzekerd. In dit geschil maakt de vader uitdrukkelijk aanspraak op deze bescherming, door te betogen dat het opgroeien van [de minderjarige] bij hem een minder zware inbreuk maakt op de bescherming van zijn en [de minderjarige]'s familie- en gezinsleven dan het geval is bij plaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders.

4.7

[de minderjarige] is eind 2012 op driejarige leeftijd bij de vader gaan wonen, omdat de situatie bij de moeder thuis niet veilig voor haar was. De moeder had een nieuwe relatie die voor veel onrust zorgde. Zowel de vader als de moeder woonde destijds in [B]. Eind 2013/begin 2014 is de vader in overleg met de stichting naar [F] verhuisd om daar een nieuw leven op te bouwen. De vader en [de minderjarige] zijn ter overbrugging ingetrokken bij een kennis van de vader, een vriendin van grootmoeder vaderszijde (hierna: [G]). Vanuit die situatie lukte het de vader niet om in [F] een uitkering te krijgen en in aanmerking te komen voor een woning. Omdat [G] niet langer financieel verantwoordelijk voor de vader wilde zijn heeft de vader na een aantal maanden in [F] een kamer betrokken en opnieuw een uitkering aangevraagd. In overleg met de stichting is [de minderjarige] toen op basis van een netwerkplaatsing bij [G] blijven wonen. Er werd een veiligheidsplan gemaakt waarin - voor zover hier van belang - was afgesproken dat de vader [de minderjarige] dagelijks van en naar school zou halen/brengen en zo veel mogelijk tijd met haar zou doorbrengen. In de zomervakantie van 2014 is de aanvraag van een uitkering door de vader aan de gemeente [F] opnieuw afgewezen.

4.8

De stichting heeft de stelling dat de vader zich in de tijd dat hij op de kamer in [F] woonde niet aan de afspraken uit het veiligheidsplan heeft gehouden, ter zitting op geen enkele wijze kunnen concretiseren. De vader heeft verder gesteld dat zijn tweede aanvraag van een uitkering is afgewezen, omdat hij op het moment van een huisbezoek van de gemeente [F] niet op zijn woonadres aanwezig was. Dit kwam doordat hij, zoals het veiligheidsplan ook voorschreef, in die tijd steeds bij [de minderjarige] was, aldus de vader. Daarmee heeft hij naar het oordeel van het hof zich juist wel aan de afspraken gehouden.

4.9

De vader heeft ter zitting van het hof uitleg gegeven over de verdere gang van zaken in de zomervakantie van 2014.

Door het uitblijven van inkomsten kampte de vader met forse betalingsproblemen. Daarom heeft hij de huur van de kamer in [F] moeten opzeggen.

De eerste week van de zomervakantie hebben de vader en [de minderjarige] doorgebracht op een recreatiepark in [F]. Daarna zijn zij naar de vriendin van de vader in [A] gegaan om daar twee weken vakantie te vieren.

In de vakantie is de verhouding tussen de vader en [G] verstoord geraakt, mede doordat zij vader en [de minderjarige] maandenlang volledig had moeten onderhouden.

Het vooruitzicht om in [F] bij het Leger des Heils te moeten slapen in combinatie met de verslechterde relatie met [G] hebben de vader doen besluiten in [A] te blijven.

Dit alles heeft zich afgespeeld toen de gezinsvoogd van [de minderjarige] op vakantie was.

Daardoor heeft de communicatie met de stichting vertraging opgelopen, aldus de vader.

Wel heeft een collega van de gezinsvoogd destijds een huisbezoek afgelegd bij de vader en zijn vriendin in [A]. Met die vervanger is besproken welke acties de vader moest ondernemen voordat alles in orde zou zijn voor [de minderjarige]. Met het oog daarop is de vader nog tijdens de schoolvakantie naar de oude school van [de minderjarige] in [A] gegaan waar hij bij toeval haar voormalige juf trof. Met de school in [A] werd afgesproken dat [de minderjarige] daar na de zomervakantie weer kon beginnen. Zo geschiedde. Bij terugkeer van haar vakantie was de gezinsvoogd het echter niet eens met de gang van zaken en is [de minderjarige] teruggegaan naar [G] en de school in [F]. De vader is in [A] gebleven.

4.10

Vervolgens heeft de stichting, mede gezien de problematische relatie tussen [G] en de vader, in samenspraak met de vader, de moeder en het netwerk van [de minderjarige] een nieuw veiligheidsplan gemaakt. Het doel daarvan was de veiligheid van en stabiliteit in [de minderjarige]'s opvoedingssituatie in of nabij [B] te waarborgen. In gezamenlijkheid is toen besloten dat de vader en [de minderjarige] na de herfstvakantie van 2014 bij de grootouders van de vader zouden gaan wonen totdat de vader [de minderjarige] op het gebied van zijn relatie, woning en uitkering zelfstandig stabiliteit zou kunnen bieden. In weerwil van deze afspraak is de vader kort daarop met [de minderjarige] bij zijn vriendin ingetrokken in [A]. Dit laatste is de directe aanleiding geweest voor het besluit van de stichting om [de minderjarige] te plaatsen bij de grootouders. Aangezien de vader niet vrijwillig aan deze plaatsing wenste mee te werken heeft de stichting de kinderrechter krap vier weken na de indiening van haar verzoek om de plaatsing bij de vader tot 10 januari 2016 te laten voortduren verzocht - kort gezegd - om [de minderjarige] in het kader van de te verlengen machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders onder te brengen.

4.11

Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de stelling van de vader dat hij in de zomervakantie van 2014 naar eer en geweten heeft gehandeld. Zijn ter zitting gegeven en door de stichting niet weersproken verklaring voor de gang van zaken destijds alsmede de mededeling van de gezinsvoogd ter zitting dat zij voordien drie jaar heel goed met de vader heeft samengewerkt, acht het hof daartoe voldoende overtuigend. Voor zover de vader zich al niet aan het eerste veiligheidsplan zou hebben gehouden, kan dit naar het oordeel van het hof hooguit aan een minder gelukkige samenloop van omstandigheden worden geweten, waarbij de vakantieperiode geen bevorderende rol heeft gespeeld. Blijft over dat de vader na de herfstvakantie van 2014 in strijd met het tweede veiligheidsplan en zonder overleg met de stichting met [de minderjarige] bij zijn vriendin in [A] is ingetrokken.

4.12

Het hof stelt voorop dat plaatsing bij de eigen ouder in zijn algemeenheid de voorkeur heeft boven plaatsing bij grootouder(s). Het hof ziet in dit geval onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het enkele verwijt dat de vader kan worden gemaakt van het niet behoorlijk nakomen van het tweede veiligheidsplan, welke fout hij zelf ruiterlijk heeft toegegeven, acht het hof daarvoor niet voldoende. Bovendien heeft de stichting pas ruim twee maanden nadien actie ondernomen, zodat de vader en [de minderjarige] in de veronderstelling hebben kunnen verkeren dat de stichting akkoord was met de sinds de herfstvakantie ontstane situatie.

Daarbij komt dat de vader totdat [de minderjarige] in januari jl. bij hem werd weggehaald twee jaar lang goed voor haar heeft gezorgd. Mede in haar belang is hij naar [F] vertrokken. Het hof stelt vast dat de vader inmiddels een uitkering heeft en dat de relatie met zijn vriendin nog immer voortduurt, zodat deze onderhand als bestendig kan worden aangemerkt.

Verder constateert het hof dat het zowel in de tijd dat zij bij de vader woonde als thans bij de grootouders goed gaat met de inmiddels 5-jarige [de minderjarige]. Ondanks dat zij in haar nog jonge leven reeds vele veranderingen in haar opvoedings-, woon- en schoolsituatie heeft meegemaakt, die overigens zeker niet enkel aan de vader kunnen worden toegerekend, zijn er geen concrete zorgen over haar ontwikkeling.

Voorts is gebleken dat de moeder en haar partner, van wie in 2012 zoveel dreiging uitging dat tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] (en plaatsing) bij de vader is besloten, in dezelfde straat als de grootouders wonen.

4.13

Alles overziend acht het hof de inbreuk die plaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders maakt op het recht op haar familie- en gezinsleven en op dat van de vader, nu de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ook bij de vader voldoende verzekerd zijn, niet gerechtvaardigd. Plaatsing van [de minderjarige] bij de vader acht het hof het meest in haar belang. De mogelijke kindsignalen die [de minderjarige] thans laat zien, zoals ter zitting door de stichting verwoord, acht het hof niet zodanig pregnant dat niet te verwachten valt dat deze, hopelijk laatste, wisseling van leefomgeving aan haar onoverkomelijke schade zal berokkenen.

4.14

Het gaat hier om de vaststelling van de burgerlijke rechten van de vader en [de minderjarige]. Ingevolge artikel 6 EVRM hebben zij het recht om de voorgenomen inbreuk op hun familie- en gezinsleven door de onafhankelijke rechter te laten toetsen. In het verband van deze toetsing heeft het hof de bevoegdheid om op het verzoek van de stichting om een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin 24-uurs af te geven, de plaatsing in dit specifieke geval te bepalen bij de vader. Indien het hof immers in absolute zin gebonden zou zijn aan het indicatiebesluit als het gaat om de keuze voor een (bepaald) pleeggezin, zou hij genoopt zijn de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing niet te verlenen met als mogelijk vervolg het indienen van een nieuw verzoek door de stichting. Dit zou leiden tot een slepende en weinig vruchtbare juridische procedure (vgl. Doek/Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg, 6e druk 2009, p. 349/350). Een en ander geldt temeer nu voor een plaatsing bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijf niet heeft - zoals in dit geval - geen indicatie(besluit) nodig is, omdat geen sprake is van jeugdzorg in de zin van artikel 5 lid 2 WJZ.

4.15

Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, dient te vernietigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 6 januari 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en in zoverre opnieuw recht doende:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige], geboren [in]

2009, bij de met gezag belaste vader met ingang van 11 januari 2015 voor de duur van één jaar;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, A.W. Beversluis en

mr. M.M.A. Wind, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 juni 2015 in bijzijn van de griffier.