Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4629

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
200.147.957-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:17 BW: Heeft de auto de eigenschappen die de koper op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.147.957/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2207995 \ CV EXPL 13-5265)

arrest van de eerste kamer van 23 juni 2015

in de zaak van

1 [appellante 1],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellante 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 2],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 3],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. D.S.M. Wouda, kantoorhoudend te Tynaarlo,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.L. Noordhof, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

10 september 2013 en 21 januari 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, sector kanton.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 april 2014 met grieven en producties,

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties) en

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellanten] in hoger beroep luidt:

"(…) te vernietigen, het vonnis gedateerd 21 januari 2014 door de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden, aldaar bekend onder zaaknummer/rolnummer 2207995 \ CV EXPL 13-5265, tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling/of verbetering der gronden, met veroordeling van geïntimideerde in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 205 zonder betekening en € 273, met betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van arrest, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. Eén en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"Het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (zaak rolnummer: 2207995 \ CV EXPL 13-5265) d.d. 21 januari 2014 behoort vernietigd te worden voor zover het betreft de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest dient geïntimeerde te worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 1.058,75, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening arrest, en — voor het geval voldoening binnen de gestelde termijn achterwege blijft — te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening."

3 De beoordeling van het hoger beroep

De vaststaande feiten

3.1

Tussen partijen staat als niet dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

3.1.1

[appellant 2] en [appellant 3] zijn vennoten in [appellante 1]. Op of omstreeks 21 oktober 2011 is er tussen [geïntimeerde] als koper en [appellante 1] als verkoper een overeenkomst tot stand gekomen betreffende de koop en verkoop van een auto, merk Mercedes, type S400-CDI, met een kilometerstand van 238.349 km, hierna: de auto. De koopovereenkomst vermeldt:

"Condities voor koop van Mercedes 400 CDI bouwjaar: 2001

Prijs 10.000 euro

Betaling: cash 7250,- plus de reeds verkochte Masda MX 5 Miata, bouwjaar 1991 voor het

bedrag van 2750 Euro, APK uitgevoerd begin oktober 2011.

Overeengekomen condities.

Auto wordt wel direkt overgeschreven op naam van koper, doch niet direkt in de belasting

gedaan.

Waarschijnlijk zal dit pas in Mei / Juni 2012 geschieden.

Daartoe is overeen gekomen dat eerst op het moment direkt hieraan voorafgaand door

betreffende garagebedrijf (verkoper) gratis voor haar rekening en volledig risico de A.P.K.

zal worden uitgevoerd.

M.A.W: Alle eventuele kosten die voortkomen uit het uitvoeren van reparaties t.g.v. de APK

en/of gebreken zijn voor rekening van verkoper.

Tevens is overeengekomen dat drie maanden volledige BOVAG- garantie zullen gelden vanaf het moment dat de A. P. K. is uitgevoerd.”

3.2

De koopsom is door [geïntimeerde] direct voldaan en de auto is aan hem geleverd. De auto is daarop door [geïntimeerde] in zijn garage gestald en (tijdelijk) geschorst voor de wegenbelasting.

3.3

Op 5 april 2012 heeft [geïntimeerde] de auto aangeboden aan [appellante 1] voor een APK-keuring en daarbij schriftelijk aangegeven dat hij een aantal gebreken aan de auto had geconstateerd dat hersteld diende te worden. Het desbetreffende briefje van [geïntimeerde] vermeldt, voor zover hier van belang:

“Volgens indicatie op het dashboard functioneren een aantal zaken niet goed n.l.

- ESP - electronic stability program

- Coolant - het koelsysteem

- BAS - Brake assist remsysteem

-Airco (...)”

3.4

De APK-keuring is op 31 mei 2012 uitgevoerd, waarbij de auto is goedgekeurd. Op of kort voor 20 juni 2012 heeft [geïntimeerde] bericht gekregen van [appellante 1] dat de auto kon worden opgehaald, hetgeen hij op 20 juni 2012 heeft gedaan.

Het dashboard gaf op dat moment geen melding meer over een probleem met ESP of BAS.

[appellante 1] heeft aan [geïntimeerde] medegedeeld dat aan het koelsysteem in een later stadium nog een reparatie zou plaatsvinden (vervanging ventilator), maar vooralsnog kon [geïntimeerde] met de auto gaan rijden. [geïntimeerde] is vervolgens de auto gaan gebruiken.

3.5

Op 25 juni 2012 heeft [geïntimeerde] het bedrijf Euromaster werkzaamheden aan de auto laten verrichten. Euromaster heeft daarbij aan [geïntimeerde] gemeld dat de remschijven niet in goede staat waren. [geïntimeerde] is daarop teruggegaan naar [appellante 1] die eerst heeft getracht de remschijven vóór – die verroest bleken- te slijpen en, toen dat niet slaagde, nieuwe schijven heeft gemonteerd. De auto heeft hiertoe een tweetal weken bij

[appellante 1] gestaan.

3.6

Op 30 augustus 2012 heeft [geïntimeerde] de auto teruggebracht naar [appellante 1] in verband met lekkage aan het koelwatersysteem. [appellante 1] heeft enige tijd nodig gehad om de oorzaak van de lekkage te vinden. Tegen kerst 2012 heeft [appellante 1] aan [geïntimeerde] gemeld dat de auto kon worden opgehaald. Toen [geïntimeerde] de auto kwam halen vertoonde deze startproblemen en bleek er een probleem met de boordcomputer te zijn. [geïntimeerde] heeft de auto om die redenen niet meegenomen. Teneinde te trachten de problemen op te lossen heeft [appellante 1] de auto in januari 2013 naar een andere garage ([X]) gebracht. [X] heeft aangegeven de problemen met de boordcomputer niet op te kunnen lossen anders dan door middel van vervanging waaraan hoge kosten waren verbonden. [appellante 1] is daarmee niet akkoord gegaan.

3.7

[appellante 1] heeft de auto bij [X] weggehaald en getracht de problemen met de auto op te lossen door er door een derde een andere boordcomputer in te laten zetten. Deze bleek evenwel niet naar behoren te functioneren [appellante 1] heeft de auto vervolgens in april 2013 naar een op een andere locatie gevestigde boordcomputerspecialist gebracht.

3.8

Tot op dit moment heeft [geïntimeerde] niet de beschikking over de auto en weet hij ook niet waar de auto zich thans bevindt. [geïntimeerde] heeft zelf diverse brieven gezonden aan

[appellante 1] waarin hij sommeert om de auto hersteld op te leveren, bij gebreke waarvan hij de koopovereenkomst wenst te ontbinden. Verder zijn aan [appellanten] aanmaningsbrieven gestuurd via een incassogemachtigde, [Y].

De vordering van [geïntimeerde] en de beslissing van de rechtbank

3.9

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg - kort weergegeven - gevorderd dat de koopoverkomst wordt ontbonden, [appellanten] worden veroordeeld om de koopsom van € 10.000,-, te verhogen met wettelijke rente, aan [geïntimeerde] te vergoeden, alsmede de wettelijke rente vanaf de dag van intreden van het verzuim tot de dag van de dagvaarding ad € 259,73 en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.058,75.

De kantonrechter heeft de koopovereenkomst ontbonden en [appellanten] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te voldoen de som van € 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente hierover berekend vanaf de dag waarop het vonnis is gewezen, 21 januari 2014, tot de dag der algehele voldoening. [appellanten] zijn verder veroordeeld in de kosten van het geding. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

De beoordeling van de grieven

In het principaal appel:

3.10

Het geschil in het principaal appel gaat om de vraag of de auto de eigenschappen heeft gehad die [geïntimeerde], als particuliere koper, op grond van de overeenkomst mocht verwachten (art. 7:17 jo 18 BW).

3.11

Artikel 7:17 lid 2 BW bepaalt dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag blijkens het tweede lid van dit artikel verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Bij de beoordeling van de vraag of een op grond van een consumentenkoop afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt, moeten alle omstandigheden van het geval worden afgewogen.

3.12

Artikel 7:18 lid 2 BW bepaalt dat bij een consumentenkoop een zaak wordt vermoed bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart.

3.13

Grief 1 en 3 (deels) houden in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de boordcomputer aangaf dat ESP en BAS niet goed functioneerden. [appellanten] betogen dat, zoals [geïntimeerde] in zijn klachten heeft aangegeven, niet de boordcomputer die meldingen aangaf, maar het dashboard.

3.14

Het hof is van oordeel dat de grieven berusten op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. De kantonrechter is er, mede gezien de overwegingen 4.5 en 4.6. van dat vonnis, klaarblijkelijk van uitgegaan dat het (display op het) dashboard bevindingen van de boordcomputer weergeeft en dat het daarom de boordcomputer is die via het display zichtbaar maakt wanneer er problemen zijn met ESP en BAS.

[appellanten] hebben in dat verband ook niet weersproken dat de boordcomputer is gereset nadat het display op het dasboard aangaf dat er problemen waren met ESP en BAS.

Voor zover [appellanten] met de grieven beogen aan te geven dat de meldingen ESP en BAS op het display geen gevolg zijn van een defect aan de boordcomputer, komt het hof daarop hierna onder 3.27 terug.

3.15

De grieven 1 en 3 (deels) falen in zoverre.

3.16

[appellanten] bestrijden in de grieven 2 tot en met 8 het oordeel van de kantonrechter dat de auto ten tijde van de levering niet voldeed aan wat [geïntimeerde] daarvan mocht verwachten.

Zij hebben daartoe aangevoerd:

a. dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld:

I) dat een functionerende boordcomputer van belang is voor het normale gebruik van een auto als de onderhavige en dat [geïntimeerde] aan de aanwezigheid daarvan niet behoefde te twijfelen (grief 4);

II) dat de meldingen ESP en BAS door de boordcomputer, na in mei/juni 2012 te zijn hersteld, zich in de maanden na augustus 2012 weer hebben voorgedaan en dat die meldingen voortvloeien uit een probleem met de boordcomputer, zodat sprake is van een gebrek aan de boordcomputer dat zich voor de eerste maal binnen de termijn van zes maanden van artikel 7:18 lid 2 BW heeft geopenbaard (grieven 2, 3, 4, 5);

III) dat indien zou moeten worden geoordeeld dat de problemen met de boordcomputer van een andere aard zijn dan die betreffende de meldingen ESP en BAS, moet worden geoordeeld dat ook in dat geval sprake is van een auto die bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde (grief 5, 7 en 8);

b. dat de kantonrechter ten onrechte is voorbijgegaan aan het feit dat [geïntimeerde] de auto ter reparatie heeft aangeboden aan een derde, Euromaster, en dat daardoor de aanspraken van [geïntimeerde] op de verstrekte Bovag garantie zijn vervallen (grief 6).

Wat mocht [geïntimeerde] verwachten (ad a.I).

3.17

[appellanten] stellen dat de auto ten tijde van de levering voldeed aan wat [geïntimeerde] daarvan, gelet op onder meer de leeftijd van de auto, het aantal gereden kilometers en op via internet toegankelijke informatie over gangbare gebreken aan de onderhavige auto, mocht verwachten, omdat de auto voldeed aan de eisen die aan het normaal gebruik van een dergelijke auto zijn te stellen. [appellanten] voeren daartoe aan dat uit de omstandigheid dat de auto APK is goedgekeurd blijkt dat met de auto aan het verkeer mocht worden deelgenomen. Verder betogen zij dat de gebleken gebreken aan de boordcomputer niet verhinderen dat de auto aan het verkeer kan deelnemen en dat de gebreken daarom niet in de weg staan aan normaal gebruik van de auto. Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerde] er in de gegeven omstandigheden op bedacht moeten zijn dat er aan deze auto gebreken zouden optreden.

3.18

Het hof overweegt als volgt.

Het gaat hier om een auto die ten tijde van de verkoop door [appellanten] aan [geïntimeerde] tien jaar oud was en 238.349 kilometer had gereden. [appellanten] hebben bij de verkoop aan [geïntimeerde] volledige Bovag garantie verstrekt tot drie maanden nadat de auto op 31 mei 2012 APK is goedgekeurd. Derhalve per saldo tot 1 september 2012.

3.19

Het hof is van oordeel dat hetgeen [geïntimeerde] mocht verwachten mede wordt bepaald door de garantie die [appellanten] bij verkoop heeft verstrekt. [appellanten] hebben volledige Bovag garantie verstrekt en daarop geen uitsluitingen bedongen. [geïntimeerde] heeft daarom mogen verwachten dat de voorzieningen die ten tijde van de aankoop van de auto in de auto aanwezig waren, waaronder de boordcomputer, in ieder geval tot 1 september 2012 zouden functioneren en dat, indien dat niet het geval was, [appellante 1] de voor het einde van de garantietermijn aanwezige gebreken kosteloos op deugdelijke wijze zou herstellen, alsmede dat [appellanten] na afloop van de garantieperiode geconstateerde gebreken die een gevolg zijn van een onvoldoende herstel van eerdere gebreken, eveneens kosteloos zou herstellen. Dat wordt niet anders wanneer de auto, zoals [appellanten] stellen, voldeed aan de eisen die bij normaal gebruik aan een auto als de onderhavige mogen worden gesteld. Het hof is daarbij, anders dan [appellanten], van oordeel dat indien een auto over een boordcomputer beschikt, een functionerende boordcomputer heden ten dage moet worden beschouwd als een voor het normaal gebruik van de auto noodzakelijke functie, nu een boordcomputer informatie levert over de toestand van diverse, vitale, functies van de auto en de bestuurder van de auto, met het oog op de aan de veiligheid te stellen eisen, er op behoort te kunnen vertrouwen dat de boordcomputer naar behoren werkt. De door [appellanten] gestelde omstandigheid dat de auto ook zonder een functionerende boordcomputer aan het verkeer kan deelnemen leidt niet tot een ander oordeel. De tevens door [appellanten] genoemde omstandigheid dat de auto APK goedgekeurd is en dus ook mocht deelnemen aan het verkeer brengt niet mee dat [geïntimeerde] minder mocht verwachten dan hiervoor vermeld.

Verval van recht op garantie (ad b)

3.20

[appellanten] stellen dat [geïntimeerde] [appellante 1] niet op de hoogte heeft gesteld van gebreken die [geïntimeerde] door Euromaster heeft laten herstellen, waardoor [geïntimeerde] zijn aanspraken op de overeengekomen garantie heeft verloren. [appellanten] wijzen daarbij op artikel 15 lid 3 van de door [appellante 1] gehanteerde algemene voorwaarden, waarin staat onder welke omstandigheden de aanspraak op garantie vervalt. Volgens [appellanten] zijn deze voorwaarden gelijk aan die genoemd in artikel 16 lid 3 van de Bovag-voorwaarden.

3.21

[geïntimeerde] heeft niet weersproken dat deze bepalingen op de overeenkomst van toepassing zijn, maar wel dat zijn aanspraak op garantie is vervallen.

3.22

Uit de voorwaarden blijkt dat de aanspraak op garantie vervalt wanneer

a. de opdrachtgever ([geïntimeerde]) niet zo spoedig mogelijk na het constateren van gebreken de reparateur ( [appellante 1]) daarvan in kennis stelt,

b. de reparateur niet in de gelegenheid wordt gesteld de gebreken te verhelpen en

c. wanneer derden zonder voorkennis of toestemming van de reparateur werkzaamheden hebben verricht die in verband staan met de door de reparateur verrichte werkzaamheden ten aanzien waarvan een beroep op de garantie wordt gedaan.

3.23

De vraag die, gezien de voorwaarden, voorligt is (onder meer) of Euromaster werkzaamheden aan de auto heeft verricht die in verband staan met door [appellante 1] in het kader van de verstrekte garantie verrichte herstelwerkzaamheden aan de auto.

3.24

[geïntimeerde] heeft in dat verband gesteld dat Euromaster alleen de olie heeft ververst en de banden van de auto kruislings heeft verwisseld, waarbij is geconstateerd dat de remmen ondeugdelijk waren. In de visie van [geïntimeerde] betreffen deze door Euromaster verrichte werkzaamheden geen werkzaamheden die verband houden met een gebrek aan de auto als bedoeld in de voorwaarden. [geïntimeerde] heeft ter ondersteuning van zijn stelling een nota van Euromaster overgelegd met betrekking tot de door [geïntimeerde] beschreven werkzaamheden.

[appellanten] hebben, in het licht van het voorgaande, niet voldoende onderbouwd dat de door [geïntimeerde] genoemde werkzaamheden in verband staan met reparatiewerkzaamheden die [appellante 1] in het kader van de aan [geïntimeerde] verleende garantie heeft verricht.

[appellanten] hebben verder nog gesteld dat Euromaster meer omvattende werkzaamheden moet hebben verricht dan de door [geïntimeerde] genoemde omdat, zo begrijpt het hof, Euromaster pas na uitgebreid onderzoek tot de constatering heeft kunnen komen dat auto niet een APK goedkeuring had mogen verkrijgen. Het hof gaat hieraan voorbij, omdat niet is gesteld of gebleken dat de auto met de door Euromaster geconstateerde ondeugdelijkheid van de remmen een APK goedkeuring had kunnen verkrijgen en omdat [appellanten] niet nader hebben aangegeven welke handelingen aan een auto moeten worden verricht om de toestand van de remschijven te kunnen beoordelen. [appellanten] hebben daarom niet aannemelijk gemaakt dat Euromaster werkzaamheden als bedoeld in de voorwaarden heeft verricht. Voorts staat vast dat [geïntimeerde] overeenkomstig de voorwaarden kort nadat Euromaster de gebreken aan de remschijven had geconstateerd, hiervan melding heeft gemaakt aan

[appellanten] en dat [appellant 2] -[appellant 3] gelegenheid is gegeven tot herstel, waarna [appellante 1] kosteloos de remschijven heeft vervangen.

Het hof is dan ook van oordeel dat [appellanten] niet voldoende hebben gesteld om aan te ontlenen dat [geïntimeerde] zijn aanspraak op de overeengekomen Bovag garantie heeft verspeeld.

Is de auto non-conform (ad a. sub II en III)

3.25

[appellanten] stellen dat in oktober 2012 en dus na het verstrijken van de zes maanden termijn genoemd in artikel 7:18 BW en na het verstrijken van de garantietermijn, is gebleken dat er een probleem was met de boordcomputer. [appellanten] betogen dat de problemen met de boordcomputer - die zijn geconstateerd na afloop van de garantietermijn - van een andere aard zijn dan de eerder, verholpen, meldingen ESP en BAS, zodat niet kan worden geoordeeld dat het gebrek aan de boordcomputer al bij aflevering van de auto aanwezig was en zij ook niet meer gehouden zijn de boordcomputer onder de garantiebepalingen te herstellen.

3.26

[appellanten] hebben geen grief gericht tegen het onder punt 2.6. van het vonnis van

21 januari 2014 weergegeven vaststaande feit dat de auto eind 2012 naast problemen met de boordcomputer, ook startproblemen vertoonde.

[geïntimeerde] heeft zich er in hoger beroep op beroepen dat die startproblemen al ruim voor oktober 2012 aanwezig waren en dat deze problemen toen kennelijk niet adequaat zijn hersteld. [geïntimeerde] heeft blijkens het proces-verbaal van comparitie van partijen van
5 december 2013 een verklaring van gelijke strekking afgelegd, met dien verstande dat hij daarin tevens heeft verklaard dat de auto kort na levering startproblemen had. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat [appellanten] dat toen hebben weersproken. Ook in de memorie van grieven hebben [appellanten] dat niet weerlegd. Het hof gaat er daarom van uit dat er binnen de in artikel 7:18 lid 2 BW genoemde termijn van zes maanden na de levering problemen waren met het starten van de auto. [appellanten] hebben niet gesteld en ook is niet gebleken dat deze hernieuwd opgetreden startproblemen van andere aard zijn dan voordien en evenmin dat de startproblemen geen verband houden met de eerdere startproblemen. Het hof is dan ook van oordeel dat de kort na de levering en binnen de in artikel 7:18 lid 2 BW genoemde termijn van zes maanden opgetreden startproblemen niet deugdelijk zijn verholpen, zodat op grond van het bepaalde in dat artikel moet worden geoordeeld dat de auto bij levering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord.

3.27

[appellanten] hebben verder niet aangegeven uit welke feiten en omstandigheden hen na 30 augustus 2012 is gebleken dat er problemen met de boordcomputer waren en evenmin gespecificeerd wat de aard van die problemen was. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat deze problemen, ondanks de betwisting door [geïntimeerde], geen verband houden met de meldingen ESP en BAS op het display van het dashboard, is derhalve niet bekend door welke oorzaken die problemen (kunnen) zijn ontstaan. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat [geïntimeerde] de auto alleen in de periode van 20 juni tot
30 augustus 2012 heeft gebruikt, van welke periode ook nog twee weken zijn afgegaan voor reparatie van de door Euromaster geconstateerde gebreken aan de remmen, en dat de auto na 30 augustus 2012 maandenlang bij [appellante 1] heeft gestaan voor reparatie, dient te worden geoordeeld dat de door [appellante 1] na 30 augustus 2012 geconstateerde problemen met de boordcomputer reeds bij aflevering aanwezig waren.

3.28

Voor zover [appellanten] betogen dat vorenbedoelde problemen te wijten zijn aan de omstandigheid dat [geïntimeerde] de auto vanaf de datum van aankoop tot hij de auto in april 2012 ter keuring aanbood, niet heeft gebruikt en dat [geïntimeerde] tijdens dat stilstaan van de auto niet de juiste voorzorgsmaatregelen heeft genomen, waardoor de gebreken aan [geïntimeerde] zijn toe te rekenen, gaat het hof daaraan voorbij. [appellanten] hebben de auto verkocht onder volledige Bovag garantie en met de wetenschap dat [geïntimeerde] de auto na aankoop geruime tijd zou laten stilstaan voordat de auto APK gekeurd zou gaan worden en de garantietermijn zou aanvangen. [appellanten] hebben daarin evenwel geen aanleiding gevonden om eisen te stellen aan de wijze waarop [geïntimeerde] de auto zou stallen. Het hof is daarom van oordeel dat

[appellanten] zich er in redelijkheid thans niet op kunnen beroepen dat [geïntimeerde] - indien sprake mocht zijn van gebreken aan de auto die een gevolg zijn van langdurig stilstaan van de auto - wellicht niet de, volgens [appellanten], voor het langdurig stilstaan van een auto juiste voorzorgsmaatregelen heeft getroffen.

3.29

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat de auto bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde en dat, anders dan [appellanten] in grief 8 betogen, de door [geïntimeerde] gevorderde ontbinding van de koopovereenkomst en de veroordeling van

[appellante 1] tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van de koopsom moet worden toegewezen.

3.30

Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellanten], omdat indien wat zij te bewijzen aanbieden mocht slagen, dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

3.31

De grieven 2 tot en met 8 falen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen falen ook de grieven 9 en 10, die zich richten tegen de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten en tegen het dictum.

In het incidenteel appel

3.32

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen. Daarin komt [geïntimeerde] op tegen de beslissing van de rechtbank dat de buitengerechtelijke incassokosten niet voor vergoeding door [appellanten] in aanmerking komen, omdat de kosten voor de gestelde verrichtingen moeten worden aangemerkt als kosten waarvoor artikel 237 e.v. Rv een vergoeding pleegt in te sluiten.

[geïntimeerde] betoogt dat hij een zogeheten 'veertiendagenbrief' als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1405) heeft doen uitgaan en dat ingevolge dat arrest niet van belang is welke incassomaatregelen zijn verricht, omdat de hoogte van de vergoeding is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom.

3.33

Het hof overweegt als volgt.

Nu [appellanten] niet vallen onder het criterium consument-schuldenaar als bedoeld in voornoemd arrest, omdat zij hebben gehandeld in de uitoefening van hun beroep of bedrijf en niet als consument, is voor het verschuldigd worden van buitengerechtelijke incassokosten niet nodig dat [geïntimeerde] een zo geheten 'veertiendagenbrief' aan [appellanten] heeft gestuurd. Uit de door [appellanten] niet weersproken omstandigheid dat [geïntimeerde] toch een dergelijke brief (prod. 7 bij de inleidende dagvaarding, een brief van 26 april 2013 van [Y] Incasso gerechtsdeurwaarders) heeft laten verzenden vloeit echter voort dat [geïntimeerde] daadwerkelijk incassohandelingen heeft laten verrichten. Het komt het hof, gezien de in het principaal appel te geven beslissingen, redelijk voor dat [geïntimeerde] incassokosten heeft gemaakt. [geïntimeerde] komt dan een vergoeding toe als bedoeld in het 'Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten’ wanneer de incassokosten in omvang redelijk zijn. [appellanten] hebben niet weersproken dat [geïntimeerde] op grond van dat besluit aanspraak kan maken op een vergoeding van € 1.058,75 inclusief BTW. Ook hebben zij niet gesteld dat de omvang van die kosten onredelijk is. De omvang van die kosten komt het hof evenmin onredelijk voor, zodat de vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar is.

3.34

De grief in het incidenteel appel slaagt.

4 De slotsom

In het principaal en in het incidenteel appel

4.1

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, voorzover daarin de vordering van [geïntimeerde] om [appellanten] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen en te dier zake opnieuw rechtdoen als na te melden.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigen.

4.2

[appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in het principaal appel (tarief II, 1 punt) en in de kosten van het incidenteel appel (tarief II, ½ punt).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal en in het incidenteel appel

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 januari 2014, voor zover daarin is afgewezen de vordering van [geïntimeerde] om [appellanten] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten aan [geïntimeerde],

en in zoverre opnieuw beslissende

veroordeelt [appellanten] om aan [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.058,75, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en

- voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het einde van bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van voldoening;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

21 januari 2014 voor het overige;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde]:

- in het principaal appel vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 308,- voor verschotten en

- in het incidenteel appel vastgesteld op € 447,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten;

verklaart dit arrest voorzover het betreft de hiervoor uitgesproken veroordelingen tot betaling van een geldsom uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. B.J.H. Hofstee en mr. L.Groefsema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 juni 2015.