Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4626

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
200.143.609-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afspraken over te betalen advocatentarief. Opschortende voorwaarde? Hoofdelijke aansprakelijkheid? Verrekening met schade door beroepsfouten advocaat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.143.609/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/07/204519/HL ZA 12-210)

arrest van de eerste kamer van 23 juni 2015

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 2],

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. W.F. Wienen, kantoorhoudend te Almere, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

eiser in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.J. de Booij, kantoorhoudend te Almere, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van
8 januari 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 februari 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties),

- een akte in voorwaardelijk incidenteel appel van [geïntimeerde] (met productie),

- een antwoordakte van [appellanten],

- het gehouden pleidooi waarbij pleitnotities en producties zijn overgelegd en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.2

Vervolgens heeft [geïntimeerde] het procesdossier overgelegd en hebben partijen ermee ingestemd dat op grond van die stukken en het verhandelde ter zitting arrest zal worden gewezen. Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellanten] in het principaal appel luidt:

"Dat het Uw Gerechtshof aldus moge behagen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) te vernietigen het vonnis waarvan beroep, welk vonnis als productie 1 bij de hoger beroep dagvaarding is gevoegd;

2) alsnog de vorderingen van eiser in eerste aanleg, geïntimeerde in onderhavig hoger beroep, zijnde de heer mr. P.J. [geïntimeerde], af te wijzen;

3) eiser in eerste aanleg, geïntimeerde in onderhavig hoger beroep, te veroordelen in de kosten van beide instanties ".

2.4

De vordering van [geïntimeerde] in het voorwaardelijk incidenteel appel luidt:

Te verklaren voor recht dat geïntimeerde in de hoofdzaak, tevens appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel, terecht een beroep doet de toepasselijkheid van de Algemene voorwaarden van [X] Advocaten Almere B.V. (…)

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel, te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

In het principaal en voorwaardelijke incidenteel appel

3 De vaststaande feiten

3.1

Het volgende staat in dit hoger beroep tussen partijen vast.

3.1.1

[geïntimeerde] is verbonden geweest aan [X] Advocaten Almere B.V. (hierna:
Advocaten).

3.1.2

[appellant 1] en [appellant 2] zijn broers. In 1998 hebben zij in een procedure die door hen en wijlen hun moeder, [Y], werd gevoerd tegen het
Humanistisch Verbond en een zekere [Y], de hulp ingeroepen van [X] Advocaten, in de persoon van [Q]. Tegen de vonnissen van de rechtbank Amsterdam zijn zij in beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. In de beroepsprocedure werden zij bijgestaan door [R] (hierna: [R]), eveneens verbonden aan
[X] Advocaten. Dit gerechtshof heeft in zijn tussenarrest van 26 april 2007 overwogen dat een deel van de vorderingen van [appellanten] was verjaard. Over de verschuldigdheid van het salaris van Willemse Advocaten is daarna tussen [R] en [appellant 1] onder meer de volgende correspondentie gevoerd.

3.1.3

In een brief van 23 april 2009 schreef [R] aan [appellant 1]:

Ik hecht eraan te bevestigen dat de revenuen uit de procedure tegen het Humanistisch Verbond en [Y], ongeacht aan welke eisende partij/cliënt deze toekomt, zullen worden aangewend ter betaling van mijn facturen (…)”

3.1.4

In een brief van 29 maart 2010 schreef [R] aan [appellant 1]:

Ik heb u gemeld dat ik bereid ben om de procedure tegen het Humanistisch Verbond en de heer [Y] af te ronden tot en met de procedure bij het Gerechtshof onder de navolgende voorwaarden:

- Van de totaal openstaande vordering van € 50.893,60 zal ik een bedrag van € 15:893.60 crediteren. Zodoende resteert een bedrag van € 35.000,00 te voldoen, welk bedrag thans tussen ons vaststaat, ongeacht de uitkomst van de procedure. Deze creditering zal ik deels ten gunste van de heer [S] en deels ten gunste van u laten strekken. De creditering betreft uitsluitend facturen voor verrichte werkzaamheden van mijn kantoor. Facturen voor andere zaken zoals verschotten en rente blijven in stand. Deze vordering zal uit de opbrengst van de procedure tegen het Humanistisch Verbond en [Y] worden voldaan, voor zover deze niet eerder uit andere middelen kan worden betaald. U zult zich voor die betaling inspannen.

Ik zal u als advocaat tijdens het getuigenverhoor bijstaan, U zal nog de nodige inbreng geven door middel van het formuleren van vragen aan de opgeroepen getuigen aan de zijde van [Y]. Ik zal het Gerechtshof melden dat ik wederom als advocaat in deze zaak voor u optreedt en dat de onttrekking ongedaan wordt gemaakt. Verder zal ik de beslagen opheffen en tevens de procedure bij de rechtbank royeren. lk ga ervan uit dat u uw advocaat instrueert om met dat royement mede te werken. Daarmee doet u tevens afstand van de door u aangekondigde tegenvordering tegen mijn kantoor.

Wij hebben gesproken over de mogelijkheden van een schikking met het Humanistisch Verbond en eventueel met [Y]. Uitgangspunten van een schikking zijn dat de vordering van [appellant 2] in beginsel toewijsbaar is en dat ten aanzien van dat bedrag niet wordt toegegeven. Voor wat betreft de vordering van u en uw moeder zullen we proberen een schikking te verkrijgen tussen een bedrag van € 100.000,00 en € 200.000,00.

(…)

Ik vertrouw erop, dat ik onze afspraken hiermee duidelijk en correct heb weergegeven. In dat geval verzoek ik u om mij per omgaand een door u en uw broer ondertekende kopie van deze brief aan mij te retourneren. Bij voorkeur zou ook uw moeder deze brief voor akkoord moeten ondertekenen, gelet op haar aandeel in de vordering. Mocht dat evenwel niet realiseerbaar blijken dan neem ik er genoegen mee dat slechts u en uw broer ondertekenen, waarbij voornoemd bedrag van € 35.000,00 uit de volledige opbrengst die aan uw broer en aan u toekomt zal worden voldaan.”

3.1.5

Aan het verzoek tot ondertekening is vervolgens niet voldaan.

3.1.6

Op 1 mei 2012 heeft het gerechtshof Amsterdam eindarrest gewezen in de zaak tegen het Humanistisch verbond en [Y]. Daarbij werden de vorderingen van [appellanten] op grond van verjaring deels afgewezen.

3.1.7

Op 6 juni 2012 schreef [R] bij e-mail aan [appellant 1]:

Ik vind het prima als een andere advocaat deze zaak overneemt.

Ik lees echter niets over onze afspraak dat uit de opbrengst een bedrag van E 35.000 aan [X] wordt betaald. Dat bedrag is het saldo dat resteerde na de afboeking van 15.000 die ik in overleg met jou heb gedaan. Overigens is in dit dossier altijd een sterk minoreerd tarief in rekening gebracht, dat zou worden gemajoreerd afhankelijk van het resultaat. Ook daarvan heb ik in onze afspraken gezegd dat die majorering niet zou plaatsvinden.

Ik heb de afgelopen jaren voor al mijn werkzaamheden geen kosten meer in rekening gebracht. Ook de werkzaamheden van de afgelopen weken niet. Ik zal dat ook niet meer doen, mits ik wel zekerheid heb dat het afgesproken bedrag van € 35.000 wordt voldaan. Dus indien het via de deurwaarder loopt of via de derdenrekening van een nieuwe advocaat, zal betaling via die weg wel moeten gebeuren.

Zou je mij dit even willen bevestigen?”

3.1.8

Eveneens op 6 juni 2012 antwoordde [appellant 1] per e-mail:

Ik heb niet gezegd dat een andere advocaat deze zaak overneemt, ik heb het over de andere claims op het HV. daar had ik je een voorstel voor gedaan waarop je niet gereageerd hebt. Ik wilde je 10 procent van de opbrengst betalen alleen voor het bijwonen van een minnelijke poging om de zaak te schikken.

Deze zaak moet gewoon afgehandeld worden tot het geld binnen is, dat hebben we ook afgesproken.

Ik heb geen behoefte aan een discussie over de hoogte van het resultaat, maar het is nog minder geworden dan ik gehoopt had na het tussenvonnis. Hetzelfde geldt voor het niet meer in rekening brengen van kosten na onze afspraak, die discussie hebben we ook al gehad bij de deken.

Als jij vindt dat wij zekerheid moeten stellen voor onze betalingen aan jou, terwijl we nota bene zelf nog geen enkele zekerheid hebben dat we betaald krijgen, dan begeef je je volgens mij op heel glad ijs wat betreft de gedragsregels.

Ik stel voor dat je zorgt dat het geld binnenkomt en ook de puntjes op de i zet wat betreft de fouten in de uitspraak en de rente en kosten na het vonnis. Ik zal onze overeenkomst nog eens precies bekijken of het daarmee dan afgehandeld is, want je weet dat er nog heel wat werk in cassatie gedaan moet worden.

Om te beginnen zou ik graag van je horen of de deurwaarder nu wel of niet al beslag gelegd beeft. Dat is ook in jouw belang.

Wat mij betreft geldt dat een afspraak nagekomen moet worden en daarom verzoek ik je ook een definitieve faktuur op naam van Hans te maken voor die 35.000 euro zoals we besproken hebben. Voor hem zijn die kosten van deze procedure aftrekbaar voor het verwerven van een PU. Stuur me als je wil een concept per email dan kijk ik er even naar. Ik zeg helemaal niet dat je je geld niet krijgt.

3.1.9

[R] regeert bij kerende e-mail als volgt:

Onze afspraak was dat ik tot de uitspraak geen uren in rekening zou brengen en dat ik onze facturen zou afboeken tot 35k euro. Over hoe het daarna zou lopen hebben we niets afgesproken (…)

3.1.10

In juli 2012 heeft [geïntimeerde] de handelsdebiteuren van [X] Advocaten gekocht en geleverd gekregen.

3.1.11

In oktober en november 2012 is ingevolge het eindarrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 mei 2012 in totaal € 103.030,87 aan [appellanten] en hun moeder betaald.

4 Het geschil en de beslissing van de rechtbank

4.1

[geïntimeerde] heeft kort gezegd (primair) gevorderd dat [appellanten] en hun moeder hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 35.000,-, te vermeerderen met incassokosten en contractuele rente. De rechtbank heeft die vordering toegewezen, met uitzondering van de contractuele rente. In plaats daarvan zijn [appellanten] veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de hoofdsom. Zowel tegen die toewijzing (door [appellanten]) als tegen het oordeel dat de algemene voorwaarden van [X] Advocaten niet van toepassing zijn (door [geïntimeerde]), is hoger beroep ingesteld. Het hof zal het door de grieven van beide partijen ontsloten debat hierna omwille van de leesbaarheid thematisch behandelen. Daarbij wordt er veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat de grieven (deels) slagen.

5 Uitgangspunt bij de beoordeling van de inhoud van de door [R] met
[appellant 1] gesloten overeenkomst

5.1

Met de grieven in het principaal appel van [appellanten] wordt niet bestreden dat [R] met [appellant 1] is overeengekomen dat het salaris van [X] Advocaten zou worden gefixeerd op € 35.000,- en dat dit bedrag zou worden voldaan uit de volledige opbrengst die aan [appellant 1] en [appellant 2] toekomt. Het hof zal dat daarom hierna als vaststaand aannemen. Deze afspraak zal daarbij kortweg ‘de overeenkomst’ worden genoemd.

6 De door [appellant 1] gestelde voorwaarde

6.1

Volgens [appellanten] is de overeenkomst aangegaan onder de (opschortende) voorwaarde dat tenminste een schikking zou worden bereikt met een resultaat voor [appellant 1] en zijn moeder tezamen van een bedrag tussen de € 100.000 en € 200.000,-, terwijl dat resultaat niet is bereikt.

6.2

Het hof stelt vast dat die voorwaarde in eerste aanleg niet is opgevoerd. [appellant 1] heeft bij gelegenheid van de comparitie slechts opgemerkt dat hij ervan is uitgegaan dat een dergelijk onderhandelingsresultaat zou worden behaald voordat € 35.000,- betaald zou worden. Kennelijk doelde hij daarmee op overleg dat daaromtrent is gevoerd, en dat [R] in zijn brief van 29 maart 2010 als volgt heeft verwoord: “Wij hebben gesproken over de mogelijkheden van een schikking met het Humanistisch Verbond en eventueel met [Y]. Uitgangspunten van een schikking zijn dat de vordering van [appellant 2] in beginsel toewijsbaar is en dat ten aanzien van dat bedrag niet wordt toegegeven. Voor wat betreft de vordering van u en uw moeder zullen we proberen een schikking te verkrijgen tussen een bedrag van € 100.000,00 en € 200.000,00”. [R] formuleert dat schikkingsresultaat echter niet als voorwaarde voor de opeisbaarheid van het overeengekomen bedrag aan honorarium, en het dossier biedt daartoe evenmin enig aanknopingspunt. Ook bij gelegenheid van het gehouden pleidooi heeft [appellant 1] dat niet kunnen onderbouwen; bij die gelegenheid heeft hij zich opnieuw beperkt tot de opmerking dat hij er van is uitgegaan dat het genoemde schikkingsresultaat diende te worden bereikt. Waar hij dat vertrouwen op heeft gebaseerd, heeft hij ook in antwoord op de door het hof gestelde vragen niet kunnen onderbouwen. Dit verweer (waarvan [appellanten] de bewijslast dragen), moet dus als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd worden verworpen.

7 De vraag of sprake is van hoofdelijkheid (grief 4 in het principaal appel)

7.1

De stelling dat sprake is van hoofdelijke gebondenheid van [appellanten] (en hun moeder) is gebaseerd op de inhoud van de overeenkomst, alsmede op de algemene voorwaarden van [X] Advocaten.

7.2

In artikel 3 van die algemene voorwaarden is bepaald dat, indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben verstrekt, zij elk hoofdelijk geheel aansprakelijk zijn voor de verplichtingen die voortvloeien uit de met [X] Advocaten gesloten overeenkomst. Dit verweer kan geen doel treffen, omdat – ook al zouden deze voorwaarden tussen partijen gelden – niet aan de in dit artikel gestelde voorwaarde is voldaan dat sprake is van een gezamenlijke opdracht door [appellanten] aan [X] Advocaten; [appellanten] hebben gemotiveerd aangevoerd dat zij elk, net als hun moeder, afzonderlijke opdrachten hebben gegeven, die afzonderlijk aan ieder van hen in rekening zijn gebracht. [geïntimeerde] heeft dat vervolgens niet bestreden.

7.3

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat niet al (voorshands) vast staat dat [R] met [appellanten] heeft afgesproken dat al deze partijen hoofdelijk voor de schuld van € 35.000,- aansprakelijk waren – ook al biedt de hiervoor geciteerde correspondentie daartoe wel enige houvast. Overeengekomen is immers dat dit bedrag zou worden voldaan uit de volledige opbrengst die [appellant 1] en [appellant 2] toekomt, ongeacht de uitkomst van de procedure tegen het Humanistisch Verbond en [Y]. [appellant 1] heeft ter zitting beaamd dat het bij die afspraak in de rede lag dat de vorderingen op het Humanistisch Verbond via hun advocaat zouden worden geïnd en dat deze op die gelden tot een totaal van € 35.000,- zou inhouden. Zijn zus heeft bovendien schriftelijk verklaard dat hoofdelijkheid is afgesproken.

7.4

Tegen deze lezing spreekt echter de opmerking in de brief van 29 maart 2010 van de zijde van [R] dat deze creditering deels ten gunste van de heer [S] en deels ten gunste van [appellant 1] zal strekken. Voor dat laatste zou geen aanleiding zijn indien een lump sum zou zijn afgesproken tot betaling waarvan zowel [appellant 1] als [appellant 2] geheel zou kunnen worden aangesproken. Een en ander leidt tot de conclusie dat de vierde grief van [appellanten], die is gericht tegen de hoofdelijkheid, terecht is voorgedragen. Of die grief ook doel treft, is afhankelijk van de resultaten van de bewijsvoering door [geïntimeerde]: die partij zal worden toegelaten tot bewijs van zijn stellingen hieromtrent.

8. De vraag of [appellant 2] gebonden is aan de door [appellant 1] gesloten overeenkomst

8.1

[appellanten] hebben niet door middel van enige als zodanig herkenbare grief bestreden dat ook [appellant 2] aan de (mede namens hem) door [appellant 1] met [R] gemaakte afspraak is gebonden. Het hof zal dat daarom hierna als vaststaand aannemen. Indien
[geïntimeerde] in het op te dragen bewijs slaagt, betekent dat, dat ook [appellant 2] hoofdelijk schuldenaar is.

9 Het beroep op verrekening door [appellant 1]

9.1

[appellanten] hebben zich beroepen op verrekening met schadevorderingen die voortvloeien uit een door hun voormalige advocate, Koole, gemaakte beroepsfout en twee door [R] gemaakte fouten. Het hof oordeelt daarover als volgt.

10 De gestelde beroepsfout van [Q]

10.1

Koole is voor [appellanten] als advocate opgetreden in de procedure tegen het Humanistisch Verbond en [Y]. Vast staat dat zij de verjaring van de tegen die partijen ingestelde vorderingen op 20 april 2001 door middel van een dagvaarding heeft gestuit. [appellanten] verwijten haar dat zij daartoe niet al eerder, op enig moment na 1998, is overgegaan. Dat verwijt is feitelijk ongefundeerd. Koole trad, naar onbestreden door [geïntimeerde] is aangevoerd, weliswaar vanaf dat jaar op als advocaat van de moeder van partijen, zelf hebben zij haar pas kort voor de genoemde dagvaarding, in februari 2001, ingeschakeld.

11. Het beroep op verrekening door [appellanten]; de gestelde beroepsfouten van [R]

11.1

Het eerste verwijt aan het adres van [R], zoals dat in eerste aanleg en in de memorie van grieven is geformuleerd, komt erop neer dat het stuitingsverweer door het gerechtshof Amsterdam in de procedure tegen het Humanistisch Verbond en [Y] is gepasseerd, omdat het niet al in de memorie van grieven was gevoerd, welke fout niet meer kon worden hersteld.

11.2

Het hof stelt voorop dat dit verwijt – zonder deugdelijke nadere toelichting, die ontbreekt - onbegrijpelijk is, omdat het onverenigbaar is met het verwijt dat tegelijkertijd aan [Q] wordt gemaakt. Indien immers de verjaring het onontkoombare gevolg is van een fout van Koole, valt niet in te zien hoe een tijdig verweer door [R] op dat punt gehonoreerd had kunnen worden – ook niet als dat verweer tijdig zou zijn gevoerd.

11.3

Het verwijt aan [R] is bovendien feitelijk onjuist: uit de stukken blijkt dat het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 26 april 2007 uitgebreid is ingegaan op een door [R] gevoerd stuitingsverweer, nadat de memories van grieven en antwoord waren genomen en nadat op 10 oktober 2006 onder overlegging van pleitnotities was gepleit. Onjuist is dus de stelling dat het stuitingsverweer is gepasseerd omdat het niet in de memorie van grieven is gevoerd. Het hof tekent daarbij aan dat de rechtbank niet aan de beoordeling van het verjaringsverweer is toegekomen, maar de vordering tegen het Humanistisch Verbond en [Y] op andere gronden – na bewijsvoering – heeft afgewezen. De grieven richtten zich terecht tegen de daaraan ten grondslag liggende overwegingen; het verjaringsverweer kan in hoger beroep in beginsel in een geval als dit pas aan de orde komen indien en nadat het debat over de verjaring door honorering van de grieven is ontsloten.

11.4

Voor zover [appellanten] de grondslag van dit verwijt bij gelegenheid van het pleidooi hebben willen wijzigen in die zin, dat [R] heeft nagelaten zijn stuitingsverweer tijdig (voorafgaand aan het arrest van 26 april 2007) deugdelijk met bescheiden te onderbouwen, gaat het hof daaraan voorbij. Een dergelijke wijziging is op grond van de zogenoemde ‘in beginsel strakke regel’ van het procesrecht in hoger beroep niet toelaatbaar, nu [geïntimeerde] met die wijziging niet heeft ingestemd.

11.5

Voor zover het verwijt verder aldus moet worden opgevat, dat [R] na het tussenarrest van 26 april 2007 nodeloos kosten heeft gemaakt door te ageren tegen de al in dat arrest gegeven eindbeslissing omtrent de verjaring, is het eveneens ongefundeerd. Gelet op de processuele regel dat op eindbeslissingen kan worden teruggekomen, ziet het hof niet in wat daaraan fout zou zijn. Dat het gerechtshof Amsterdam niet op zijn beslissing is teruggekomen (dat de inspanningen zinloos zouden zijn geweest omdat het beoogde ‘resultaat’ niet is behaald), maakt dat bij een inspanningsverbintenis als de onderhavige uiteraard niet anders.

11.6

Een nadere beweerdelijke beroepsfout van [R] betreft het feit dat de vordering bij het gerechtshof Amsterdam in eerste instantie strekte tot nakoming, dat die eis is gewijzigd in ontbinding met restitutie van de betaalde premie en schadevergoeding, en uiteindelijk weer in nakoming.

11.7

Het hof ziet zonder deugdelijke onderbouwing – die andermaal ontbreekt - niet in dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden niet tot dergelijke eiswijzigingen zou zijn gekomen.

11.8

Omdat de conclusie luidt dat al hetgeen omtrent gemaakte beroepsfouten in hoger beroep is aangevoerd wordt verworpen, hebben [appellanten] geen belang meer bij behandeling van de grieven 1, 2 en 3 in het principaal appel. Aan die grieven ligt namelijk de veronderstelling ten grondslag dat sprake is van op die beroepsfouten gebaseerde schadevorderingen die met de vordering van [geïntimeerde] kunnen worden verrekend.

12. De overige verweren van [appellanten] (verjaring t.[appellant 1] v. [appellant 2], dwaling, matiging, redelijkheid en billijkheid; grief 5 in het principaal appel)

12.1

De overblijvende verweren van [appellanten] zijn slechts met enige welwillendheid als (verholen) grieven uit de memorie van grieven te destilleren. Een deel ervan vindt geen steun in het recht; voor het overige zijn die weren onvoldoende onderbouwd. Gelet op de summiere toelichting op deze klachten, en gezien al het voorgaande, behoeft dat oordeel geen nadere toelichting.

13 De subsidiaire vordering van [geïntimeerde]

13.1

Indien [geïntimeerde] niet slaagt in het op te dragen bewijs, dient de primair gevorderde hoofdelijke veroordeling alsnog te worden afgewezen, en dient de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] te worden beoordeeld. Die houdt in dat elk van gedaagden voor een derde gedeelte worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 35.000,00 te betalen.

13.2

Het hof houdt elk oordeel daaromtrent aan.

14. De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden (de grief in het voorwaardelijk incidenteel appel)

14.1

[geïntimeerde] heeft in het voorwaardelijk ingestelde hoger beroep betoogd dat de algemene voorwaarden van [X] Advocaten van toepassing zijn op de overeenkomst. De voorwaarde luidt, zo begrijpt het hof, dat niet al in het principaal appel wordt geconcludeerd dat de algemene voorwaarden wel toepasselijk zijn.

14.2

Het hof constateert dat met deze grief uitdrukkelijk niet wordt opgekomen tegen de afwijzing van de op grond van deze voorwaarden gevorderde contractuele rente, zodat [geïntimeerde] in zoverre geen belang heeft bij de grief. Voor zover de devolutieve werking van het hoger beroep dat meebrengt, is hiervoor in het principaal appel al geoordeeld over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en het belang daarvan. Het incidenteel appel behoeft, gegeven die constatering, geen nadere bespreking.

14.3

In dit voorwaardelijk incidenteel appel blijft een kostenveroordeling achterwege, nu dat gelet op het voorgaande feitelijk strekte tot handhaving van in eerste aanleg ingenomen stellingen en weren.

15 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In het principaal appel

alvorens nader te beslissen:

draagt [geïntimeerde] op te bewijzen dat in besprekingen van 22 april 2009 en 29 maart 2010 tussen partijen is afgesproken dat € 35.000,- zou worden betaald uit de opbrengst van de procedure tegen het humanistisch verbond en [Y], ongeacht de uitkomst daarvan en ongeacht aan welke eisende partij de revenuen zouden toekomen;

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.W. Zandbergen, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

verhinderdata enquête

bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum dinsdag
14 juli 2015, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;

bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

verstaat dat de advocaat van [geïntimeerde] uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [appellanten] alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen;

In het incidenteel appel

houdt elke beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. D.H. de Witte en mr. W.Th. Braams en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 16 juli 2015.