Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4624

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
200.143.474-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Contractuele bevoegdheid tot onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst in geval van niet nakomen van afspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.143.474/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/138630 / HA ZA 13-14)

arrest van de eerste kamer van 23 juni 2015

in de zaak van

1 De commanditaire vennootschap [appellante 1],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellante 1],

alsmede haar beherend vennoot:

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellant 2] c.s.,

advocaat: mr. F. Bakker, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde],

gevestigd te Veendam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.S.B. Schiphorst, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 20 november 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 februari 2014,

- de akte strekkende tot aanvulling/wijziging van eis/vordering tevens memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant 2] c.s. in hoger beroep luidt:

"… te vernietigen het vonnis uitgesproken door de Rechtbank Noord-Nederland van
20 november 2013 en opnieuw rechtdoende onder aanvulling en/of verbetering van de gronden (daarbij tevens verwijzend naar de akte wijziging/aanvulling van de eis/vorderingen) bij arrest de vorderingen van appellant alsnog toe te wijzen –voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad- met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

3 De feiten

3.1

Als gesteld en niet weersproken staan de volgende feiten tussen partijen vast.

3.1.1

Begin 2008 is een op schrift vastgelegde overeenkomst gesloten tussen - zoals staat vermeld op de desbetreffende ongedateerde akte (overgelegd als productie 1) - "[geïntimeerde] Transport B.V." (rechtsvoorgangster van [geïntimeerde]) en "[appellante 1]"

De overeenkomst strekte ertoe dat [appellante 1] voor [geïntimeerde] goederenvervoer zou gaan verrichten.

3.1.2

Omtrent de duur van de overeenkomst is in het contract het volgende bepaald:

“De overeenkomst is voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van drie maanden. Bij het niet nakomen van afspraken of levering van diensten kan de overeenkomst per direct worden beëindigd.”

3.1.3

Bij aanvang van de samenwerking tussen [geïntimeerde] en [appellant 2] c.s. zijn voorts de volgende afspraken gemaakt (zie conclusie van antwoord onder17, niet weersproken):

  • -

    i) [appellant 2] c.s. dienden hun bedrijfsvoering en (financiële) administratie op orde te maken en te houden;

  • -

    ii) [appellant 2] c.s. dienden hun personeel, dan wel ingehuurde krachten, correct te behandelen, waaronder mede betaling van hun personeel conform de toepasselijke cao;

  • -

    iii) [appellant 2] c.s. dienden de voor [geïntimeerde] uit te voeren werkzaamheden en ritten tijdig en correct te verrichten.

3.1.4

De in het contract genoemde [appellante 1] is bij overeenkomst van

1 november 2008 aangegaan en stond in het handelsregister ingeschreven onder nummer [nummer]. [appellant 2] was de enig beherend vennoot.

3.1.5

Bij brief van 3 april 2009 heeft [geïntimeerde] ter bevestiging van een gesprek op die datum tussen de heren [X] en [Y] van [geïntimeerde] en [appellant 2], aan
[appellante 1] bericht dat per einde week 14 van 2009 haar diensten voor [geïntimeerde] zullen worden beëindigd. Bij brief van 10 september 2009 heeft de advocaat van [appellant 2] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het feit dat [geïntimeerde] zich niet aan de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden heeft gehouden.

3.1.6

Bij vonnis van 12 mei 2009 van de rechtbank Groningen is [appellant 2] in staat van faillissement verklaard. Daarmee is de [appellante 1] per 12 mei 2009 ontbonden. Op 27 oktober 2009 is deze C.V. uitgeschreven uit het handelsregister.

3.1.7

Bij beschikking van 19 oktober 2010 heeft de rechtbank Groningen het faillissement van [appellant 2] opgeheven wegens gebrek aan baten.

3.1.8

Op 27 januari 2012 is onder nummer [nummer] in het handelsregister een commanditaire vennootschap ingeschreven met de naam [appellante 1], aangegaan op 1 januari 2012 en met als beherend vennoot [appellant 2].

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant 2] c.s. hebben [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 94.068,50, vermeerderd met rente en kosten. Zij baseren die vordering, kort gezegd, op de stelling dat [geïntimeerde] de overeenkomst onregelmatig heeft opgezegd en gehouden is de daardoor door hen geleden schade te vergoeden.

4.2

De rechtbank heeft de vordering afgewezen en [appellant 2] c.s. veroordeeld in de kosten.

5 Eiswijziging

5.1

[appellant 2] c.s. hebben in hoger beroep de grondslag van hun vordering aangevuld met een "verder subsidiair" beroep op onrechtmatige daad en een "nog weer verder subsidiair" beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Tegen deze eiswijziging als zodanig heeft [geïntimeerde] geen bezwaar gemaakt. Ambtshalve ziet het hof geen aanleiding te oordelen dat deze eiswijziging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

6 De bespreking van de grieven

6.1

Grief 1 komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering voor zover die is ingesteld door "de C.V." moet worden afgewezen omdat, kort gezegd, de op 1 januari 2012 aangegane C.V. geen partij was bij de overeenkomst en de op 1 november 2008 aangegane C.V. , die wel partij was bij de overeenkomst, is ontbonden en onder die omstandigheden uitsluitend kan optreden in het kader van (heropening van) de vereffening, waarvan echter niet is gebleken.

6.2

In de toelichting op de grief betogen [appellant 2] c.s. dat vanwege het faillissement van de beherend vennoot de oude C.V. is ontbonden. De rechtsverhouding tussen de vennoten is echter blijven bestaan voor zover dat in het kader van de vereffening noodzakelijk is. Eerst nadat de vereffening is geëindigd houdt de vennootschap op te bestaan. Voor zover bekend heeft de toenmalig curator in het faillissement van de beherend vennoot zich echter in het geheel niet bezig gehouden met de vereffening van de C.V. De C.V. is dan ook niet geëindigd. Na opheffing van zijn faillissement is [appellant 2] zich als beherend vennoot alsnog gaan bezighouden met de vereffening van de C.V. De C.V. kan dan ook wel degelijk optreden als zelfstandige procespartij in het kader van haar vereffening, aldus [appellant 2] c.s.

In de toelichting op de grief wordt voorts in lijn met wat in eerste aanleg is betoogd, aangevoerd dat de nieuwe C.V. en de oude C.V. in wezen dezelfde zijn.

6.3

Met grief 2 klagen [appellant 2] c.s. dat de rechtbank de vordering heeft afgewezen voor zover die is ingesteld door [appellant 2]. Daartoe stellen [appellant 2] c.s., meest subsidiair, dat de oude C.V. is ontbonden, dat liquidatie heeft plaatsgevonden en dat het vennootschapsvermogen is verdeeld. De onderhavige vordering is daarbij aan [appellant 2] overgedragen. Aangeboden wordt een schriftelijke verklaring van de stille vennoot over te leggen waaruit dit blijkt.

6.4

Het hof overweegt dat indien mocht blijken dat (een van) deze grieven terecht is/zijn voorgedragen, het hof zich op grond van de devolutieve werking van het appel zal dienen te buigen over de in eerste aanleg niet besproken of verworpen andere verweren van [geïntimeerde]. Het hof acht het doelmatig eerst een van die verweren te bespreken alvorens, voor zover nodig, nader in te gaan op de grieven.

6.5

Door [geïntimeerde] is onder meer als verweer gevoerd dat [appellant 2] c.s. zich niet hebben gehouden aan de hiervoor onder 3.1.3 weergegeven afspraken tussen partijen en dat [geïntimeerde] om die reden bevoegd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. Naar het hof begrijpt, baseert [geïntimeerde] die bevoegdheid op de volgende bepaling in de overeenkomst: “Bij het niet nakomen van afspraken of levering van diensten kan de overeenkomst per direct worden beëindigd”.

6.6

Volgens [geïntimeerde] hebben [appellant 2] c.s. zich aan meerdere van de onder 3.1.3 genoemde afspraken niet gehouden. Het ging daarbij onder andere over de volgende kwesties:

  1. [appellant 2] c.s. hadden hun bedrijfsvoering en (financiële) administratie niet op orde en beschikten niet over jaarstukken, als gevolg waarvan zij niet in staat waren elders vrachtauto’s te huren of leasen toen de bestaande leverancier insolvent raakte en de auto’s terug moesten;

  2. Diverse malen is ten laste van [appellant 2] c.s. onder [geïntimeerde] beslag gelegd, onder meer door de Belastingdienst wegens het niet afdragen van omzetbelasting en sociale premies. [geïntimeerde] heeft vervolgens de verschuldigde bedragen aan de Belastingdienst voldaan en die verrekend met hetgeen [appellant 2] c.s. van haar tegoed had;

  3. [appellant 2] c.s. betaalden niet het cao-loon aan hun chauffeurs; uit hun eigen schadeberekening blijkt dat zij een weeksalaris “all-in” betaalden van € 400,- en dat is fors minder dan het cao-salaris.

6.7

Door [appellant 2] c.s. is in reactie daarop het volgende aangevoerd:

Ad a.

Het faillissement van de autoleverancier speelde in een andere periode en destijds waren [appellant 2] c.s. wel degelijk in staat vervangende auto’s te betrekken. Uit de brief van
3 april 2009 blijkt ook helemaal niet dat dit de reden voor beëindiging van de overeenkomst was. Voorts staat in die brief dat de auto’s bij [geïntimeerde] moeten worden ingeleverd.

Ad b.

[appellant 2] c.s. waren niet altijd in staat aan hun verplichtingen te voldoen. Daarom heeft [geïntimeerde] de schulden aan de Belastingdienst voldaan en die met [appellant 2] c.s. verrekend. Dit is in goed overleg gebeurd.

Ad c.

[appellant 2] c.s. betaalden aan het Roemeense uitzendbureau waarvan zij de chauffeurs betrokken hadden.

6.8

Het hof overweegt dat [appellant 2] c.s. niet hebben betwist dat zij niet over jaarstukken beschikten en schulden hadden aan de belastingdienst vanwege het niet afdragen van omzetbelasting en sociale premies. Daarmee staat vast dat hun financiële huishouding niet goed op orde was. Voorts staat vast dat voor deze belastingschulden onder [geïntimeerde] beslagen werden gelegd. Door [geïntimeerde] is onweersproken (en goed voorstelbaar) aangevoerd dat die beslagleggingen voor haar een administratieve belasting betekenden. Ook betwisten [appellant 2] c.s. niet dat de door hen ingehuurde chauffeurs minder betaald kregen dan de cao voorschreef. Dat de betalingen verliepen via een uitzendbureau doet daar niet aan af. Gelet op een en ander is het hof van oordeel dat [appellant 2] c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat zij de met [geïntimeerde] gemaakte afspraken niet (behoorlijk) nakwamen. Derhalve was [geïntimeerde] ingevolge de overeenkomst bevoegd de overeenkomst per direct te beëindigen.

6.9

Gelet op dit oordeel kunnen de grieven 1 en 2 niet ertoe leiden dat het hof alsnog de vordering van [appellant 2] c.s. toewijst. Die grieven behoeven dan ook geen verdere bespreking. Hetzelfde geldt voor de grieven 3 en 4, die bovendien geen zelfstandige betekenis hebben. In het licht van het voorgaande kan evenmin sprake zijn van onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] dan wel van ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde].

De slotsom.

6.10

Het vonnis waarvan beroep zal, onder aanpassing van de gronden, worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant 2] c.s. als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (wat betreft het aan de zijde van [geïntimeerde] te liquideren salaris van de advocaat te begroten op 1 punt in tarief IV), inclusief de gevorderde nakosten en met de wettelijke rente over proceskosten en nakosten als hieronder vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 20 november 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant 2] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 1.920,- aan verschotten, € 1.631,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en € 131,00 voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf 14 dagen na betekening van deze uitspraak tot de dag der algehele voldoening, en tot betaling van

€ 68,00 voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen veertien dagen na

aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. W. Breemhaar en mr. J.H. Kuiper en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
23 juni 2015.