Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4616

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
200.116.709-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen verschillen over de vraag of geldlener aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan. Bij het antwoord op die vraag speelt een rol hoe om te gaan met extra aflossingen uit het verleden. Het hof geeft met een rekenvoorbeeld aan wanneer sprake is van een extra aflossing en wanneer niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.116.709/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 507472 CV EXPL 11-7639)

arrest van de eerste kamer van 23 juni 2015

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats 1],

hierna: [appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats 1],

hierna: [appellant 2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. S.L. Schram, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats 2],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats 3],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 2 december 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat beide partijen in hun memories na comparitie weliswaar aangeven dat een regeling is bereikt, maar dat zij van mening lijken te verschillen over de inhoud van de regeling. Het hof heeft partijen daarom in de gelegenheid gesteld bij akte aan te geven of daadwerkelijk overeenstemming is bereikt over een regeling en, zo ja, wat die regeling behelst.

1.2

Daarna hebben [geïntimeerden] een akte na schikking genomen (met als productie een uitgebreide berekening) en hebben [appellanten] een "memorie na comparitie" genomen.

1.3

Vervolgens hebben [geïntimeerden] de (aanvullende) stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

Partijen verschilden over een groot aantal punten van mening. Bij gelegenheid van de op 20 augustus 2008 gehouden comparitie van partijen zijn deze geschilpunten besproken. Vervolgens hebben partijen overeenstemming bereikt over de meeste geschilpunten. Partijen hebben elk aangegeven wat de gevolgen van deze overeenstemming zijn voor de vorderingen van [appellanten] in conventie (die in dit appel ter discussie staan). Daarin stemmen ze nog steeds niet overeen.

2.2

Partijen zijn het er wel over eens dat [appellanten] op 30 september 2014 een bedrag te vorderen hadden van € 363.890,69. Dit bedrag is vermeld in de memorie na comparitie van
[geïntimeerden] van 11 november 2014 en in een e-mailbericht van de raadsman van [appellanten] aan de raadsman van [geïntimeerden] van 10 november 2014. Ook in de memorie van [appellanten] van 13 januari 2015 wordt dit bedrag genoemd. Het hof merkt in dit verband op dat partijen de datum 30 september 2013 noemen, maar dat uit de onderliggende stukken, waaronder de door hen overgelegde berekeningen, volgt dat de schuld per 30 september 2014 is bedoeld. Dat ligt ook voor de hand omdat bij gelegenheid van de comparitie van partijen van 20 augustus 2014 is afgesproken dat partijen zouden proberen om op basis van de toen besproken uitgangspunten te bepalen hoeveel de vordering van [appellanten] bedraagt.

2.3

Partijen zijn het er inmiddels ook over eens dat alleen [geïntimeerde 1], en niet [geïntimeerde 2], het bedrag verschuldigd is. Ook zijn ze het er over eens dat de proceskosten tussen hen dienen te worden gecompenseerd.

2.4

Partijen verschillen van mening over de vraag of de vordering van [appellanten] opeisbaar is. Volgens [geïntimeerden] is dat niet het geval. Partijen zijn overeengekomen dat het door [appellanten] geleende bedrag in dertig jaar kon worden afgelost, waarbij de eerste periode na het aangaan van de lening minder behoefde te worden afgelost en daarna
€ 26.666,67 per jaar. Tot 30 september 2014 diende € 282.222,26 te worden afgelost. [geïntimeerde 1] heeft € 368.917,44 afgelost, derhalve veel meer dan dit bedrag, aldus [geïntimeerden] [appellanten] stellen dat [geïntimeerden] in hun berekening ten onrechte rekening houden met extra aflossingen. Wanneer die extra aflossingen buiten beschouwing blijven, heeft [geïntimeerde 1] niet teveel, maar juist te weinig afgelost, aldus [appellanten]

2.5

Het hof is, met [appellanten], van oordeel dat een extra aflossing niet afdoet aan de tussen partijen overeengekomen verplichting van [geïntimeerde 1] om jaarlijks, totdat de totale schuld is afgelost, - uiteindelijk - € 26.666,67 per jaar af te lossen. Indien extra wordt afgelost, betekent dit dat de schuld eerder dan oorspronkelijk was voorzien, is afgelost, niet dat dan gedurende de gehele oorspronkelijk voorziene looptijd van de lening het oorspronkelijk overeengekomen af te lossen bedrag moet worden aangepast, zoals [geïntimeerden] veronderstellen.

2.6

[geïntimeerden] hebben er terecht op gewezen dat de in de hypotheekakte vastgelegde overeenkomst van geldlening slechts in één situatie verplicht tot een extra aflossing, te weten de situatie dat bij vervreemding van het onderpand een verkoopopbrengst van in totaal
€ 1.000.000,- wordt gerealiseerd. Dat die situatie zich heeft voorgedaan, is gesteld noch gebleken. Dat betekent dat [geïntimeerde 1] niet verplicht was om extra aflossingen te verrichten. [geïntimeerde 1] heeft echter, volgt uit het door [geïntimeerden] in het geding gebrachte overzicht van betalingen dat door [appellanten] niet is weersproken, naast de maandelijkse betalingen (door middel van verrekening met de huur) geregeld andere bedragen aan [appellanten] betaald. Die betalingen zijn - en daarin volgt het hof [appellanten] niet - evenwel pas (en in zoverre) als extra aflossing te beschouwen, voor zover na de desbetreffende betalingen meer is betaald dan tot dat moment aan aflossingen betaald had moeten worden. Bij de bepaling van laatstgenoemd bedrag mag geen rekening worden gehouden met de in het verleden verrichte extra aflossingen; die extra aflossingen laten, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, de verplichting tot het voldoen van de overeengekomen aflossing in stand. Indien [geïntimeerde 1], bijvoorbeeld, jaarlijks € 12.000,- dient te betalen en in jaar 1 € 15.000,- heeft betaald, is sprake van een extra aflossing van € 3.000,-. Indien hij in jaar 2 € 10.000,- betaalt, is sprake van een achterstand van € 2.000,-. Het in jaar 1 teveel betaalde bedrag strekt niet in mindering op de verplichting tot aflossing in jaar 2. Betaalt hij in jaar 3 weer € 15.000,-, dan is in jaar 3 sprake van een extra aflossing van € 1.000,- (€ 2.000,- strekt in mindering op de in jaar 2 ontstane achterstand).

2.7

Het hof stelt vast dat geen van partijen de vraag of op 30 september 2014 sprake was van een achterstand in de verschuldigde aflossing op deze wijze heeft benaderd. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om ten aanzien van de door hen als extra aflossing aangeduide bedragen aan te geven of en in hoeverre deze bedragen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ook als extra aflossing hebben te gelden en of daarvan uitgaande sprake is van een achterstand per 30 september 2014 (de door partijen gehanteerde datum) in de reguliere aflossingsverplichtingen.

2.8

Het hof zal de zaak dan ook opnieuw naar de rol verwijzen voor akte door beide partijen.

3 De beslissing
Het gerechtshof:

alvorens nader te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 21 juli 2015 voor akte aan de zijde van beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

bepaalt dat het hof de door partijen gefourneerde procesdossiers onder zich houdt en dat partijen aanvullend zullen fourneren.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. L. Groefsema en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 23 juni 2015.


De Hek, Groefsema, De Witte