Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4574

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
29-06-2015
Zaaknummer
13/01042 en 13/01043
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:5326, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen nog niet opgelegde naheffingsaanslagen. Belanghebbende kon redelijkerwijs niet menen dat de naheffingsaanslagen reeds tot stand waren gekomen. Bezwaar niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1429
V-N 2015/45.21.13
FutD 2015-1636
NTFR 2015/1949
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummers 13/01042 en 13/01043

uitspraakdatum: 24 juni 2015

Uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2013, nummer AWB LEE 12/443 en 12/444, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het tijdvak september 2009 op 21 december 2009 een naheffingsaanslag in de kansspelbelasting opgelegd ten bedrage van € 28.677, alsmede tegelijkertijd bij beschikking een boete van € 573.

1.2

Voor het tijdvak oktober 2009 is aan belanghebbende op 21 december 2009 een naheffingsaanslag in de kansspelbelasting opgelegd ten bedrage van € 10.471, alsmede tegelijkertijd bij beschikking een boete van € 209.

1.3

Het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden, thans Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 3 september 2013 ongegrond verklaard.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende drs. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede drs. [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [C].

1.8

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft, onder meer in de maanden september en oktober 2009, geldbedragen gewonnen na deelname aan poker op internet. Op 29 oktober 2009 heeft hij aangifte gedaan voor de kansspelbelasting (hierna: KSB) voor de maand september 2009. Op 27 november 2009 heeft hij aangifte KSB gedaan voor de maand oktober 2009. Beide aangiften zijn zogenaamde nihilaangiften. In een bijgevoegde toelichting heeft belanghebbende te kennen gegeven van mening te zijn dat hij niet belastingplichtig is. Belanghebbende heeft geen kansspelbelasting op aangifte voldaan.

2.2

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de onder 2.1 vermelde aangiften bij brief van 16 november 2009 inzake het tijdvak september 2009 en bij brief van 11 december 2009 inzake het tijdvak oktober 2009 de onder 1.1 opgenomen naheffingsaanslagen aangekondigd. Tevens heeft hij in die brieven vermeld verzuimboetes te zullen opleggen.

2.3

Na de wijziging van de Wet op de kansspelbelasting (hierna: de Wet KSB) per 1 november 2008 bestaat omtrent de heffing van kansspelbelasting bij poker op een aantal punten grote onduidelijkheid. Daardoor is de wens ontstaan om de werking van de Wet KSB ten aanzien van poker voor te leggen aan de rechter. Om vele afzonderlijke beroepszaken te voorkomen is in overleg tussen mr. [D] als medegemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur gekozen om twee 'proefprocedures' voor de rechter te brengen. Deze procedures zijn gevoerd bij de rechtbank 's-Gravenhage (11/6721) en de rechtbank Haarlem (11/4240).

2.4

De Inspecteur heeft op 18 december 2009 aan de gemachtigde van een aantal pokerspelers een brief toegezonden omtrent de afspraken over de proefprocedures. In deze brief heeft de Inspecteur - onder meer - het volgende opgenomen:

"2.1 Administratief

Allereerst wil ik hierbij opmerken dat het niet mogelijk is om bepaalde wettelijke verplichtingen voor deze groep belastingplichtigen buiten werking te stellen. De verplichting tot het doen van aangifte en het betalen van de volgens de wet verschuldigde kansspelbelasting bestaat voor de belastingplichtigen die u vertegenwoordigt, zoals deze ook bestaat voor andere pokeraars en voor andere doelgroepen die niet door u worden vertegenwoordigd.

Naar de mening van de belastingdienst bestaat er ten aanzien van de betrokken regeling niet een dermate onduidelijkheid dat geen positieve aangifte gedaan zou kunnen worden. Uw opmerkingen dienaangaande op blz. 3 dat de belastingdienst dit bevestigt, onderschrijf ik niet. Het enige punt van mogelijke tegenstrijdigheid, dat u uit de wetsgeschiedenis heeft kunnen halen, is de door u genoemde uitlating van de staatssecretaris tijdens de parlementaire behandeling en uw interpretatie daarvan. Indien deze uitlating los van het verband wordt gezien waarin deze is gemaakt, is dit zodanig in afwijking van de wetgeving en de rest van de parlementaire behandeling dat dit niet door mij niet als onduidelijkheid wordt getypeerd.

Uw voorstel om uw groep pokerspelers een nihilaangifte te laten doen en geen naheffingsaanslagen en geen boetes op te leggen, is voor mij om voornoemde redenen niet acceptabel. Ik verwacht dat de spelers maandelijks tijdig hun aangiften doen tot het juiste bedrag en tijdig de verschuldigde kansspelbelasting betalen. Het opleggen van verzuimboetes is niet aan de orde.

Ter beperking van de administratieve lasten stel ik voor dat een pokerspeler die daarom vraagt kan volstaan met het éénmaal bezwaar maken tegen de eigen betaalde aangifte, waarbij over de volgende maanden (indien volgens de regelgeving aangifte is gedaan en betaald) ambtshalve zal worden teruggekomen indien de uitkomsten van de proefprocedures daartoe aanleiding geven.".

2.5

Met dagtekening 21 december 2009 heeft de Inspecteur ter zake van de in de maanden september en oktober 2009 behaalde speelwinsten aan belanghebbende naheffingsaanslagen KSB met boetes opgelegd. Deze naheffingsaanslagen en de daarbij in een geschrift bekendgemaakte boetes heeft belanghebbende kort na 21 december 2009 ontvangen.

2.6

Belanghebbende heeft tegen de hiervoor genoemde naheffingsaanslagen KSB en de daarbij opgelegde boetes bij brief van 26 maart 2010, door de Inspecteur ontvangen op 29 maart 2010, bezwaar gemaakt. In het kader van de Fiscale Pokerprocedure is aan de Inspecteur verzocht de behandeling van de bezwaarschriften aan te houden.

2.7

De Inspecteur heeft in zijn brieven van 1 april 2010 de ontvangst van de bezwaarschriften tegen de onderhavige naheffingsaanslagen bevestigd. In deze brieven is het volgende opgenomen:

"De Belastingdienst beslist in beginsel binnen zes weken op uw bezwaarschrift. In uw bezwaarschrift heeft u echter uitdrukkelijk verzocht om het bezwaarschrift aan te houden totdat de belastingrechter in hoogste instantie zich in de proefprocedure(-s) zal hebben uitgesproken over de geschilpunten inzake de heffing van de kansspelbelasting bij buitenlandse kansspelen. Om doelmatigheidsredenen zal ik aan dit verzoek tegemoetkomen".

2.8

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 januari 2012 de bezwaarschriften wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende meent van niet; de Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslagen.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het binnen zes weken na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is ontvangen. Wordt een bezwaarschrift binnen een week na afloop van deze termijn ontvangen, dan wordt het toch als tijdig ingediend aangemerkt indien het binnen die termijn ter post is bezorgd.

4.2

Niet in geschil is dat de onderhavige naheffingslagen bekend zijn gemaakt op 21 december 2009, zodat ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de bezwaartermijn is aangevangen op 22 december 2009. De bezwaartermijn is geëindigd met 1 februari 2010. De door de Inspecteur op 29 maart 2010 ontvangen bezwaarschriften zijn ver na de bezwaartermijn ingediend.

4.3

Belanghebbende stelt dat hij reeds voor het opleggen van de naheffingsaanslagen bij de op 31 augustus 2009 gestarte briefwisseling met de Inspecteur duidelijk en zonder voorbehoud kenbaar heeft gemaakt dat hij zich niet kan verenigen met de naheffingsaanslagen. In het kader daarvan moeten de bezwaarschriften van 26 maart 2010 beschouwd worden als een bevestiging van de reeds gemaakte bezwaren. Belanghebbende wijst op zijn brief van 20 november 2009, waarin hij tegen de naheffingsaanslagen KSB voor de tijdvakken december 2008, februari 2009, maart 2009, april 2009, mei 2009 en augustus 2009 bezwaar heeft gemaakt. In deze brief worden de aanslagnummers en de kenmerknummers van die naheffingsaanslagen opgesomd. In zijn brieven van 31 augustus 2009 en 9 september 2009 reageert hij op de door de Inspecteur verstuurde aankondigingen van respectievelijk de naheffingsaanslag voor het tijdvak december 2008 en van de naheffingsaanslag voor het tijdvak mei 2009.

4.4

Artikel 6:10, eerste lid, Awb bepaalt, voor zover hier relevant, dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft, indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

4.5

Gelet op de data van indiening van de aangiften voor de KSB voor de tijdvakken september 2009 en oktober 2009 van respectievelijk 29 oktober 2009 en 27 november 2009 kunnen de brieven van 31 augustus 2009 en 9 september 2009 niet als bezwaarschriften worden aangemerkt. Ten tijde van het inzenden van deze brieven waren de besluiten nog niet tot stand gekomen en belanghebbende kon evenmin redelijkerwijs menen dat dit wel reeds het geval was. Dit geldt ook voor de brief van 20 november 2009 ten aanzien van het besluit van de Inspecteur inzake de naheffing voor het tijdvak oktober 2009. Op voormelde data waren de betreffende aangiften nog niet ingediend, zodat de Inspecteur niet op de hoogte kon zijn van de door belanghebbende gewonnen prijzen over die tijdvakken. Dat de Inspecteur hiervan anderszins wel wist, heeft belanghebbende niet gesteld. Naar de Inspecteur onbetwist heeft gesteld zijn de elementen voor het vaststellen van de naheffingsaanslagen op 15 december 2009 ingevoerd in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst. De aankondigingsbrieven voor de naheffingsaanslagen zijn verstuurd op 16 december 2009. Ten tijde van de brief van 20 november 2009 was het besluit van de Inspecteur voor het tijdvak september 2009 evenmin tot stand gekomen. Belanghebbende kon redelijkerwijs niet menen dat hiervan wel sprake was. De in de brief van 16 november 2009 - de zogenaamde afwijzingsbrief - gebezigde bewoordingen van de Inspecteur wijzen er veeleer op dat de Inspecteur vanaf die datum het voornemen had om een naheffingsaanslag KSB voor het tijdvak september 2009 ten bedrage van € 28.677 op te leggen.

4.6

Gelet op de datum van ontvangst van de bezwaarschriften dient te worden onderzocht of een niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb).

4.7

Belanghebbende stelt hiertoe dat hij op grond van de inhoud van de ontvangstbevestiging van 1 april 2010 en door zijn deelname aan de proefprocedure, waarvoor in de brief van 18 december 2009 afspraken zijn gemaakt, er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat ook na afloop van de wettelijke bezwaartermijn bezwaar kon worden gemaakt dan wel dat de Inspecteur de uitkomsten van de proefprocedure ambtshalve zou toepassen op alle deelnemers, ook wanneer er een fatale bezwaartermijn zou zijn overschreden of wanneer er helemaal geen bezwaar was ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting daartoe tevens gesteld dat door zijn deelname aan de fiscale pokerprocedure en de op de nihilaangiften door hem gegeven toelichting de Belastingdienst wist dan wel redelijkerwijs had moeten weten dat hij bezwaar had tegen de naheffingsaanslagen.

4.8

Uit de brief van 18 december 2009 leidt het Hof af dat de Inspecteur van de deelnemers van de proefprocedure verwacht dat zij tijdig een positieve aangifte voor de KSB doen en dat de in die aangifte vermelde KSB ook tijdig op aangifte wordt voldaan. Een deelnemer die daarom verzoekt kan volstaan met het eenmalig bezwaar maken tegen de op aangifte voldane KSB. Van de daarop volgende voldoeningen op aangiften zal de Inspecteur ambtshalve terugkomen, indien de beslissing in de proefprocedures ten voordele van de deelnemers strekken.

4.9

Aan de voorwaarden van het doen van positieve aangiften KSB en van voldoening van KSB op aangiften voldoet belanghebbende niet, zodat reeds daarom de in die brief gemaakte afspraken niet van toepassing zijn op belanghebbende. Belanghebbende kon daaraan geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. Ook de in de aangiften opgenomen toelichting ontslaat belanghebbende niet van de wettelijke verplichting om bezwaar te maken tegen een belastingaanslag, wanneer hij het daarmee niet eens is. Voorts ziet het Hof niet in dat de in de brief van 1 april 2010 - na afloop van de bezwaartermijn - gemaakte opmerking van de Inspecteur bij belanghebbende een in rechte te beschermen vertrouwen kan wekken dat een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift ontvankelijk zou zijn. Dat aan belanghebbende boetes zijn opgelegd, die tegelijkertijd met de naheffingsaanslagen aan belanghebbende bekend zijn gemaakt, maar het vorenoverwogene niet anders.

4.10

Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 24 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma)

(mr. J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 juni 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.