Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4572

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
29-06-2015
Zaaknummer
14-00226
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:696, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of het hiervoor bedoelde door belanghebbende behaalde voordeel ten bedrage van € 70.000 een voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) belaste bate vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1448
V-N 2015/45.21.5
FutD 2015-1638
NTFR 2015/2333 met annotatie van dr. A. Rozendal
NTFR 2015/1879
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 14/00226

uitspraakdatum: 24 juni 2015

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2014, nummer AWB LEE 12/826, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 154.709. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 3.544.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden, thans de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 6 februari 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. [A] FB, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede drs. [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [C]. Ter zitting is tegelijkertijd behandeld de zaak met nr. 14/00207.

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Ter zitting is als getuige gehoord [D], van welk getuigenverhoor met instemming van partijen een verkorte weergave is opgenomen in het proces-verbaal dat is opgemaakt van het verhandelde ter zitting en dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, geboren [in] 1960, is directeur en enig aandeelhouder van [E] B.V. [E] B.V. is in het onderhavige jaar 50 percent aandeelhouder van [F] B.V. De overige 50 percent van de aandelen in [F] B.V. wordt gehouden door [G] B.V.

2.2

[F] B.V. houdt indirect alle aandelen in onder meer [H] B.V. en [I] B.V.

2.3

[E] B.V. en [G] B.V. gaan in 2008 over tot ontvlechting van hun ondernemingen. Per 31 maart 2009 is de ontvlechting juridisch geëffectueerd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 en is [E] B.V. indirect 100% aandeelhouder van [H] B.V. en [I] B.V. Het economisch belang van de aandelen [H] B.V. en [I] B.V. ligt sinds 1 januari 2008 volledig bij [E] B.V.

2.4

[H] B.V. en [I] B.V. huren een pand in [J] via [K] Makelaars te [L] ([K]). In verband met uitbreiding van de activiteiten wordt in 2008 een nieuwe, centraal gelegen, locatie gezocht.

2.5

Het pand [a-straat] 22 te [M] (hierna ook: het pand) betreft een vrijstaand verzamelkantoor voor bedrijfshuisvesting. Het pand is medio 2008 eigendom van [N] B.V. De benedenverdieping is verhuurd aan [O] B.V. en de bovenverdieping staat op dat moment nagenoeg geheel leeg.

2.6

Op 12 en 15 september 2008 verzendt het makelaarskantoor [K] e-mailberichten waarin het pand te koop wordt aangeboden.

2.7

Op 15 september 2008 heeft [D], bestuurder van [P] B.V., aan [Q], de aandeelhouder van [N] B.V., een e-mailbericht gestuurd met - voor zover hier van belang - de volgende inhoud:

"Hoi [Q], Ben druk bezig met de bank en zover dat men een taxatie wil. De heer [R] komt a.s. donderdag om 11 uur richting [M] om een taxatie te maken. Hopelijk kan jij of iemand anders zorgen dat hij ontvangen wordt en rondgeleid. Ga ervan uit dat e.a. akkoord is. Mocht je nog vragen hebben hoor ik het graag! Met vriendelijke groet, [P] B.V.[D]".

2.8

Blijkens een niet ondertekend taxatierapport met dagtekening 22 september 2008, heeft Makelaardij [S] B.V. op 16 september 2008 van [P] B.V. de opdracht gekregen het pand te taxeren in verband met de beoordeling van een hypothecaire geldlening. [T] van Makelaardij [S] B.V. heeft het pand op 18 september 2008 opgenomen en geïnspecteerd. In dit taxatierapport heeft hij de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat getaxeerd op € 2.300.000, uitgaande van een economische huurwaarde van € 218.000 per jaar, inclusief parkeerplaatsen.

Bij "Kerngegevens van de huurovereenkomst" staat het volgende vermeld:

"Dient nog opgesteld te worden (ROZ model). Mondeling is een huurprijs van € 126.000,- ex btw per jaar afgesproken.".

2.9

Eind september 2008 neemt belanghebbende contact op met [K] met het verzoek om uit te kijken naar een pand in de regio [U]. In dat kader bezichtigt belanghebbende het pand op 29 september 2008. Zij wordt rondgeleid door [Q], aandeelhouder van [N] B.V., de eigenaresse van het pand.

2.10

De Inspecteur heeft een ondertekend taxatierapport met dagtekening 22 september 2008 overgelegd. Dit taxatierapport komt inhoudelijk grotendeels overeen met het bij 2.8 vermelde taxatierapport en vermeldt dezelfde onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat. In dit ondertekende taxatierapport staat bij "Kerngegevens van de huurovereenkomst" het volgende vermeld:

"Dient nog opgesteld te worden (ROZ model). Mondeling is er met [O] een huurprijs van € 126.000,- ex btw per jaar afgesproken. Met [I] is een huurprijs van € 25.000,-ex btw voor de kantoorruimte afgesproken. Voor de door hen te huren parkeerplaats zal € 6.240,- worden betaald. (15PP)".

2.11

Blijkens de documenteigenschappen is het bij 2.10 vermelde taxatierapport op 7 oktober 2008 voor het laatst gewijzigd. Op 7 oktober 2008 is het bedoelde, op 22 september 2008 gedateerde, taxatierapport in dier voege gewijzigd dat is toegevoegd dat (ook) [H] B.V. het pand huurt.

2.12

[D] van [P] B.V. heeft op 7 november 2008 de volgende e-mail aan [K] gezonden:

“ Onderwerp: [M]

tekst van [V]

Ik heb [I] nogmaals getoetst en de moedermij [W] BV ook en beide scoren negatief in [Y]. (…) Wel heb ik de post kort doorgesproken met onze analyse-afdeling en ze hebben aangegeven dat de post bekeken kan worden, als bijvoorbeeld jaarcijfers van [I] worden aangeleverd, ik heb van [R] begrepen dat deze over 2007 gereed zijn en ingekeken mogen worden. Volgens [R] waren de cijfers over 2007 ook goed. Als dit idd zo is, dan kunnen we op die manier ook de 25.000 huur meenemen en wordt de huurder als geschikt beoordeeld.”.

2.13

[K] hebben op 10 november 2008 het hiervoor – onder 2.12 - bedoelde e-mailbericht doorgezonden naar belanghebbende. De inhoud van de begeleidende e-mail luidt als volgt:

“Hallo [X], Bij deze het mailtje van de [a-bank] (hieronder). De accountmanager van de [a-bank] is [V]. [V] werkt bij de [a-bank] in [J].”.

2.14

Namens [I] B.V. is op 10 november 2008 een e-mail gezonden aan [V] van de [a-bank] te [J]. De inhoud van de e-mail luidt als volgt:

“Goedemorgen heer [V], Op verzoek van [X] en [R] stuur ik u hierbij digitaal de jaarrekeningen 2006 van de [AA] BV en [I] BV.”.

2.15

[V] stuurt op 10 november 2008 om 18:54 uur de volgende e-mail aan belanghebbende:

“Goedendag, Ik heb helaas geen bijlage aangetroffen in deze email. Kunt u svp nogmaals een mail sturen inclusief digitale bestanden? Alvast bedankt. Is ook al bekend wanneer de cijfers over boekjaar 2007 gereed zullen zijn?”.

2.16

Belanghebbende beantwoordt de bij 2.15 vermelde e-mail op 11 november 2008 als volgt:

“Heer [V], U heeft gisteren van [BB] een mail gehad met 2005 en 2006. De bijlagen zaten er wel degelijk bij. Ik heb ze immers ook gehad. 2007 is nog niet klaar. Ik hoop dat onze accountant in de loop van de komende periode deze cijfers kan presenteren. Ik ben best bereid u, ondanks dat we geen relatie met elkaar hebben, u in ‘onze keuken te laten kijken’, echter wanneer we te veel tijd kwijt zijn om u te ‘bemailen’ gaan we op zoek naar een ander pand in [M] en omgeving. Wij zijn een hele gezonde onderneming die altijd aan iedereen haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. ”.

2.17

Op 25 november 2008 is het pand in opdracht van [P] B.V. door [CC] B.V. getaxeerd in verband met het verkrijgen van een passende financiering. De onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat bedraagt volgens het taxatierapport van 27 november 2008 € 2.190.000. Bij onderdeel 3.2 van het rapport worden drie huurovereenkomsten vermeld. Een per 1 oktober 2007 ingegane huurovereenkomst met [DD] B.V. voor 60 parkeerplaatsen, een per 1 januari 2008 ingegane huurovereenkomst met [O] B.V. voor de gehele begane grond en een huurovereenkomst, ingaande 1 januari 2009, met [H] B.V. voor 330 m2 kantoorruimte op de eerste etage.

2.18

Tot de stukken van het geding behoort een op 1 december 2008 ondertekende koopakte bedrijfs onroerend goed. Daarin is opgenomen dat [N] B.V. en belanghebbende op 1 november 2008 een koopovereenkomst hebben gesloten. Volgens deze koopovereenkomst wordt het pand door [N] B.V. voor een koopsom van € 1.200.000 aan belanghebbende verkocht.

2.19

Tot de stukken van het geding behoort een op 15 december 2008 ondertekende koopakte bedrijfs onroerend goed. Daarin is opgenomen dat belanghebbende en [P] B.V. op 19 november 2008 een koopovereenkomst hebben gesloten. Volgens deze koopovereenkomst wordt het pand door belanghebbende voor een koopsom van € 1.270.000 aan [P] B.V. verkocht.

2.20

Uit de documenteigenschappen van de bij 2.18 en 2.19 vermelde koopakten volgt dat beide koopakten zijn aangemaakt op 20 november 2008.

2.21

Tot de stukken van het geding behoort een op 15 december 2008 ondertekende huurovereenkomst kantoorruimte. Blijkens deze overeenkomst wordt de eerste verdieping van het pand door [P] B.V. verhuurd aan [H] B.V. tegen een huurprijs van € 25.000 op jaarbasis. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van zeven jaar ingaande op 1 januari 2009. Blijkens in hoger beroep overgelegde bescheiden is deze overeenkomst reeds op 16 oktober 2008 aangemaakt.

2.22

Op 17 december 2008 vindt de levering plaats van de onroerende zaak, gelegen aan de [a-straat] 22 te [M] (het pand). In de akte van levering is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

“1. (…) [N] B.V. hierna genoemd: "verkoper"; 2. mevrouw [X] (…) hierna genoemd partij II; 3. (…) [P] B.V. hierna genoemd: "koper",

De comparanten, zo voor zich als in gemelde hoedanigheid, verklaarden het navolgende dat:

KOOPOVEREENKOMSTEN

- tussen de verkoper en partij II een overeenkomst is gesloten, de dato één november tweeduizend acht, inhoudende de verkoop en levering door de verkoper aan partij II van het hierna te melden registergoed, zulks voor een koopsom van één miljoen en tweehonderdduizend euro ( € 1.200.000), zulks onder gestanddoening van een huurovereenkomst kantoorruimte met [O] B.V. en een huurovereenkomst parkeerplaatsen met [DD] B.V.; vervolgens heeft partij II op negentien november tweeduizend acht met de koper een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot alle rechten voortvloeiende uit de door partij II met de verkoper gesloten koopovereenkomst, in het bijzonder het recht van levering van het hierna te melden registergoed, zulks voor een koopsom van één miljoen en tweehonderd zeventigduizend euro € 1.270.000); zulks onder gestanddoening van voormelde huurovereenkomst kantoorruimte, gesloten met [O] B.V., voormelde huurovereenkomst met [DD] B.V., en een huurovereenkomst met [H] B.V.;

- partij II heeft zijn recht op levering voor wat betreft na te melden registergoed overgedragen aan de koper. Op grond van de beide hiervoor vermelde overeenkomsten wenst de verkoper in eigendom te leveren aan de koper de eigendom van het hierna te melden registergoed; (…)

LEVERING EIGENDOM

Vervolgens verklaart de verkoper, door middel van deze akte, ter uitvoering van de vermelde koopovereenkomsten, rechtstreeks in eigendom te leveren aan de koper, die verklaart te aanvaarden, het hierna te melden registergoed.

OMSCHRIJVING REGISTERGOED

- het bedrijfsgebouw met parkeervoorziening, ondergrond en verder toebehoren, staand en gelegen te [M], [a-straat] 22, kadastraal bekend gemeente [M], sectie [EE], nummer [0000], groot tweeëndertig are en tweeëntachtig centiare;”.

2.23

De Inspecteur heeft op 17 februari 2009 een derdenonderzoek ingesteld bij [K]. In het verslag van dit derdenonderzoek staat onder andere dat de heer [R] het volgende heeft verklaard:

“Mevr. [X] zocht huurruimte in de richting van [U]. [R] heeft aan mevr. [X] aangegeven dat hij nog wel een huurpand wist in [M]. Hier is mevr. [X] mee akkoord gegaan. Zij wilde echter maar één of anderhalf jaar huren.

[R] heeft aangegeven dat het huurcontract wel langer moest worden. Deze is 7 jaar geworden. Daardoor heeft mevr. [X] een huurderkorting van € 70.000 ontvangen. Omdat [R] het wel transparant wilde doen is de verkoop van het pand van [N] BV aan [P] op papier en via de notaris eerst verkocht aan mevr. [X] voor € 1.200.000 en verkoop door mw [X] aan [P] voor € 1.270.000.

Op basis dat mevr. [X] het pand wel wilde huren met een huurcontract voor 7 jaar heeft [R] aan [P] geadviseerd het pand te kopen. Door de langlopende huurcontracten is voor een potentiële koper een hogere prijs te realiseren. Wel heeft [R] aan [D] aangegeven dat mevr. [X] € 70.000 moest ontvangen.”.

2.24

De Inspecteur heeft op 25 maart 2009 gesproken met de heer [D]. In het verslag van dit gesprek staat onder andere hij het volgende heeft verklaard:

“Eerst raadde [R] het aan [D] af om het te kopen omdat er geen geweldig huurcontract op zat, de bovenverdieping stond leeg en aan het pand zat veel onderhoud. Dit was in de periode augustus/september 2008. Daarna kwam [R] met een extra huurder. Mevr. [X] namens [H] BV. Op 29 september 2009 heeft [Q] mevr. [X] in het pand rondgeleid. Met de 2e huurder werd het pand wel interessant voor [D] om te kopen met de bedoeling het pand zo spoedig mogelijk weer door te verkopen.”.

2.25

Belanghebbende heeft een schriftelijke verklaring van de heer [R] van [K] overgelegd met dagtekening 10 februari 2012. Hierin staat onder andere het volgende:

“In tegenstelling tot het gespreksverslag van de Belastingdienst Derdenonderzoek dd 17-02-2009, wil ik opmerken dat mevrouw [X] wel de intentie had om het pand te kopen. Het pand stond immers te koop toen ik het haar aanbood. Toen ik Eigenaar II ( [P] B.V., Hof) vertelde dat mevrouw [X] het pand wel wilde kopen, vroeg hij gelijk of zij het niet wilde doorverkopen. Ik zag Eigenaar II destijds dagelijks. Let wel er zijn nooit onderhandelingen geweest met de eigenaren van het pand (eigenaar I) ([N] B.V., Hof), er was alleen de intentie tot kopen. Ik heb eigenaar II toen verteld dat hij het pand kon overnemen en dat mevrouw [X] € 70.000,-- winst wilde (ik had mevrouw [X] gevraagd of zij hier genoegen mee nam). Eigenaar II vond dat prima omdat hij het pand met de huurovereenkomst van [I] wel als een interessante belegging zag. In die zin werd het dus een ABC-akte, ondanks dat er nog niet onderhandeld was over de koopsom. Eigenaar II heeft daarop de onderhandelingen gevoerd met eigenaar I. De uitkomst van die onderhandelingen waren voor zowel mijzelf als voor mevrouw [X] niet interessant, omdat onze winst (dus ook mijn courtage) al vast stonden. De zaak ligt dus iets genuanceerder dan in het gespreksverslag van de Belastingdienst staat vermeld. Het is jammer dat de belastingdienst het gespreksverslag niet met mij heeft teruggekoppeld.”.

2.26

In een e-mailbericht van 26 mei 2010 schrijft [R] van [K] in het kader van een civiele procedure naar aanleiding van het faillissement van huurder [O] tegen [P] B.V. onder meer:

“Het verweer zal zijn dat [P] geen partij is omdat mevrouw [X] heeft gekocht. Gesteld kan worden dat de onderhandelingen alleen hebben plaatsgevonden met [P]. In de onderhandelingen is mevrouw [X] nooit partij geweest. Mevrouw [X] heeft voor het eerst gesproken met de heren [FF] en [Q] bij de notaris. Indien mevrouw [X] niet had gehuurd, was [P] nooit tot de aankoop overgegaan, omdat de koopsom dan te hoog was geweest t.o.v. het leegstandsriscico en het achterstallig onderhoud. (..) met vriendelijke groet, [R]”.

2.27

Belanghebbende heeft op 11 juni 2010 haar aangifte IB/PVV 2008 ingediend. In deze aangifte is geen voordeel opgenomen uit hoofde van de transactie in de bij 2.22 vermelde notariële akte. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur de volgende correcties aangebracht:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 83.941

Correctie resultaat overige werkzaamheden € 70.000

Lagere persoonsgebonden aftrek + € 768

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 154.709

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of het hiervoor bedoelde door belanghebbende behaalde voordeel ten bedrage van € 70.000 een voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) belaste bate vormt.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de bestreden aanslag tot een geheven naar een belastbaar inkomen uit werk en woning € 83.941.

3.3

De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Tussen partijen is in confesso dat belanghebbende op 17 december 2008 een voordeel van € 70.000 heeft genoten, welk bedrag aan haar is betaald door [P] B.V.

4.2

De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat de bate van € 70.000 bij belanghebbende belast is als resultaat uit overige werkzaamheden, aangezien, naar de Inspecteur stelt, belanghebbende dit voordeel voor zich heeft kunnen bedingen bij het sluiten van de huurovereenkomst tussen de nieuwe koper van het pand, [P] B.V., en [H] B.V., omdat aankoop van het pand zonder deze huurovereenkomst niet rendabel was voor [P] B.V.

4.3

De vaststaande feiten, zoals deze zijn weergegeven onder 2.5 tot en met 2.24, laten, naar het oordeel van het Hof, redelijkerwijs geen andere gevolgtrekking toe dan dat [P] B.V. reeds vanaf 15 september 2008 als koper van het pand in beeld was. Toen makelaar [R] vervolgens in [H] B.V. een extra huurder vond, welke uiteindelijk kon worden meegenomen in een - voor financieringsdoeleinden opgesteld - taxatierapport, heeft de koop van het pand door [P] B.V. formeel zijn beslag gekregen op 20 november 2008 (zie de onderdelen 2.18 tot en met 2.20 hiervoor). De op diezelfde datum - eerder, en derhalve onjuist, gedateerde koopovereenkomst met belanghebbende – ontbeert in het licht van de genoemde feiten en de eensluidende verklaringen van partijen ter zitting van het Hof dat van koop en verkoop door belanghebbende in wezen geen sprake is geweest, naar het oordeel van het Hof, realiteit. Wel staat met deze overeenkomsten, en de verklaringen dienaangaande van belanghebbende ter zitting van het Hof, vast dat belanghebbende aldus heeft willen zekerstellen dat zij het hiervoor bedoelde bedrag van € 70.000 ook daadwerkelijk – door tussenkomst van een notaris – zou ontvangen. De stelling van belanghebbende dat geen sprake was van een van [P] B.V. bedongen voordeel, faalt reeds om die reden.

4.4

Met de door hem overgelegde stukken, heeft de Inspecteur, op wie, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, de bewijslast rust, naar het oordeel van het Hof, omstandigheden aannemelijk gemaakt die het vermoeden wettigen dat het er fiscaalrechtelijk voor moet worden gehouden dat de zogenoemde ABC-constructie uitsluitend is opgezet om belanghebbende een beloning te doen toekomen voor haar rol als hiervoor – onder 4.3 – beschreven. Belanghebbende is er, naar het oordeel van het Hof, niet in geslaagd dit vermoeden te ontzenuwen. Daarbij heeft het Hof tevens acht geslagen op de hiervoor -onder 2.26 opgenomen verklaring van makelaar [R], alsmede op de verklaringen van de getuige [D]. Aan de stelling van belanghebbende dat zij de intentie had om het pand zelf te kopen, hecht het Hof geen geloof, nu daarvoor in de stukken van het geding geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten zijn te vinden. Een beloning als hiervoor – onder 4.2 – bedoeld, is belast als resultaat uit overige werkzaamheid, nu sprake is van een beloning ter zake van het – buiten dienstbetrekking – verrichten van arbeid in het economische verkeer.

4.5

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. De overige standpunten behoeven derhalve geen behandeling meer.

4.6

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. J. Huiskes, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 24 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 juni 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.