Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4552

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
200.151.099
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kernpunt van het geschil is de vraag of Emté aan haar in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht heeft voldaan en al die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat appellante in de uitoefening van haar werkzaamheden als kassière schade leed. Dat appellante tijdens haar werkzaamheden op 31 juli 2011 als gevolg van de overval die toen plaatsvond (psychische) schade heeft geleden, is door Emté niet betwist. Dit betekent dat het aan Emté is om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1236
RAV 2015/97
AR-Updates.nl 2015-0618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.099

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede 435585)

arrest van de derde kamer van 23 juni 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [plaatsnaam] (Bondsrepubliek Duitsland),

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. G.M.H. van Stokkum,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Emté Supermarkten B.V.,

gevestigd te Veghel,

geïntimeerde,

hierna: Emté,

advocaat: mr. E. Pans.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor de procedure in eerste aanleg en het verloop van het geding in hoger beroep wordt verwezen naar het tussenarrest van dit hof van 26 augustus 2014. In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op

15 september 2014. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.2

Bij memorie van grieven heeft [appellante] zes grieven tegen het vonnis van 11 maart 2014 aangevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest zal oordelen dat Emté in strijd met haar wettelijke zorgplicht zoals bedoeld in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en daarmee onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld dan wel tekortgeschoten is in haar verplichtingen en aldus gehouden is tot vergoeding van de schade die [appellante] als gevolg van de roofoverval van 31 juli 2011 heeft geleden en zal lijden, zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede Emté te veroordelen tot betaling aan [appellante] van € 1.500,- als voorschot op de immateriële schade die zij heeft geleden en zal lijden, alles met veroordeling van Emté in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft Emté verweer gevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de grieven van [appellante] als ongegrond en onbewezen zal aanmerken en, al dan niet onder verbetering van de gronden waarop het bestreden vonnis berust, zal overgaan tot bekrachtiging van dat vonnis en afwijzing van de vorderingen van [appellante], met veroordeling van [appellante] in de kosten (bedoeld zal zijn:) van het geding in hoger beroep, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

1.4

Vervolgens heeft Emté de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. [appellante] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen stukken overgelegd. Het hof zal dan ook recht doen op de door Emté overgelegde stukken.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis, met dien verstande dat in plaats van de in rechtsoverweging 2.4 twee keer genoemde datum “30 juli 2010” telkens wordt gelezen

“31 juli 2011”.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat hij op grond van artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat op grond van artikel 8 lid 2 van (bedoeld zal zijn:) de verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) Nederlands recht van toepassing is. Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt die over.

3.2

Kernpunt van het geschil is de vraag of Emté aan haar in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht heeft voldaan en al die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [appellante] in de uitoefening van haar werkzaamheden schade leed. Dat [appellante] tijdens haar werkzaamheden op 31 juli 2011 als gevolg van de overval die toen plaatsvond (psychische) schade heeft geleden, is door Emté niet betwist. Dit betekent dat het aan Emté is om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen. Wel is het zo dat artikel 7:658 BW niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van ongevallen. Emté is dan ook niet aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade, indien komt vast te staan dat voor gevallen als het onderhavige uit het eerste lid van artikel 7:658 BW geen zorgplicht voor de werkgever voortvloeit, dan wel dat een zodanige zorgplicht daaruit wel voortvloeit en Emté aan haar zorgplicht heeft voldaan (Zie onder meer HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:BB4767)

3.3

[appellante] heeft in eerste aanleg onder meer gesteld dat Emté zich, in strijd met het bepaalde in artikel 7:611 BW niet als goed werkgeefster heeft gedragen, door na te laten een ongevallenverzekering ten behoeve van haar personeel af te sluiten, door de door [appellante] geuite spanningsklachten te negeren en onvoldoende nazorg te bieden.

De kantonrechter heeft ook deze stelling van [appellante] verworpen. Hiertegen heeft [appellante] geen grieven gericht, zodat deze stelling in hoger beroep geen rol meer speelt.

3.4

In de grieven I tot en met III komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep van [appellante] op artikel 7:658 BW wordt verworpen en Emté in de nakoming van haar uit de CAO voortvloeiende verplichtingen niet toerekenbaar tekortgeschoten is. Volgens [appellante] heeft Emté nagelaten haar voldoende te instrueren hoe zij moest handelen ingeval van een overval, had Emté moeten zorgen voor een camera/videosysteem en voor een als zodanig herkenbare beveiligingsbeambte bij de ingang van de supermarkt.

3.5

Of, zoals [appellante] stelt en Emté betwist, in het bewuste filiaal aan de medewerkers, onder wie [appellante], geen instructies zijn gegeven over hoe te handelen ingeval van een overval, kan in het midden blijven, nu die instructies, ook als ze niet gegeven zijn, zouden hebben bestaan uit het hanteren van de zogenaamde RAAK-methode, te weten Rustig blijven, Aanvaarden van de situatie, Afgeven van geld en/of waardedocumenten en Kijken. Door Emté is – onbetwist – aangevoerd dat de wijze waarop [appellante] op de overval heeft gereageerd, geheel in overeenstemming was met de RAAK-methode. Nadere instructies zouden hierin geen verandering hebben gebracht en evenmin hebben verhinderd dat de overval heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat geen sprake is van een causaal verband tussen het door [appellante] gestelde onvoldoende instrueren van haar (zo daarvan al sprake is) en de door haar geleden schade.

3.6

Hetzelfde geldt voor het niet aanwezig zijn van een camerasysteem met videoregistratie. [appellante] heeft niet weersproken dat in de supermarkt een zogenaamde dummycamera aanwezig was en dat op de deur van de supermarkt stickers waren aangebracht, waarop stond dat het pand was voorzien van camerabeveiliging. Ondanks de aanwezigheid van de dummycamera en de stickers heeft de dader de overval gepleegd. Gesteld noch gebleken is dat hij ervan op de hoogte was dat de camera niet was aangesloten op een videoregistratiesysteem. Aannemelijk is dan ook dat, ook als dit wel het geval zou zijn geweest, de dader tot het plegen van de overval zou zijn overgegaan. Ook in dit geval ontbreekt het causaal verband met de door [appellante] geleden schade.

3.7

Ten aanzien van het niet aanwezig zijn van een als zodanig herkenbare veiligheidsfunctionaris overweegt het hof dat uit de omstandigheid dat er geen als zodanig herkenbare veiligheidsbeambte aanwezig was, niet volgt dat Emté tekortgeschoten is in haar zorgplicht jegens [appellante]. Zoals Emté terecht aanvoert, zou aanvaarding van deze stelling van [appellante] betekenen dat iedere winkelier, althans iedere supermarkt verplicht is een dergelijke functionaris aan te stellen. Aan een dergelijke aanstelling zijn aanzienlijke kosten verbonden, die in veel gevallen – zeker door kleinere ondernemers – niet gedragen kunnen worden. Een dergelijke verplichting zou wellicht wel aanwezig kunnen zijn, indien het bewuste filiaal al eerder met een overval zou zijn geconfronteerd. Emté heeft echter – onweersproken – aangevoerd dat in het desbetreffende filiaal nog niet eerder een overval had plaatsgevonden. De grieven I tot en met III falen dan ook.

3.8

Ook grief IV is vergeefs voorgedragen. Anders dan [appellante] stelt, kan het werk als kassière in een supermarkt niet worden aangemerkt als een gevaarlijke functie, dan wel als een functie met structureel gevaar en een verhoogd risico op schade als gevolg van een overval. De omstandigheid dat winkelpersoneel de kans loopt met een overval te worden geconfronteerd, doet hieraan niet af. Het door [appellante] genoemde getal van 227 overvallen moet worden afgezet tegen het aantal supermarkten in Nederland dat, zo blijkt uit de openbare site van het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (www.cbl.nl/de-supermarktbranche/feiten-en-cijfers) zo’n 4.300 bedraagt. De vergelijking met werknemer [de werknemer] in de zaak De Rooyse Wissel/[de werknemer] gaat op dit punt dan ook niet op. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verlangd hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij speelt ook een rol de vraag of, gelet op het risico van een overval, mede in aanmerking genomen dat het desbetreffende filiaal nog niet eerder met een overval te maken had gehad, van de werkgever kan worden verlangd dat hij (zeer) kostbare investeringen doet, zoals het permanent aanstellen van geüniformeerde beveiligingsbeambten. Daarnaast heeft Emté terecht de vraag gesteld of, als zij dergelijke functionarissen zou hebben aangesteld, de overval zou zijn voorkomen, gegeven de duidelijk op de ruiten van de supermarkt aangebrachte waarschuwingen dat sprake was van cameratoezicht en het niet betwiste feit dat het op het moment van de overval zeer druk was in de supermarkt. Al met al is het hof van oordeel dat Emté, gegeven de omstandigheden van het geval, heeft voldaan aan haar zorgplicht.

3.9

In grief V klaagt [appellante] over het afwijzen door de kantonrechter van haar beroep op het bepaalde in artikel 6:248 BW. Ook in hoger beroep heeft [appellante] haar stellingen op dit punt slechts zeer summier onderbouwd. Naar het oordeel van het hof verplichtten redelijkheid en billijkheid Emté niet om meer dan de door haar reeds betaalde bedragen te voldoen. De hoogte van het loon en het niet verlengen van het dienstverband per 14 juni 2012 maken dit niet anders. Ook grief V faalt derhalve.

3.10

Grief VI heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft om die reden geen verder bespreking.

3.11

Nu de grieven falen, dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Emté zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 704,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief II)

Totaal € 2.492,-.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede) van 11 maart 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Emté vastgesteld op € 704,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, P.L.R. Wefers Bettink en
W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

23 juni 2015.