Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4493

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
200.168.940-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen. Hulpverlening in vrijwillig kader voldoende gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.168.940/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/166324 / JE RK 14-2179)

beschikking van de familiekamer van 18 juni 2015

inzake

[verzoekster],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.E. Beeker, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming Zwolle,

gevestigd te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 22 januari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 april 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt) opnieuw beslissende het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 mei 2015, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 mei 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.4

Het hof heeft tevens kennisgenomen van een journaalbericht van mr. Beeker van 18 mei 2015.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 29 mei 2015 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en mr. Beeker. Namens de raad is mevrouw [A] verschenen.

Namens de GI waren mevrouw [B] en mevrouw [C] aanwezig. Mr. Beeker heeft het woord gevoerd mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities.

2.6

Na de mondelinge behandeling is binnengekomen een journaalbericht van 15 juni 2015 van mr. Beeker met als bijlage het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 22 januari 2015. Nu mr. Beeker in het journaalbericht van 18 mei 2015 heeft aangegeven dat het proces-verbaal nog niet voorhanden was en dit aan het hof zal worden toegezonden zodra dit is ontvangen en hiertegen geen bezwaar is gemaakt, heeft het hof kennisgenomen van het journaalbericht met bijlage van 15 juni 2015 van mr. Beeker.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder heeft een relatie met de heer [D] (hierna: de vader) gehad. Uit die relatie is [in] 2009 de nog minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]) geboren. [de minderjarige] verblijft bij de moeder. De moeder oefent het gezag over [de minderjarige] alleen uit.

3.2

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 31 december 2014, heeft de raad de rechtbank verzocht [de minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van (het toenmalige) Bureau Jeugdzorg Overijssel, thans de GI.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige] met ingang van 22 januari 2015 tot 22 januari 2016 onder toezicht gesteld van de GI.

4 De motivering van de beslissing

4.1

De eerste grief van de moeder, voor zover daarin is aangevoerd dat het verzoek tot ondertoezichtstelling dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:255 (nieuw) BW, dient naar de advocaat ter zitting aangaf als ingetrokken te worden beschouwd. Derhalve behoeft deze grief in zoverre geen bespreking meer. Het hof begrijpt dat de moeder met deze grief tevens heeft willen aanvoeren dat niet gebleken is dat andere middelen ter afwending van de bedreiging hebben gefaald dan wel zullen falen. In zoverre zal het hof de grief hierna behandelen.

4.2

Het hof is met de raad van oordeel dat er serieuze zorgen ten aanzien van [de minderjarige] bestaan. Als gevolg van dreigende uitspraken van de vader is bij de moeder en bij [de minderjarige] een gevoel van onveiligheid ontstaan. Er zijn zorgen over het sociaal emotioneel functioneren van [de minderjarige] en zijn gedrag. [de minderjarige] is getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en tussen de vader en de halfbroer van [de minderjarige]. Hij is niet, althans onvoldoende, in staat zijn eigen gevoelens te herkennen, te benoemen en te uiten. Ook zijn er zorgen over de pedagogische vaardigheden van de moeder. Doordat de vader het gezag van de moeder ondermijnde in de periode dat hij bij de moeder en [de minderjarige] woonde, lukte het de moeder onvoldoende om jegens [de minderjarige] grenzen te stellen en haar gezag uit te oefenen.

4.3

Om de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] weg te nemen, is Intensieve Orthopedagogische Gezinsondersteuning noodzakelijk zodat [de minderjarige] hetgeen hij heeft meegemaakt kan verwerken en sociaal-emotioneel sterker kan worden alsmede de moeder haar pedagogische vaardigheden kan ontwikkelen. Daarnaast is van belang dat geen enkel contact tussen de vader en [de minderjarige] plaatsvindt totdat door deskundigen is vastgesteld dat dit mogelijk is zonder de veiligheid van [de minderjarige] en zijn ontwikkeling te schaden.

4.4

Het hof stelt voorop dat vanuit de ondertoezichtstelling geen mogelijkheden bestaan om invloed op de vader uit te oefenen teneinde de van hem uitgaande dreiging weg te nemen, nu een ondertoezichtstelling een gezagsbeïnvloedende maatregel is en de vader niet is belast met het gezag over [de minderjarige]. De GI kan enkel invloed uitoefenen op de wijze waarop de moeder met de dreiging vanuit de vader omgaat. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof is van oordeel dat de moeder de dreiging vanuit de vader thans voldoende serieus neemt. De moeder heeft ter zitting verklaard dat er wel degelijk een dreiging vanuit de vader bestaat, maar dat hij zich de afgelopen periode niet meer dreigend heeft geuit. Volgens de moeder is de vader al geruime tijd op de hoogte van haar adres, maar heeft hij geen pogingen gedaan om contact met haar en/of [de minderjarige] te leggen. Tevens heeft zij te kennen gegeven dat eventueel contactherstel in de toekomst niet mogelijk is voordat de vader hulpverlening aanvaardt, ook al zou [de minderjarige] hierop aandringen. Ook ziet zij in dat eventueel contact tussen de vader en [de minderjarige] enkel onder toezicht van een deskundige kan plaatsvinden. Voorts is de moeder van mening dat een veiligheidsplan dient te worden opgesteld. Het hof acht op grond van de stukken en de behandeling ter zitting dan ook aannemelijk dat de moeder de veiligheid van [de minderjarige] en haarzelf voldoende kan inschatten en hulp zal inschakelen indien zich een concrete dreiging voordoet. Naar het oordeel van het hof is de afgelopen periode niet, althans onvoldoende, gebleken dat hulpverlening hieromtrent te langzaam van de grond komt. De raad heeft aangegeven dat de moeder, alvorens zij in november 2014 met [de minderjarige] is ondergedoken, de bedreigingen vanuit de vader in eerste instantie heeft gebagatelliseerd en contact heeft toegestaan tussen de vader en [de minderjarige] ondanks dat zij wist dat het niet goed ging met de vader. Wat hier verder ook van zij, in elk geval heeft de moeder de dreiging vanuit de vader de afgelopen periode wel degelijk voldoende serieus genomen en gaat zij daar nu adequaat mee om.

4.5

Ten aanzien van de overige geconstateerde zorgen is duidelijk dat de moeder deze erkent en hiervoor hulpverlening accepteert. Voor zover de GI heeft gesteld dat de hulpverlening door het optreden of nalaten van de moeder moeizaam tot stand komt, is dat op grond van de stukken en de behandeling ter zitting niet aannemelijk geworden. Het hof betrekt daarbij dat de GI ter zitting heeft verklaard dat volgens het moeder-en-kind-huis de afspraken ten aanzien van hulpverlening niet volledig zijn nagekomen, maar dat het voor de GI onduidelijk is wat de oorzaak daarvan is terwijl de moeder aangeeft dat die oorzaak niet bij haar ligt. Het hof acht de stelling van de moeder aannemelijk omdat ook overigens uit de stukken blijkt dat de moeder openstaat voor hulpverlening en betrokkenheid vanuit verschillende instanties. Tevens neemt het hof in aanmerking dat de moeder zelf hulpverlening heeft aangevraagd bij [E] en [F], zoals zij ter zitting heeft verklaard. Het hof heeft ook anderszins geen aanwijzing dat de hulpverlening in het vrijwillig kader niet of onvoldoende door de moeder wordt geaccepteerd dan wel dat die hulpverlening onvoldoende is gewaarborgd.

4.6

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] rechtvaardigen. Het hof zal dan ook het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling afwijzen.

4.7

Op grond van het voorgaande dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 22 januari 2015;

en opnieuw beslissende:

wijst af het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren [in] 2009.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. H.J. de Ruijter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 juni 2015 in bijzijn van de griffier.