Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4489

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
200.161.316-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Samenleving in de zin van artikel 1:160 BW, draagkracht en inspanningsverplichting alimentatiegerechtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.161.316/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/358762 / FL RK 13-2872)

beschikking van de familiekamer van 16 juni 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.A.C. Nijhof-Top, kantoorhoudend te Zeewolde,

tegen

[verweerster],

wonende te [A],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.E. Dijkstra, kantoorhoudend te Zeewolde.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 16 september 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 11 december 2014;

- het journaalbericht van mr. Nijhof-Top van 27 januari 2015 met bijlagen, ingekomen op 28 januari 2015;

- het verweerschrift, ingekomen op 16 maart 2015;

- het journaalbericht van mr. Dijkstra van 11 mei 2015 met bijlage, ingekomen op 12 mei 2015;

- de brief van mr. Nijhof-Top van 19 mei 2015 met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2015.

2.2

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven bepaalt dat uiterlijk de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog stukken kunnen worden overgelegd. Op stukken die nadien worden overgelegd, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Op 12 mei 2015 is een journaalbericht met bijlage van 11 mei 2015 van mr. Dijkstra binnengekomen ter griffie van het hof. Het hof heeft, ondanks dat het journaalbericht met bijlage te laat is ingediend, kennisgenomen van de inhoud daarvan nu de stukken snel en eenvoudig te doorgronden zijn.

Het hof heeft eveneens kennisgenomen van de brief, met bijlagen, van mr. Nijhof-Top van 19 mei 2015, nu deze stukken ontbrekende producties uit eerste aanleg betreffen en op het verzoek van het hof alsnog zijn toegezonden.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting heeft mr. Nijhof-Top mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 1990 met elkaar gehuwd. Het huwelijk is [in] 2007 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de jong-meerderjarige], geboren [in] 1995 en

- [de minderjarige], geboren [in] 2001.

3.3

Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Amsterdam van 14 november 2007 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is in deze beschikking bepaald dat het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant, dat aan de beschikking is gehecht, deel uitmaakt van de beschikking. In het convenant, door de man en de vrouw ondertekend op 5 oktober 2007, is onder meer het volgende opgenomen:

"Artikel 6 Algemeen

6.1

De man zal met ingang van 1 oktober 2007 tot en met 1 december 2007 aan de vrouw € 438,00 per maand betalen als bijdrage in haar levensonderhoud.

Vanaf 1 januari 2008 zal aan de vrouw worden betaald een bedrag van € 889,00 per maand.

6.3

Deze bijdrage ten behoeve van de vrouw zal jaarlijks te beginnen m.i.v. 1 januari 2008 worden verhoogd volgens de op dat moment geldende wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW.

Artikel 7 Inkomsten vrouw

Indien de vrouw zelfstandig netto meer dan het dan geldende bijstandsniveau voor een alleenstaand ouder (inclusief gemeentelijke toeslagen) aan loon uit arbeid zal gaan verdienen, zullen partijen in goed overleg de hoogte van de partner alimentatie kunnen herzien c.q. verlagen. De vrouw zal de hoogte van haar eigen inkomsten aantonen door overlegging van bewijsstukken aan de man, zoals een recente werkgeversverklaring c.q. jaaropgave.

Artikel 8 Afwijkende regeling ten aanzien van art. 1:160 BW

8.1

Indien de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd of een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de partneralimentatieplicht van de man eerst, nadat die samenleving/partnerschap 1 jaar heeft geduurd. Gedurende deze periode is de man niet alimentatieplichtig. De kinderalimentatie wordt dan wel aangepast naar draagkracht.

8.2

Indien de samenleving/partnerschap van de vrouw binnen de genoemde periode eindigt, wordt de man vanaf het moment van beëindiging weer alimentatieplichtig conform het in artikel 6 bepaalde.

Artikel 9 Beding van niet-wijziging

Behoudens de gronden zoals genoemd in de artikelen 7 en 8 kan de alimentatie niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens het bepaalde in art. 1:159 lid 3 BW."

3.4

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 10 december 2013, heeft de man verzocht de uitkering tot levensonderhoud te wijzigen door die te bepalen op nihil, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. De vrouw heeft zich daartegen verweerd.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 16 september 2014. De grieven zien op 1) de vraag of er sprake is van een samenleving in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW), 2) de draagkracht van de man en 3) de inspanningsverplichting van de vrouw om inkomen te verdienen.

5 De motivering van de beslissing

Grief I (samenleving in de zin van artikel 1:160 BW)

5.1

De man is van mening dat reeds gedurende een groot aantal jaren sprake is van een situatie waarin de vrouw met haar huidige partner, de heer [B], samenleeft als waren zij gehuwd en dat die relatie alle kenmerken draagt van een huwelijksverhouding in zodanige mate dat artikel 1:160 BW van toepassing is. De man heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat er tussen de vrouw en haar partner sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard, dat de partner van de vrouw een aantal vaste dagen in de week bij de vrouw verblijft, dat zij samen de feestdagen en vakanties doorbrengen en dat de partner van de vrouw zich naar instanties presenteert als stiefouder van de kinderen van de vrouw en de man. Voorts is volgens de man van belang dat de vrouw en haar partner samen boodschappen doen en dat de kinderen van de vrouw een eigen kamer hebben in de woning van de partner.

5.2

De vrouw heeft betwist dat zij samenleeft met haar partner als waren zij gehuwd. Haar partner heeft twee kinderen uit een eerdere relatie. Ten aanzien van deze kinderen geldt een co-ouderschapsregeling. De partner van de vrouw verblijft in zijn eigen woning op de momenten dat zijn twee kinderen omgang met hem hebben. Voorts heeft de vrouw betwist dat haar partner een aantal vaste dagen in de week bij haar verblijft, dat zij de vakanties altijd samen doorbrengen en dat haar partner zich als stiefouder van haar kinderen presenteert naar instanties.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. In artikel 8 van het convenant hebben partijen opgenomen dat de partneralimentatieplicht van de man eindigt nadat de samenleving / het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1:160 BW één jaar heeft geduurd.

5.4

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleving van de vrouw met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de vrouw en haar partner een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is onder meer sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen (vgl. HR 13 juli 2001, ECLI:NL:2001:ZC3603; HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961). Voor zover de man heeft aangevoerd - zo begrijpt het hof - dat de rechtbank ten onrechte voormelde uitgangspunten en criteria heeft toegepast en dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de criteria die de rechtbank bij een andere uitspraak heeft toegepast, volgt het hof de man niet in zijn standpunt. Voornoemde uitgangspunten en criteria zijn algemeen aanvaard in de rechtspraak en het hof ziet dan ook geen aanleiding om hiervan af te wijken.

5.5

Het hof is van oordeel dat de rechtbank de door de man in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren op toereikende gronden heeft verworpen, met welke gronden het hof zich verenigt en die het hof - na eigen onderzoek - tot de zijne maakt. Het hof voegt hieraan het volgende toe.

5.6

In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat er tussen de vrouw en haar partner sprake is (geweest) van een duurzame, affectieve relatie. Naar het oordeel van het hof is evenwel onvoldoende gebleken - mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de stellingen van de man door de vrouw - dat ook aan de overige uit artikel 1:160 BW voortvloeiende vereisten is voldaan. De man heeft zijn stellingen dienaangaande onvoldoende met feiten onderbouwd. Voor zover de man in hoger beroep heeft aangevoerd dat de partner van de vrouw voor de kinderen van de man en de vrouw zorgt, overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft deze stelling van de man betwist en - samengevat - gesteld dat haar partner en zij twee verschillende huishoudingen voeren. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat de vrouw en haar partner één huishouding voeren. Verder staat ook in hoger beroep als onweersproken vast dat de vrouw en haar partner ten minste een aanzienlijk deel van de tijd in hun eigen woning verblijven.

5.7

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat niet is gebleken van samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW en/of artikel 8 van het convenant.

Grief II (draagkracht van de man)

5.8

De man stelt zich op het standpunt dat in 2013 een wanverhouding is ontstaan tussen zijn feitelijke draagkracht en hetgeen hij dient te voldoen aan alimentatie. Ten tijde van de totstandkoming van het convenant ontving de man een alleenstaande ouderkorting van € 2.500,-. Thans ontvangt hij geen alleenstaande ouderkorting meer en werkt hij bovendien niet meer in ploegendienst. De man is van mening dat deze omstandigheden ten tijde van het sluiten van het convenant niet konden worden voorzien. Volgens de man dient te worden uitgegaan van de door hem overgelegde jaaropgaven.

5.9

De vrouw vat de stelling van de man aldus op dat de man van mening is dat van zijn inkomen in 2012 dient te worden uitgegaan en niet van zijn huidige inkomen. De vrouw is van mening dat van het huidige inkomen van de man dient te worden uitgegaan en dat dit inkomen aanzienlijk hoger is dan het inkomen dat de man ten tijde van het sluiten van het convenant ontving.

5.10

Het hof overweegt als volgt. In artikel 9 van het echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat de alimentatie, behoudens de gronden zoals genoemd in de artikelen 7 en 8 van het convenant, niet bij rechterlijke uitspraak gewijzigd kan worden op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW.

5.11

Voor een geslaagd beroep op het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW moet volgens vaste rechtspraak sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen, enerzijds, wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en, anderzijds, wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en wel zo dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als, in dit geval, de vrouw de man aan het beding zou houden. Daarbij moet voorts in aanmerking worden genomen wat partijen destijds aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad. Niet alleen moet onderzoek worden gedaan naar de feitelijke financiële omstandigheden van het moment, maar ook naar alle andere relevante omstandigheden.

5.12

In een geval als het onderhavige, waarin in weerwil van een beding zoals bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW wijziging van de overeengekomen partneralimentatie wordt verzocht, worden zware eisen gesteld aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt. De wijziging moet immers in het licht worden gezien van de overeenkomst nu juist een uitdrukkelijk beding is opgenomen dat deze overeenkomst niet op grond van een wijziging van omstandigheden voor wijziging vatbaar is.

5.13

Het hof stelt voorop dat voor de vraag of sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden in het inkomen van de man, het inkomen van de man ten tijde van het overeenkomen van het convenant, derhalve 2007, vergeleken moet worden met het inkomen van de man in 2014, nu de verzochte wijziging ziet op de periode vanaf 4 februari 2014. Het hof ziet geen aanleiding om - zoals de man heeft aangevoerd - uit te gaan van het inkomen van de man in 2012. Ten overvloede merkt het hof in dit verband op dat uit de jaaropgave van de man over het jaar 2012 blijkt dat het inkomen van de man in dat jaar ook reeds (aanzienlijk) hoger was dan in 2007. Bij het sluiten van het convenant is blijkens de overgelegde draagkrachtberekening en ook onbetwist uitgegaan van een bruto inkomen van de man van € 40.712,-. Het hof stelt vast dat de man geen jaaropgave van 2014 heeft overgelegd. Uit de salarisstrook van de man voor de maand november 2014 leidt het hof af dat het jaarinkomen van de man over het jaar 2014 circa € 46.500,- bedroeg. Het hof stelt dan ook met de vrouw vast dat wat er verder ook zij van het verlies aan ploegendiensttoeslagen en anders dan de man heeft aangevoerd, zijn inkomen aanzienlijk hoger ligt dan ten tijde van de alimentatievaststelling. Volgens de vrouw is er dus geen sprake van een wijziging van omstandigheden. De man heeft dit niet, althans onvoldoende betwist. Met betrekking tot de stelling van de man dat hij door het in 2013 van toepassing worden van de Wet uniformering loonbegrip (WUL) ook in zijn inkomen achteruit is gegaan in verband met de nieuwe regeling voor ziektekosten, is het hof van oordeel dat ten aanzien hiervan evenmin is gebleken dat dit tot een wanverhouding als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW heeft geleid.

5.14

Voor zover al aannemelijk is geworden dat bij de berekening van de alimentatie destijds rekening is gehouden met alleenstaande oudertoeslagen, is het hof gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het wegvallen van die toeslagen niet maakt dat sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden.

Grief III (inspanningsverplichting van de vrouw)

5.15

De man heeft gesteld dat van een onderhoudsgerechtigde mag worden verlangd dat hij/zij alles in het werk stelt om in zijn/haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat partijen in het convenant geen inspanningsverplichting hebben opgenomen, is volgens de man niet relevant, nu conform vaste rechtspraak van de vrouw in redelijkheid had mogen worden verwacht dat zij na zeven jaar gescheiden te zijn, inspanningen had verricht om niet langer van de man afhankelijk te zijn. De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij als gevolg van gezondheidsklachten niet in staat is om te werken.

5.16

De vrouw heeft aangevoerd dat partijen in het convenant doelbewust geen inspanningsverplichting voor haar hebben opgenomen in verband met de intensieve zorg voor de kinderen vanwege hun complexe problematiek, alsmede in verband met het feit dat de vrouw de ziekte van Lyme heeft waardoor haar belastbaarheid laag is.

5.17

Het hof is met de man van oordeel dat het uitgangspunt is dat van een onderhoudsgerechtigde mag worden verlangd dat hij/zij alles in het werk stelt om in zijn/haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat het feit dat in het convenant geen inspanningsverplichting voor de vrouw is opgenomen, niet betekent dat de vrouw geen inspanningsverplichting heeft. Echter, ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat partijen bij het sluiten van het convenant hebben afgesproken dat de vrouw de dagelijkse zorg voor de kinderen zou hebben. Vast is komen te staan dat de vrouw de hoofdverzorger was van beide kinderen en dat de vrouw ook nu nog een groot deel van de zorg op zich neemt. Bij beide kinderen is sprake van complexe problematiek ten gevolge waarvan de kinderen, en in elk geval nog [de minderjarige], intensieve zorg behoeven.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij thans als oproepkracht gemiddeld 10-15 uur per week werkt en dat haar arbeidsverleden, mede in verband met de zorg voor de kinderen beperkt is, waardoor het moeilijker is om een baan te vinden. Het hof acht dat aannemelijk. Het hof stelt verder vast dat het huidige inkomen van de vrouw onder het bijstandsniveau is. Tegen die achtergrond en het gegeven dat de vrouw de zorg heeft voor [de minderjarige], heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw haar werkzaamheden zodanig kan uitbreiden dat zij een inkomen kan verdienen boven het bijstandsniveau voor een alleenstaande ouder. Gelet op de tussen partijen gemaakte afspraak, zoals opgenomen in artikel 7 van het convenant, is naar het oordeel van het hof ook in zoverre geen grond voor wijziging van de alimentatie aanwezig.

Ten overvloede merkt het hof op dat de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij de man niet informeert over haar inkomen. Het hof wijst de vrouw in dit verband er op dat zij, ingevolge artikel 7 van het convenant, verplicht is de man te informeren over (de hoogte van) haar inkomen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Derhalve zal het hof, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 16 september 2014;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. W. Foppen en mr. B.J. Voerman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2015 in bijzijn van de griffier.