Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4467

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
21-005773-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1338, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steekpartij in PI Lelystad.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging, inhoudende dat er geen sprake zou zijn van voorwaardelijk opzet op de dood, en komt tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag. Straf: GS 4 jaren. Het hof spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde bedreigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005773-14

Uitspraak d.d.: 25 juni 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2014 met parketnummer 16-659485-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

volgens geregistreerde personalia te zijn geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op
24 augustus 1973,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans verblijvende in PI Rijnmond, HvB De Schie, Rotterdam te Rotterdam.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 februari 2015 en 11 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.050,-, met vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. B.C. Swier, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover de verdachte hoger beroep heeft willen instellen tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, kan hij daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1 primair:
hij op of omstreeks 24 mei 2013 te [plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde partij] (meermalen) met een mes, althans een dergelijk (steek)wapen, in de zij en/of de rug, althans in het (boven)lichaam, heeft gestoken zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

1 subsidiair:
hij op of omstreeks 24 mei 2013 te [plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij] (meermalen) met een mes, althans een dergelijk (steek)wapen, in de zij en/of de rug, althans in het (boven)lichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 24 mei 2013 te [plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij] (meermalen) met een mes, althans een dergelijk (steek)wapen, in de zij en/of de rug, althans in het (boven)lichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3:
hij op of omstreeks 26 mei 2013 in de gemeente [plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer1] (hoofdagent van politie) en/of [slachtoffer2] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] dreigend aangekeken en/of aangewezen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden toegevoegd "Jij gaat dood" en/of "Jullie kinderen gaan dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 3

Het hof acht, gelet op de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat de uitlatingen van verdachte richting de verbalisanten in het onderhavige geval bedreigingen opleveren. Derhalve zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

Bewijsoverwegingen feit 1

Vrijspraak feit 1 primair

Het hof spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu uit het dossier onvoldoende uit wettige en overtuigende bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Voorwaardelijk opzet op de dood

Verdachte heeft bekend dat hij aangever tweemaal met een mes heeft gestoken. De verdediging heeft betoogd dat het bij verdachte heeft ontbroken aan voorwaardelijk opzet op de dood van aangever, gelet waarop verdachte zou moeten worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van aangever [benadeelde partij] – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

In de PI te [plaats] is een conflict ontstaan tussen verdachte en aangever. Verdachte heeft aangever daarbij met een mes onder zijn linkeroksel en in zijn rug gestoken, ten gevolge waarvan – zo blijkt uit de aangever betreffende letselrapportage d.d. 1 juli 2013 – aangever twee dagen in het ziekenhuis heeft moeten doorbrengen. Door een arts is geconstateerd dat deze steekwonden ongeveer 4 centimeter diep waren. Dat het diepe steekwonden betrof wordt eveneens bevestigd door de verklaring van getuige [getuige]. Uit de verklaring van [getuige] volgt dat het mes bij de tweede maal dat verdachte aangever [benadeelde partij] stak, vast in diens rug bleef zitten, hetgeen naar het oordeel van het hof alleen mogelijk is bij een wond van een zekere diepte. Het hof leidt uit het voorgaande voorts af dat het een mes van aanzienlijke scherpte betrof, nu het mes eerst door de kledinglagen die aangever [benadeelde partij] droeg heen gingen om vervolgens het lichaam enkele centimeters binnen te dringen.

Naar algemene ervaringsregels roept het met een mes van aanzienlijke scherpte diep in het bovenlichaam steken van een slachtoffer de aanmerkelijke kans in het leven dat dat slachtoffer daardoor komt te overlijden, nu in dat gebied vitale organen zijn gesitueerd, waarbij met name de longen gevaar liepen te worden geraakt. Nu het algemene ervaringsregels betreft heeft een ieder – en dus ook verdachte – wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het steken door verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van de dood, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.

Op grond van voorgaande wordt geconcludeerd dat verdachte door dit handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever [benadeelde partij] zou komen te overlijden.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de verdediging verworpen en komt het hof tot de navolgende bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:
hij op 24 mei 2013 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij] meermalen met een mes in het bovenlichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 24 mei 2013 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op aangever [benadeelde partij] in de PI te [plaats]. Verdachte heeft aangever tweemaal met een mes in diens bovenlichaam gestoken. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Aangever heeft hierdoor – naast lichamelijk letsel – ook psychische nadelen ondervonden. Uit de toelichting van aangever op diens vordering als benadeelde partij volgt dat aangever last heeft van herbelevingen en onder behandeling is bij een psycholoog.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 juni 2015, waaruit volgt dat verdachte wegens een poging tot doodslag is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar. Uit het onderzoek ter zitting van het hof is gebleken dat de Hoge Raad in die zaak arrest heeft gewezen op 17 december 2013 waarbij de straf met een aantal maanden is bekort. Verdachte zat in voorlopige detentie in die zaak op het moment dat hij heeft getracht aangever om het leven te brengen. Kennelijk heeft die omstandigheid verdachte er niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

Gelet op het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden. Een lichtere strafmodaliteit of een gevangenisstraf van kortere duur, zoals door de raadsman verzocht, komt gelet op de ernst van het feit en overige omstandigheden niet in aanmerking.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.685,95. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 656,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 656,-, bestaande uit € 500,- aan immateriële schade en € 156,- aan materiele schade (te weten, een vergoeding voor de doorgebrachte dagen in het ziekenhuis en voor de 2 T-shirts en schoenen van aangever). Deze kosten zijn door de verdediging niet betwist of weersproken. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, met vergoeding van de wettelijke rente.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, welke – ondanks dat advocatenkosten ten bedrage van € 1929,95 zijn aangevoerd – niet van een onderbouwing doormiddel van een factuur zijn voorzien en daarom tot op heden door het hof worden begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 656,00 (zeshonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 156,00 (honderdzesenvijftig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 656,00 (zeshonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 156,00 (honderdzesenvijftig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. J.A.A.M. van Veen en mr. A. Dijkstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.H. van Krugten, griffier,

en op 25 juni 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.A.A.M. van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.