Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4402

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
200.142.451-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Alimentatiegerechtigde verblijft in een psychiatrische instelling. Behoefte vastgesteld op de werkelijke kosten, verhoogd met de zak- en kleedgeldnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.451/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/144694/FA RK 13-1905)

beschikking van de familiekamer van 11 juni 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.T. Derks-Halman, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A],

geïntimeerde in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.A. van der Kleij, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 6 november 2014 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Derks-Halman van 28 november 2014 met bijlage, ingekomen op 2 december 2014;

- een journaalbericht van mr. Van der Kleij van 31 december 2014, ingekomen op 5 januari 2015.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 6 november 2014, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof zich onvoldoende voorgelicht geacht om een beslissing te kunnen nemen over de (gewijzigde) behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man. Het hof heeft derhalve de vrouw opgedragen stukken - conform hetgeen in die beschikking onder rechtsoverwegingen 7.6, 7.7 en 7.8 is overwogen - over te leggen ter onderbouwing van haar daadwerkelijke lasten/kosten van haar levensonderhoud over de periode vanaf 24 mei 2013, te weten vanaf de datum waarop de vrouw is opgenomen in een psychiatrische instelling. De man is in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de door de vrouw overgelegde stukken.

De vrouw heeft de benodigde stukken bij genoemd journaalbericht van 28 november 2014 overgelegd. Bij genoemd journaalbericht van 31 december 2014 heeft de man hierop een reactie gegeven.

2.3

Het hof overweegt als volgt.

Zoals reeds in de tussenbeschikking van 6 november 2014 vastgesteld bedraagt de aan het huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw minimaal € 1.213,52 per maand. Het hof heeft evenwel in die beschikking overwogen dat de vrouw door de omstandigheid dat zij vanwege haar psychiatrisch ziektebeeld per 24 mei 2013 is opgenomen in een psychiatrische instelling, waarin zij nog steeds verblijft, feitelijk niet in staat is (volledig) te leven op het welstandsniveau dat zij had ten tijde van het huwelijk, zodat een bijdrage ter bekostiging daarvan in ieder geval gedeeltelijk zijn doel mist. Voor het hof geeft het vorenstaande aanleiding om thans bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw aansluiting te zoeken bij haar daadwerkelijke behoefte.

2.4

Het hof zoekt in het onderhavige geval aansluiting bij de Wet Werk en Bijstand (oud, thans per 1 januari 2015 de Participatiewet) en de daarbij geldende bijstandsnormen voor de personen die in een inrichting verblijven en stelt de primaire kosten/de minimale behoefte van de vrouw gedurende haar verblijf in de psychiatrische instelling gelijk aan de in de te beoordelen periode geldende uitkeringsbedragen van artikel 23 WWB, te weten het zogenaamde "zak- en kleedgeld" vermeerderd met de aanvullende uitkering in verband met de premie Zorgverzekeringwet.

In de omstandigheid dat de vrouw pas na haar onderbewindstelling een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, te weten op 23 januari 2014, welke uitkering per 17 januari 2014, de datum waarop de vrouw zich heeft laten registreren bij het UWV, is toegekend, ziet het hof geen aanleiding anders te oordelen.

2.5

Voornoemd zak- en kleedgeld van artikel 23 WWB voor een alleenstaande bedroeg per 1 januari 2013 € 292,94 per maand, inclusief vakantietoeslag, per 1 juli 2013 € 293,29 per maand, inclusief vakantietoeslag, en per 1 januari 2014 € 300,15 per maand, inclusief vakantietoeslag. De aanvullende uitkering in verband met de verschuldigde nominale premie Zorgverzekeringwet, waarop de vrouw aanspraak heeft (kunnen maken) bedroeg per 1 januari 2013 € 35,-- per maand en per 1 januari 2014 € 39,-- per maand.

2.6

Naast voornoemde normbedragen zal het hof bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw rekening houden met de volgende, naar het oordeel van het hof voldoende met stukken onderbouwde, in die zin dan ook onvoldoende weersproken kosten van de vrouw :

- over de periode van 23 mei 2013 tot 31 december 2013 de bijdrage [a-bank] privépakket ad

€ 3,-- per maand;

- met ingang van 1 januari 2014 de premie WA-verzekering ad € 2,33 per maand;

- en met ingang van 28 mei 2014 de door de vrouw te betalen eigen bijdrage Zorg met Verblijf (AWBZ-bijdrage) ad € 395,19 per maand.

2.7

Het hof zal bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw geen rekening houden met de door haar opgevoerde premie ziektekostenverzekering van € 88,22 respectievelijk € 95,90 per maand. Het hof overweegt daartoe dat de door de vrouw te dragen premie volledig gedekt wordt door voornoemde - bij de bepaling van de behoefte reeds meegenomen - aanvullende uitkering premie Zorgverzekeringwet van € 35,-- respectievelijk € 39,-- per maand en de zorgtoeslag waarop de vrouw aanspraak kan maken van € 88,-- per maand in 2013 en van € 72,-- per maand in 2014. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt ook dat de vrouw in 2014 de zorgtoeslag daadwerkelijk uitbetaald heeft gekregen.

Ook zal het hof geen rekening houden met het opgevoerde eigen risico zorgverzekering ad

€ 29,-- respectievelijk € 30,-- per maand. De vrouw heeft - mede gelet op hetgeen de man daartegen heeft aangevoerd - met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2013 en 2014 eigen risico heeft verbruikt /daadwerkelijk enige ziektekosten voor eigen rekening heeft genomen.

2.8

De door de vrouw opgevoerde waskosten ad € 16,75 per maand zal het hof in de behoefte van de vrouw betrekken met ingang van 1 februari 2014. Ook hier geldt dat de vrouw - gelet op het verweer van de man, die stelt dat de vrouw in de periode van 24 mei 2013 tot 4 december 2013 op een GGZ locatie met een intramurale permanente behandeling verbleef, waarbij alle noodzakelijke voorzieningen voor de patiënt zijn inbegrepen - niet genoegzaam heeft aangetoond dat zij vóór februari 2014 enige waskosten voor eigen rekening moest nemen. Daarbij overweegt het hof dat het door de vrouw ter onderbouwing overgelegde 'formulier regeling waskosten [B]' van februari 2014 dateert en dat ook verder de ter zake overgelegde factuur van [B] waskosten februari 2014 betreft.

2.9

Het hof stelt vervolgens vast dat tussen partijen thans niet meer in geschil is dat de door de vrouw eerder opgevoerde (achterstallige) huurlasten (van de woning aan de [a-straat] 22-08 te [C]) niet bij de met ingang van 24 mei 2013 vast te stellen behoefte van de vrouw dienen te worden opgeteld. Uit de door de vrouw bij journaalbericht van 28 november 2014 overgelegde producties blijkt dat de huurwoning van de vrouw op 16 mei 2013 in verband met een huurachterstand is ontruimd. De vrouw heeft dan ook in verband hiermee in het als productie 10 overgelegde overzicht van de kosten van haar levensonderhoud de huurlasten buiten beschouwing gelaten.

Gelet op het vorenstaande zal het hof tevens de door de vrouw over de periode tot 4 december 2013 opgevoerde kosten van nutsvoorzieningen, te weten elektriciteit ad € 50,-- per maand (meer subsidiair: € 29,-- per maand), Vitens ad € 50,-- per maand (meer subsidiair: € 8,-- per maand), en Digitenne ad € 9,-- per maand (meer subsidiair: televisie, internet, telefoon; € 53,-- per maand) buiten beschouwing laten. De vrouw heeft immers van deze voorziening na 16 mei 2013 geen gebruik gemaakt, en deze kosten kunnen niet leiden tot verhoging van haar behoefte. De man heeft ter zake ook terecht opgemerkt dat uit de eindafrekening van de stroomleverancier zal moeten blijken dat het elektriciteitsverbruik door de vrouw na 16 mei 2013 nihil is geweest, hetgeen zou moeten leiden tot een restitutie van teveel betaalde voorschotbedragen. Hij wijst er daarbij op dat uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften blijkt dat de vrouw op 7 augustus 2013 van Vitens een bedrag van € 224,98 terug heeft ontvangen.

De vrouw heeft verder niet gesteld of aangetoond dat gedurende het eerste jaar van haar verblijf op de GGZ locatie [b-straat] van [B] enige kosten van nutsvoorzieningen voor haar rekening kwamen.

2.10

Gelet op het vorengaande stelt het hof de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man

- over de periode van 24 mei 2013 (opname) tot 31 december 2013 op (€ 292,94 respectievelijk € 293,29 + € 35,-- + € 3,-- =) afgerond € 331,-- per maand;

- over de maand januari 2014 op ( € 300,15 + € 39,-- + € 2,33 =) afgerond € 341,50;

- over de periode van 1 februari 2014 tot 27 mei 2014 op ( € 300,15 + € 39,-- + € 2,33 +16,75 =) afgerond € 358,25 per maand;.

- en met ingang van 28 mei 2014 op ( € 300,15 + € 39,-- + € 2,33 +16,75 + 395,19 =) afgerond € 753,50 per maand.

2.11

Na brutering bedraagt de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud

- over de periode van 24 mei 2013 (opname) tot 31 december 2013 € 374,-- per maand;

- over januari 2014 € 393,--;

- over de periode van 1 februari 2014 tot 27 mei 2014 € 420,-- per maand;

- en met ingang van 28 mei 2014 € 1.099,-- per maand.

De draagkracht van de man

2.12

Terecht heeft de man bij schrijven van 31 december 2014 het hof erop gewezen dat er in rechtsoverweging 8.2 van de tussenbeschikking van 6 november 2014 in de omrekening van zijn WW-uitkering bruto per 4 weken naar een maandbedrag een kennelijke rekenfout is gemaakt. Het hof zal dit dan ook corrigeren en stelt het volgende vast:

2.13

De arbeidsovereenkomst tussen [D] N.V. en de man is per 1 september 2013 geëindigd. Daarbij heeft de man een ontslagvergoeding gekregen van € 187.000,-- bruto.

In de periode van 1 september 2013 tot en met 31 december 2013 ontving de man vervolgens geen inkomen. Sinds 1 januari 2014 ontvangt hij een WW-uitkering van € 147,75 bruto per dag (75% van het maximumdagloon) en met ingang van 1 maart 2014 een WW-uitkering van € 137,90 bruto per dag (70% van het maximumdagloon). Deze WW-uitkering is hem toegekend tot 28 februari 2017 en bedraagt per 4 weken € 2.553,80 bruto (exclusief vakantiegeld), ofwel omgerekend per maand € 2.766,62 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) respectievelijk € 2.987,95 inclusief 8% vakantiegeld.

2.14

Naar het oordeel van het hof strekt de door de man ontvangen ontslagvergoeding ertoe het inkomensverlies op te vangen dat hij lijdt in verband met zijn ontslag. Gelet hierop kan er voor de beoordeling van de draagkracht van de man van worden uitgegaan dat zijn draagkracht door zijn ontslag niet is gewijzigd, wat er ook zij van de wijze waarop hij feitelijk de ontslagvergoeding heeft aangewend, dan wel wenst aan te wenden. Het ontslag van de man levert dan ook geen wijziging van omstandigheden op die kan leiden tot het oordeel dat op die grond de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw moet worden gewijzigd. De op te leggen bijdrage wordt evenwel begrensd door de - geduurde haar verblijf in de inrichting - gewijzigde behoefte van de vrouw zoals hiervoor genoemd onder 2.11.

De conclusie

2.15

Op grond van het vorenstaande zal het hof, onder vernietiging van de bestreden beschikking, bepalen dat de man met ingang van 24 mei 2013 tot 31 december 2013 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van
€ 374,-- per maand, over januari 2014 met een bedrag van € 393,--, over de periode van 1 februari 2014 tot 27 mei 2014 met een bedrag van € 420,-- per maand en met ingang van 28 mei 2014 met een bedrag van € 1.099,-- per maand.

3 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 november 2013;

en opnieuw beslissende:

wijzigt de beschikking van 31 januari 2009 van de toenmalige rechtbank Zwolle-Lelystad

en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen over de periode van 24 mei 2013 tot 31 december 2013 € 374,-- per maand, over januari 2014 een bedrag van € 393,--, over de periode van 1 februari 2014 tot 27 mei 2014 een bedrag van € 420,-- per maand en met ingang van 28 mei 2014 een bedrag van € 1.099,-- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. W. Foppen en mr. D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 juni 2015 in het bijzijn van de griffier.