Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4383

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
18-06-2015
Zaaknummer
200.101.403-01 en 200.104.781
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intermediairovereenkomst tussen verzekeringsmaatschappij en vennootschap onder firma als assurantietussenpersoon. Vaststellingsovereenkomst ter zake van door de v.o.f. geclaimd bedrag.

Na ontbinding van de v.o.f. wordt een deel van de activiteiten door een aantal oud-vennoten voortgezet binnen een nieuwe v.o.f. De rekening-courantverhouding met de ontbonden v.o.f. - inclusief het per datum ontbinding door de oude v.o.f. verschuldigde saldo - wordt voortgezet op naam van de nieuwe v.o.f.

Verzekeringsmaatschappij vordert het krachtens de rekeningen-courant verschuldigde saldo van de oud-vennoten van de ontbonden v.o.f. en van de nieuwe v.o.f. en haar vennoten.

Op het door de oud-vennoten verschuldigde saldo strekt het krachtens de vaststellingsovereenkomst - binnen de rekening-courantverhouding met de nieuwe v.o.f geboekte - bedrag in mindering. Ook andere, latere crediteringen binnen de door de nieuwe v.o.f. voortgezette rekening-courantverhouding strekken hierop in mindering, nu dit saldo in deze voortgezette rekening-courantverhouding was opgenomen. Daaraan doet in de verhouding tussen de oud-vennoten en de verzekeringsmaatschappij niet af dat deze crediteringen ten gunste van de nieuwe v.o.f. zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.403/01 en 200.104.781/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 98559 / HA ZA 09-702)

arrest van de eerste kamer van 16 juni 2015

in de zaak met nummer 200.101.403/01 van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [appellant 2],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [appellant 3],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden sub 2, 3 en 4,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten 1],

advocaat: mr. A.J.H. Geense, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

1 Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

2. Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

3. Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Noordwijk,

4. Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: Achmea,

advocaat: mr. J.A. Trimbach, kantoorhoudend te De Meern;

en


in de zaak met nummer 200.104.781/01 van

1 [appellant 4],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 4],
2. [appellant 5],

wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [appellant 5],

3. [appellant 6],

wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [appellant 6],
appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden sub 1, 5 en 6,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten 2],

advocaat: mr. G.J. Wempe, kantoorhoudend te [woonplaats],

tegen

1 Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

2. Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

3. Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Noordwijk,

4. Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: Achmea,

advocaat: mr. J.A. Trimbach, kantoorhoudend te De Meern.

Het hof neemt de inhoud van het arrest in het voegingsincident van 9 oktober 2012 hier over. Krachtens dit arrest worden beide zaken gevoegd behandeld.


In de zaak met nummer 200.101.403/01

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van het geding in hogere beroep blijkt uit:
- een memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel;
- een akte in het principaal appel, memorie van antwoord in het incidenteel appel.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
In de zaak met nummer 200.104.781/01

2 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 7 juli 2010 en 26 oktober 2011 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank)

3 Het geding in hoger beroep

3.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 januari 2012,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met productie,

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

3.2

Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

4 Procespartijen in appel

4.1

Achmea bestrijdt dat het appel - anders dan de memorie van grieven doet lijken - mede is ingesteld door of namens [de vennootschap], zijnde oorspronkelijk gedaagde sub 7.

4.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De vraag welke partij het appel instelt vergt uitleg van het exploot waarmee de desbetreffende instantie wordt ingeleid. Ingevolge art. 3:59 BW zijn de artikelen 3:33 en 3:35 BW op deze uitleg overeenkomstig van toepassing. In verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij moeten echter strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van de formulering van het exploot en meer in het bijzonder aan de omschrijving van de identiteit en de hoedanigheid van degene op wiens verzoek het wordt uitgebracht. Indien het gaat om uitleg van een appelexploot dient de rechter in zijn oordeel mede te betrekken op welke wijze de identiteit en de hoedanigheid van appellant in de door deze in eerste aanleg in het geding gebrachte processtukken is omschreven, hoe de processuele wederpartij daarop heeft gereageerd en welke omschrijving de rechter in eerste aanleg van die hoedanigheid en identiteit in zijn bestreden vonnis(sen) heeft gegeven (vergelijk HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435, NJ 2006, 202).

4.3

In de dagvaarding in hoger beroep wordt [de vennootschap] (de nieuwe v.o.f.) niet als (mede)appellant genoemd, noch wordt daarin vermeld dat [appellant 5] en [appellant 6] mede namens de (nieuwe) v.o.f. optreden. In de aanhef van de memorie van grieven is de (nieuwe) v.o.f. als (mede) appellant toegevoegd, zonder dat hierop enige toelichting is gegeven, bijvoorbeeld hierin bestaande dat het niet noemen van de (nieuwe) v.o.f. in het appelexploot een kennelijke omissie betrof. Ook in de memorie van antwoord in incidenteel appel hebben [appellanten 2] nagelaten om te reageren op de stelling van Achmea dat het appel niet is ingesteld door de (nieuwe) v.o.f. Het hof is van oordeel dat Achmea in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet heeft hoeven te begrijpen dat de (nieuwe) v.o.f. (mede)appellant is. Het hof zal er dan ook - in aansluiting op het door Achmea gestelde - van uitgaan dat het appel niet door of mede namens [de vennootschap] is ingesteld. Hieruit vloeit voort dat [de vennootschap] ook in het incidenteel appel niet als procespartij wordt aangemerkt.
In beide zaken

5 De feiten

5.1

In deze zaak staat - als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende weersproken - het volgende vast.

5.1.1

Achmea heeft met de [de oude vennootschap] (hierna: de (oude) v.o.f.) op 6 augustus 1987 een intermediairovereenkomst gesloten. Hierdoor heeft de v.o.f. de bevoegdheid gekregen om te bemiddelen en te adviseren bij het aangaan van verzekeringsovereenkomsten en hypothecaire geldleningen. De v.o.f. was verantwoordelijk voor de premie-incasso bij de verzekeringnemer. Afgesproken werd dat de v.o.f. voor haar werkzaamheden een afsluitprovisie van Achmea zou ontvangen. In het kader van de intermediairovereenkomst heeft Achmea een aantal rekeningen-courant geopend op naam van de v.o.f., te weten nr. [1], nr. [6], nr. [2], nr. [3], nr. [4] en nr. [5]. Via deze rekeningen-courant verliepen allerlei transacties, zoals de betaalbaarstelling van afsluitprovisie en de afrekening van premies en uitkeringen. Maandelijks heeft Achmea een overzicht van de rekeningen-courant verstrekt, uit welk overzicht kon worden opgemaakt welke partij op dat moment een positief saldo had. Overeengekomen is om het vermelde bedrag vervolgens binnen dertig dagen aan de partij van het gunstige saldo te betalen.

5.1.2

[appellant 4], [appellant 5], [appellant 6], [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] waren tot en met 30 juni 2006 allen vennoten van de v.o.f. De v.o.f. is per 1 juli 2006 ontbonden. Vanaf die datum hebben [appellant 5] en [appellant 6] een groot deel van de activiteiten van de v.o.f. voortgezet binnen een nieuwe v.o.f., genaamd [de vennootschap] (hierna: de nieuwe v.o.f.). De nieuwe v.o.f. heeft de bestaande rekeningen-courant tussen Achmea en de (oude) v.o.f. voortgezet. [appellant 1] heeft samen met een derde een B.V. opgericht, genaamd [appellant 1] B.V. Die B.V. heeft eveneens een deel van de activiteiten van de (oude) v.o.f. voortgezet.

5.1.3

De oude v.o.f. heeft op 11 januari 2006 bij Achmea een schadeclaim ingediend tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de administratieve chaos bij Achmea bij de verwerking van mutaties in de verzekeringsportefeuilles waarvan zij als tussenpersoon optreedt. Deze schadeclaim bevatte de volgende posten:
1. Géén provisie geboekt vanaf periode 12 2004 tot heden € 135.000,-;
2. niet betaalde Bonus Xtensive
2003 € 20.000,-;
2004 € 40.000,-;
2005 € 40.000.-;
3. Gemiste provisie (verkeerd gehanteerde percentages) -voorschot- € 50.000,-;
4. Compensatiebetaling. toegezegd maar nooit ontvangen € 25.000,-;
5. Gemiste inkomsten
contant maken gemiste premie/provisie -voorschot- € 25.000,-
weggelopen klanten -voorschot- € 95.000,-;
rente -voorschot- € 10.000,-;
6. Overige schade € 9.000,-.
kosten recent uitzoekwerk
________________________________________________
Totaal € 449.000,-

Naar aanleiding van deze vordering zijn onderhandelingen gevoerd tussen Achmea en enkele vennoten van de oude v.o.f. De onderhandelingen hebben geleid tot een vaststellingsovereenkomst van 7 februari 2008 tussen Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V. en Achmea Schadeverzekeringen N.V. enerzijds en [appellant 1], [appellant 5] en [appellant 6] - allen tevens handelend namens de inmiddels ontbonden (oude) v.o.f. - anderzijds, die in de overeenkomst verder worden aangeduid met: assurantietussenpersoon.

5.1.4

In de vaststellingsovereenkomst is - onder meer - het volgende opgenomen:

"Nemen in aanmerking:

Dat de assurantietussenpersoon bij haar brief de datum 11 januari 2006 een schadeclaim

heeft ingediend.
Dat partijen dit geschil op de volgende wijze willen schikken:
(…)
Dat na de overname de conversie van Royal Sun Alliance (RSA) naar Avero Achmea stagneerde. Het betreft onder andere pensioenpolissen in combinatie met pre-pensioenregelingen voor predikanten. De onvrede is grotendeels terug te voeren tot 4 hoofdpunten, te weten:
1. Conversie van RSA naar Avero Achmea (conversie is nog niet geheel afgewikkeld);
2. Provisieregeling van Avero Achmea is toegepast terwijl de RSA provisieregeling van kracht zou zijn; Door assurantietussenpersoon niet aangetoond.
3. Bonus provisieregeling met Xtensive is onder druk komen te staan door vele tussentijdse royementen vanwege het ontbreken van premiebetaling;
4. Vele grote pensioenklanten (waaronder Solcon) zijn vanwege administratieve problemen naar derden gegaan. Andere Assurantietussenpersoon of een andere verzekeraar.

Komen het volgende overeen:

Artikel 1

In gezamenlijk overleg is besloten de schadeclaim van € 449.000,- van de assurantietussenpersoon terug te brengen tot een vergoeding van € 323.000,-. Immers dit bedrag is door de assurantietussenpersoon op haar balans ultimo 2004 opgenomen.

Avéro Achmea verplicht zich tegenover de assurantietussenpersoon:

a. a) Avéro Achmea zal de becijferde provisieverschillen in het contract Solcon laten boeken. Dit bedrag komt uit op € 50.617. Dit bedrag zal worden betaald via uw rekening courantnummer [2] schade.

b) Avéro Achmea heeft gedurende 2006 en 2007 de nog openstaande en af te werken mutaties voor onder andere predikanten lijfrente, pensioenpolissen van oud RSA (ca. 100 polissen) in beeld gebracht. Deze posten zijn nagenoeg allen afgewikkeld en is de betreffende provisie uitbetaald met eventuele terugwerkende kracht tot 2004/2005.

Avéro Achmea zegt een garantieplafond toe van maximaal € 75.000. Het meerdere boven dit garantiebedrag zal niet worden teruggevorderd doch komt ten goede aan de assurantietussenpersoon. Inmiddels is uit onderzoek gebleken (zie eerdere specificatie) dat tot juli 2007 een bedrag van ruim € 129.634 is geboekt.

c) Het resterende bedrag, afgerond € 200.000,--, zal ook in de rekening courant nummer [2] schade worden geboekt.

Artikel 3
Assurantietussenpersoon doet terstond na uitvoering van deze overeenkomst uitdrukkelijk afstand van al haar aanspraken jegens verzekeraar onder welke benaming dan ook, en verbindt zich de aansprakelijkstelling van verzekeraar terstond in te trekken en ingetrokken te houden. Het is de assurantietussenpersoon bekend dat na betaling door verzekeraar geen aanspraak meer bestaat uit hoofde van de door de assurantietussenpersoon ingediende claim de datum 11 januari 2006.
Artikel 4

Na uitvoering van deze overeenkomst verklaren partijen - stellig en zonder enig voorbehoud - over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar finale kwijting te verlenen."

5.1.5

De in artikel 1 sub a en c van de vaststellingsovereenkomst genoemde bedragen ad € 50.617,- respectievelijk € 200.000,-zijn - in afwijking van de overeenkomst - geboekt in de rekening-courant met nummer [4].

5.1.6

Achmea heeft voor haar vorderingen conservatoire (derden)beslagen gelegd onder [appellant 4], [appellant 5], [appellant 6] en de nieuwe v.o.f.

6 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg

6.1

Achmea heeft in eerste aanleg - na eisvermindering - gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. [appellant 4], [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] hoofdelijk te veroordelen - des de een betalende de ander zal zijn bevrijd - om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Achmea te voldoen de somma van € 91.766,24 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. [appellant 5], [appellant 6] en de nieuwe v.o.f. hoofdelijk te veroordelen - des de een betalende de ander zal zijn bevrijd - om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Achmea te voldoen de somma van € 296.444,85 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. [appellant 4], [appellant 5], [appellant 6] en de nieuwe v.o.f. te veroordelen in de kosten van de jegens hen getroffen conservatoire maatregelen, de btw over de verschuldigde deurwaarderskosten daaronder begrepen;

4. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, de btw over de verschuldigde deurwaarderskosten daaronder begrepen.

6.2

De vordering van Achmea is gebaseerd op de contractuele verplichting tot aanzuivering van de debetstand van de rekeningen-courant. Per 1 juli 2006 vertoonde de rekening-courant volgens Achmea - met inachtneming van de in april en mei 2008 gedane schikkingsbetalingen ad € 50.617,09, € 44.825,08 en € 200.000,00 - een ongeoorloofde debetstand van € 140.808,47. Hieraan heeft Achmea het volgende overzicht ten grondslag gelegd (productie 1 bij de inleidende dagvaarding):
Rekening-courant [1] : € 1.363,50
Rekening-courant [6] : € 9.630,47
Rekening-courant [2] : € 34.047,61
Rekening-courant [4] : € 374.634,33
Rekening-courant [5] : € 16.574,73
: € 436.250,64
Geschikt bedrag inzake Solcon : : € 50.617,09 (-)
Uit te betalen provisie Predikanten : € 44.825,08 (-)
Rest : € 200.000,00 (-)
: € 140.808,47
De debetstand per 1 juli 2009 bedroeg volgens Achmea een bedrag van € 296.444,85, welk bedrag als volgt is opgebouwd (zie inleidende dagvaarding onder 8):
Rekening-courant [1] : € 1.328,37
Rekening-courant [6] : € 4.272,88
Rekening-courant [2] : € 84.290,31
Rekening-courant [3] : € 4.045,68
Rekening-courant [4] : € 165.958,61
Rekening-courant [5] : € 36.580,54
Bij akte vermindering van eis heeft Achmea haar eis aangepast in die zin dat zij jegens [appellant 4], [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] de debetstand van 30 juni 2006 heeft aangehouden, zijnde een bedrag € 387.208,41, zodat volgens Achmea - na het daarop in mindering brengen van de krachtens de vaststellingsovereenkomst betaalde bedragen ad € 50.617,09, € 44.825,08 en € 200.000,00 - een debetsaldo van € 91.766,24 resteert, welk bedrag als volgt is opgebouwd:
Rekening-courant [1] : € 1.363,50
Rekening-courant [6] : € 9.630,47
Rekening-courant [2] : € 34.047,61
Rekening-courant [4] : € 325.634,33
Rekening-courant [5] : € 16.652,07
: € 387.208,41
Geschikt bedrag inzake Solcon : : € 50.617,09 (-)
Uit te betalen provisie Predikanten : € 44.825,08 (-)
Rest : € 200.000,00 (-)
: € 91.766,24

6.3

De rechtbank heeft [appellant 4], [appellant 5], [appellant 6], [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] hoofdelijk veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Achmea te voldoen de somma van € 64.200,- (€ 387.208,41 minus € 323.000,-, zijnde het bij de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bedrag), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. Daarbij is de rechtbank ter zake van de provisies predikanten uitgegaan van het in de vaststellingsovereenkomst gegarandeerde bedrag ad € 75.000,- en niet van het door Achmea gestelde bedrag ad € 44.825,08.
De rechtbank heeft daarnaast [appellant 5] en [appellant 6] en de nieuwe v.o.f. (gedaagden sub 5 t/m 7) hoofdelijk veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Achmea te voldoen de somma van € 90.561,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. Genoemd bedrag van € 90.561,- betreft het bedrag waarmee [appellant 5] en [appellant 6] en de nieuwe v.o.f. de rekening-courant [4] sinds de ontbinding van de (oude) v.o.f. tot aan de schikkingsbetalingen door Achmea in april en mei 2008 - bewust - hebben laten oplopen (€ 416.075,70 minus € 325.514,76). [appellant 5] en [appellant 6] zijn derhalve in totaal veroordeeld tot betaling van een bedrag in hoofdsom ad € 154.761,- (€ 64.200,- + € 90.561,-) en de nieuwe v.o.f. slechts tot betaling van een bedrag van € 90.561,- in plaats van het door Achmea in totaal van hen gevorderde bedrag van € 296.444,85. De rechtbank heeft, mede in verband met de door [appellant 5] en [appellant 6] en de nieuwe v.o.f. gestelde dubbeltelling, het meer gevorderde als onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar afgewezen, temeer nu Achmea de schikkingsbetalingen ad € 200.000,- en € 50.617,09 in deze rekening-courant heeft geboekt.
De rechtbank heeft alle gedaagden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten ad € 7.297,98. [appellant 4], [appellant 5], [appellant 6] en de nieuwe v.o.f. zijn veroordeeld in de beslagkosten en het griffierecht ad in totaal € 3.559,33.

7 De grieven in de zaak met nummer 200.101.403/01

7.1

Het hof ziet aanleiding om eerst grief 4 in het principaal appel te behandelen.


Het krachtens de rekening-courantverhouding verschuldigde saldo

7.2

Grief 4 houdt in dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op het verweer van [appellanten 1] dat een rekening-courantverhouding dynamisch is en dat de rekeningen-courant met nr. [1], nr. [6], nr. [2], nr. [3], nr. [4] en nr. [5] zijn voortgezet door de nieuwe v.o.f., zonder dat het saldo van deze rekeningen tussentijds is gefixeerd, zodat de vordering zoals die bestond per 30 juni 2006 door latere crediteringen teniet is gegaan.

7.3

Achmea stelt dat het saldo op 30 juni 2006 jegens [appellanten 1] is gefixeerd, omdat op die datum de (oude) v.o.f. is ontbonden. Voorts betoogt Achmea dat de rechtbank in zoverre met het dynamische karakter van de rekening-courantverhouding heeft rekening gehouden doordat zij het krachtens de vaststellingsovereenkomst verschuldigde bedrag ad € 323.000,- in mindering heeft gebracht op het per 30 juni 2006 door alle (oud)vennoten verschuldigde debetsaldo ad € 387.208,41, zodat per saldo een bedrag van € 64.200,- verschuldigd is (rechtsoverweging 2.6 van het bestreden eindvonnis).

7.4

Het hof overweegt als volgt.
De ontbinding van de (oude) v.o.f. heeft tot gevolg gehad dat de contractuele relatie tussen enerzijds de (oude) v.o.f. en haar vennoten en anderzijds Achmea op 30 juni 2006 is geëindigd. Daarmee is tevens op die datum een einde gekomen aan de daaraan gekoppelde rekeningen-courant. De v.o.f. en haar vennoten waren de debetsaldi aan Achmea verschuldigd. Echter, Achmea heeft onder dezelfde rekeningnummers de genoemde rekeningen-courant feitelijk voortgezet met de nieuwe v.o.f., waarbij de bestaande debetsaldi in die rekeningen-courant zijn opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat latere crediteringen, waaronder de schikkingsbetalingen, in die rekeningen-courant tot verrekening van de schuld hebben geleid. [appellanten 1] hebben gesteld dat het bedrag aan crediteringen van
1 juli 2006 tot en met maart 2007 - derhalve in de periode voorafgaand aan de schikkingsbetalingen in april en mei 2008 - in totaal € 173.124,69 bedraagt (antwoordakte in eerste aanleg d.d. 6 oktober 2010 sub 6 en 17). Achmea heeft dit bedrag niet weersproken, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Dit bedrag overtreft ruimschoots het volgens de rechtbank door [appellanten 1] verschuldigde debetsaldo ad € 64.200,- (het totaal aan debetsaldi op 30 juni 2006 ad € 387.208,41 minus de schikkingsbetalingen ad in totaal € 323.000,-), zodat de schuld van [appellanten 1] volledig te niet is gegaan. Dat wordt niet anders door de debetboekingen op de rekeningen-courant die vanaf 1 juli 2006 hebben plaatsgevonden, aangezien het stelsel van doorlopende compensatie meebrengt dat bij de rekening-courantverhouding een toerekening naar anciënniteit plaatsvindt. De genoemde crediteringen strekten dus in mindering op de oudste schulden. Voorts doet hieraan niet af dat de crediteringen bestemd waren voor de nieuwe v.o.f. en haar vennoten [appellant 5] en [appellant 6], aangezien door het tenietgaan van hun schuld zoals die bestond op 30 juni 2006 tevens de schuld van [appellanten 1] zoals die op deze datum bestond teniet is gegaan. Achmea staat buiten de onderlinge afrekening tussen de oud-vennoten.

7.5

Zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van een debetsaldo op 30 juni 2006 van € 91.766,24, zoals Achmea in het incidenteel appel betoogt, is deze schuld tenietgegaan door bovenbedoelde crediteringen ad in totaal € 173.124,69.

7.6

Grief 4 in het principaal appel slaagt derhalve, terwijl grief 1 in het incidenteel appel geen doel treft.

7.7

Dit brengt mee dat de vordering van Achmea jegens [appellanten 1] dient te worden afgewezen. De overige grieven kunnen derhalve bij gebrek aan belang onbesproken blijven.

8 De grieven in het principaal appel in de zaak met nummer 200.104.781/01

8.1

Het hof stelt voorop dat door [appellanten 2] geen grief is aangevoerd die van gelijke strekking is als de door het hof gegrond geoordeelde grief 4 in het principaal appel van [appellanten 1] in de zaak met nummer 200.101.403/01. Dit heeft tot gevolg dat het hof wat hen betreft ten aanzien van de verschuldigdheid van debetsaldi op de rekeningen-courant dient uit te gaan van de beslissing van de rechtbank. Dit brengt mee dat ten aanzien van [appellant 4] niet in geschil is dat hij het per 30 juni 2006 verschuldigde saldo aan Achmea dient te betalen (zie rechtsoverweging 2.10 van het bestreden eindvonnis). Voor [appellant 5] en [appellant 6] betekent dit dat zij bovenop het per 30 juni 2006 verschuldigde saldo een bedrag dienen te betalen ter zake van het vanaf 1 juli 2006 opgelopen saldo (zie rechtsoverweging 2.14 van het bestreden vonnis).

8.2

Grief 1 houdt in dat de rechtbank in 2.6 van het eindvonnis ten onrechte overweegt dat Achmea in het bij akte uitlating overgelegde overzicht genoegzaam de afrekening heeft onderbouwd. [appellanten 2] beroepen zich op de onjuistheid van diverse posten, waar de rechtbank ten onrechte niet op ingaat en die in ieder geval nog in mindering dienen te komen op de vordering van Achmea, aldus [appellanten 2] Hiertoe beroepen [appellanten 2] zich op verrekening. Het gaat om de volgende posten:
- teruggeboekte provisie ad € 1.397,88 die [appellanten 2] nooit ontvangen hebben (betreft polis [polis 1] t.n.v. Solcon);
- ten onrechte gedebiteerde in plaats van gecrediteerde provisie ad € 1.332,56, hetgeen per saldo een verschil van € 2.654,12 oplevert (betreft polisnummer [polis 3]; periode 07/2007);
- ten onrechte niet ontvangen afsluitprovisie ad € 3.500,- (betreft polisnummer [polis 2]; begin 2009).
[appellanten 2] betogen dat de desbetreffende posten geen onderdeel vormden van de schadeclaim d.d. 11 januari 2006, zodat de vaststellingsovereenkomst hier geen betrekking op heeft, nog los ervan dat de genoemde administratieve tekortkomingen deels van na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn. Zij zetten voorts in het algemeen vraagtekens bij de administratie van Achmea en pleiten ervoor dat de juistheid van de administratie wordt geverifieerd door een deskundige.

8.3

Achmea bestrijdt dat haar administratie niet deugt. Ten aanzien van de drie bovengenoemde specifieke posten verwijst Achmea naar de uitleg die zij in productie 11 bij de akte houdende wijziging/vermindering van eis in eerste aanleg heeft gegeven.

8.4

Het hof is van oordeel dat [appellanten 2] onvoldoende concreet hebben onderbouwd dat - naast de administratieve problemen waar de vaststellingsovereenkomst betrekking op heeft - sprake is van zodanige onjuistheden en onvolkomenheden in de administratie van Achmea dat de vordering van Achmea niet op grond van de bij akte uitlating in eerste aanleg overgelegde stukken kan worden beslist. Ten aanzien van de drie concrete posten hadden zij op zijn minst moeten reageren op de hiervoor bedoelde uitleg van Achmea (genoemde productie 11), hetgeen zij hebben nagelaten.

8.5

Grief 1 faalt derhalve.

8.6

Grief 2 houdt in dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat [appellanten 2] hun stellingen met betrekking tot de vordering van € 25.000,- beter hadden moeten onderbouwen. [appellanten 2] betogen het volgende. Het gaat hier niet om het bedrag van € 25.000,- ter vergoeding voor gemiste provisie-inkomsten als onderdeel van hun schadeclaim d.d. 11 januari 2006. Het betreft hier volgens hen een verkeerd geboekte provisiebonus ad € 25.000,- wegens omzetting van pensioenreglementen. Deze boeking diende direct na de bespreking op 2 augustus 2005 te worden voldaan. De verkeerde boeking van het afgesproken bedrag vond volgens [appellanten 2] plaats op 8 augustus 2010 [het hof begrijpt: 9 augustus 2005; zie de antwoordakte van [appellanten 2] d.d. 3 november 2010, pagina 2 en de bijbehorende productie 5]. Ten onrechte is € 25.000,- in rekening-courant belast in plaats van dat de rekening gecrediteerd is, zodat zij per saldo € 50.000,- tekort zijn gedaan, aldus [appellanten 2] Zij verbinden hieraan de conclusie dat de vordering van Achmea (onder meer) met een bedrag van € 50.000,- moet worden verminderd (memorie van grieven onder 7 en 11).

8.7

Achmea stelt dat het door [appellanten 2] geclaimde bedrag ad € 25.000,- ter zake van provisiebonus onderdeel uitmaakte van de bedoelde schadeclaim ad € 449.000,-, te weten:
"4. Compensatiebetaling toegezegd, maar nooit ontvangen € 25.000,-"
Ter zake van (onder meer) deze claim hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, zodat [appellanten 2] ten aanzien van deze post ad € 25.000,- geen (afzonderlijke) claim meer kunnen doen geldend maken, aldus Achmea.

8.8

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Mede als gevolg van de summiere onderbouwing van de door [appellanten 2] gepretendeerde tegenvordering, is niet op eenvoudige wijze vast te stellen of deze tegenvordering al dan niet onder het bereik van de vaststellingsovereenkomst viel. Reeds hierom is de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Het hof passeert dit verweer dan ook op de voet van artikel 6:136 BW.

8.9

Grief 2 faalt derhalve.

8.10

Grief 3 houdt in dat de rechtbank ten onrechte [appellanten 2] enerzijds en [appellanten 1] (appellanten in de zaak met nummer 200.101.403/01) anderzijds over één kam scheert waar het de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst betreft. Het bedrag van € 54.987,97 ter zake van provisies predikanten is ten onrechte geboekt naar de rekening-courant van [appellant 1] BV. Achmea heeft hiermee niet bevrijdend betaald aan [appellant 5] en [appellant 6], aangezien het een gezamenlijke vordering van [appellant 1], [appellant 5] en [appellant 6] betrof, aldus [appellanten 2]

8.11

Achmea betoogt - met een beroep op het besprekingsverslag d.d. 8 november 2007 (productie 3 bij de antwoordakte d.d. 3 november 2010) - dat het reeds vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst aan [appellanten 2] bekend was dat het betreffende bedrag was gestort op de rekening-courant van [appellant 1] BV en dat de vennoten de onderlinge verrekeningen zelf dienden te verrichten. Bedoeld verslag is verzonden aan [appellant 6] en bevat, voor zover thans van belang, de volgende passage:
"Het provisie overzicht waarin de "posten in omloop van de predikanten uit de RSA overvoer" zichtbaar zijn gemaakt, zal ik via mail beschikbaar stellen. Dit overzicht toont aan dat onze garantie (drempel van minimaal € 75.000) ook daadwerkelijk al is overschreden. Per 1 juli 2007 was al ca € 130.000,-- in rekening courant geboekt. Hiervan € 55.000 ten gunste van rekening courant [7] van [appellant 1] BV. Er zijn nog een 10 tal polissen af te werken. Ook deze worden bij AA via [7] afgewerkt."

8.12

Het hof overweegt als volgt.
Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich ter beëindiging of ter voorkoming van een geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken (artikel 7:900 lid 1 BW).
Ter zake van het geschilpunt omtrent de provisies predikanten heeft Achmea zich verbonden tot betaling van een garantiebedrag van € 75.000,-, alsmede tot het niet terugvorderen van meer betaalde provisie. In het licht hiervan hebben de vennoten van de (oude) v.o.f. uit de zinsnede dat Achmea in totaal reeds boekingen had gedaan die dit garantiebedrag ruimschoots overschreden, naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet mogen afleiden dat zij jegens Achmea een zelfstandige aanspraak hadden op betaling van dit meerdere bedrag, temeer nu zij - gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde besprekingsverslag - wisten dan wel redelijkerwijs konden weten dat een bedrag van circa € 55.000, - was gestort op rekening van [appellant 1] B.V. en een tiental polissen op gelijke wijze 'afgewerkt' zullen worden. [appellanten 2] kunnen derhalve thans niet meer aan Achmea tegenwerpen dat zij niet bevrijdend aan hen heeft betaald.

8.13

Grief 3 faalt derhalve.

8.14

Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis naast de voorgaande grieven en behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.

9 De grieven in het incidenteel appel in de zaak met nummer 200.104.781/01

9.1

Grief 1 houdt in dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.14 en onder 3.2 van het dictum ten onrechte heeft overwogen, respectievelijk beslist dat [appellant 5] en [appellant 6] aan Achmea ter zake van de debetstand die is ontstaan na de ontbinding van de vennootschap op 30 juni 2006 (slechts) een bedrag van € 90.561,- dienen te voldoen. Dit bedrag ziet op rekening-courant [4]. Daarnaast is ter zake van de rekeningen-courant [1], [6], [2], [3] en [5] in totaal een bedrag van € 68.824,11 verschuldigd. Naast een bedrag van € 64.200,- dient derhalve een bedrag van € 159.385,11 (€ 90.561,- + € 68.824,11) te worden toegewezen, aldus Achmea.

9.2

[appellant 5] en [appellant 6] betogen dat de rekening-courantstanden die Achmea in haar akte d.d. 9 september 2010 heeft opgevoerd, niet juist zijn. Zij wijzen er in dit verband op dat Achmea heeft aangegeven dat het bedrag van € 54.987,97 ter zake van provisies predikanten in een andere rekening-courant is geboekt - een rekening-courant van [appellant 1] B.V. - omdat uitkering op de rekening-courant [2], zoals overeengekomen, zou inhouden dat op deze rekening een gunstig saldo voor de nieuwe v.o.f. zou zijn ontstaan als gevolg waarvan Achmea gehouden zou zijn om dit uit te keren. Bij een toename van € 68.824,11, zoals Achmea die nu becijfert, zou het bedrag van € 54.987,97 daarmee verrekend kunnen en moeten hebben worden, aldus [appellant 5] en [appellant 6]. Zij betogen dat Achmea hen niet op deze fout kan aanspreken. Bovendien herhalen zij hun verweer dat Achmea het bedrag van € 54.987,79 niet bevrijdend aan hen heeft betaald.

9.3

Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank is als volgt tot haar beslissing gekomen (zie ook onder 6.3). Zij heeft [appellant 5] en [appellant 6] en de nieuwe v.o.f. (gedaagden sub 5 t/m 7) hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 90.561,-, zijnde het bedrag waarmee zij de rekening-courant met nummer [4] sinds de ontbinding van de (oude) v.o.f. tot aan de schikkingsbetalingen door Achmea in april en mei 2008 - bewust - hebben laten oplopen (€ 416.075,70 minus € 325.514,76). Voor het overige heeft de rechtbank de vordering van Achmea jegens gedaagden sub 5 t/m 7 - in verband met de door deze gedaagden gestelde dubbeltelling - als onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar afgewezen, temeer nu Achmea de schikkingsbetalingen ad € 200.000,- en € 50.617,09 in deze rekening-courant heeft geboekt.

9.4

Het hof stelt voorop dat Achmea het door de rechtbank ter zake van rekening-courant met nummer [4] toegewezen bedrag ad € 90.561,- op zich niet bestrijdt, zodat het hof in hoger beroep van dit bedrag heeft uit te gaan.

9.5

Het hof is van oordeel dat Achmea genoegzaam heeft aangetoond dat - daarnaast - de rekeningen-courant [1], [6], [2], [3] en [5] per 1 juli 2009 in totaal een debetstand van € 68.824,11 vertoonden. [appellant 5] en [appellant 6] hebben de desbetreffende saldi onvoldoende gemotiveerd betwist.

9.6

Hun verweer dat genoemd bedrag van € 54.987,79 met de door Achmea berekende toename van de rekeningen-courant van de nieuwe v.o.f. per 1 juli 2009 ad in totaal € 68.824,11 zou moeten worden verrekend, faalt op dezelfde gronden als het verweer van [appellanten 2] dat Achmea het bedrag van € 54.987,79 ter zake van provisies predikanten niet bevrijdend aan hen heeft betaald (zie de door het hof verworpen grief 3 in het principaal appel). Bovendien wordt dit ten dele gecompenseerd doordat de rechtbank ten aanzien van rekening [4] is uitgegaan van een toename ad € 154.761,- in plaats van het door Achmea gestelde debetsaldo per 1 juli 2009 ad € 165.958,61.

9.7

Het hof acht dan ook jegens [appellant 5] en [appellant 6] - náást een bedrag van € 64.200,- in hoofdsom - het door Achema gevorderde bedrag ad € 159.385,11 (€ 90.561,- + € 68.824,11) toewijsbaar.

9.8

Grief 1 in het incidenteel appel slaagt derhalve.

9.9

Grief 2 houdt in dat de rechtbank de wettelijke rente ten onrechte heeft toegewezen vanaf 28 juli 2009, zijnde de dag van dagvaarden. [appellant 5] en [appellant 6] zijn bij brief van 6 april 2009 in gebreke gesteld en gesommeerd om de vordering van Achmea uiterlijk op 10 april 2009 te voldoen. De wettelijke rente is derhalve vanaf 10 april 2009 verschuldigd, aldus Achmea.

9.10

[appellant 5] en [appellant 6] bestrijden dat de brief d.d. 6 april 2009 "aan het incidenteel appel" (lees: de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel) gehecht is.

9.11

Het hof heeft aan de hand van het griffiedossier vastgesteld dat Achmea de des-betreffende brief d.d. 6 april 2009 wel in het geding heeft gebracht. Nu [appellant 5] en [appellant 6] niet hebben betwist dat zij deze brief destijds hebben ontvangen, zijn zij vanaf 10 april 2009 in verzuim geraakt. Het hof zal de wettelijke rente dan ook per die datum toewijzen.

9.12

Grief 2 in het incidenteel appel slaagt derhalve.
Slotsom

In de zaak met nummer 200.101.403/01 ([appellanten 1]/Achmea)

9.13

Het principaal appel slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd voor zover gewezen tussen [appellanten 1] en Achmea. Het hof zal de vordering van Achmea jegens [appellanten 1] afwijzen. Het incidenteel appel faalt.

Het hof zal Achmea als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten 1] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht

1.185,-

totaal verschotten

1.185,-

en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief:

2,5 punten x € 894,-

2.235,-

(tarief IV)


De kosten voor de procedure in het principaal appel aan de zijde van [appellanten 1] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

90,64

- griffierecht

666,-

totaal verschotten

756,64

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 1.631,-
(tarief IV)

1.631,-

De kosten voor de procedure in het incidenteel appel aan de zijde van [appellanten 1] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht

0,00

totaal verschotten

0,00

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

0,5 punt x € 1.631,-

815,50

In de zaak met nummer 200.104.781/01 ([appellanten 2]/Achmea)

9.14

Het principaal appel faalt. Het hof zal Achmea niet-ontvankelijk verklaren in haar incidenteel appel voor zover dit is ingesteld jegens de nieuwe v.o.f. De grieven in het incidenteel appel slagen, zodat het dictum onder 3.2 van het bestreden vonnis moet worden vernietigd voor zover gewezen tussen [appellant 5] en [appellant 6] en Achmea. Het hof zal in zoverre opnieuw rechtdoende [appellant 5] en [appellant 6] hoofdelijk - des de een betalende de ander zal zijn bevrijd - veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Achmea te betalen een bedrag van € 159.385,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2009 tot aan de dag van algehele voldoening.

Het hof zal [appellanten 2] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het principaal appel. Het hof zal [appellant 5] en [appellant 6] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het incidenteel appel.

De kosten voor de procedure in het principaal appel aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht

4.836,-

totaal verschotten

4.836,-

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 1.631,-

1.631,-

De kosten voor de procedure in het incidenteel appel aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

0,00

- griffierecht

0,00

totaal verschotten

0,00

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

0,5 punt x € 1.631,-

815,50

10 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


In de zaak met nummer 200.101.403/01 ([appellanten 1]/Achmea)


In het principaal appel

vernietigt het vonnis van de (voormalige) rechtbank Leeuwarden van 26 oktober 2011 voor zover gewezen tussen [appellanten 1] en Achmea en doet in zoverre opnieuw recht;


wijst de vordering van Achmea jegens [appellanten 1] af;

In het incidenteel appel
verwerpt het beroep;

In het principaal en incidenteel appel
veroordeelt Achmea in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten 1] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 2.235,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.185,- voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het principaal appel vastgesteld op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 756,64 voor verschotten en wat betreft het incidenteel appel op € 815,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten;

In de zaak met nummer 200.104.781/01 ([appellanten 2]/Achmea)


In het principaal appel
verwerpt het beroep;

In het incidenteel appel

verklaart Achmea niet-ontvankelijk in haar appel jegens [de vennootschap] (de nieuwe v.o.f.);

vernietigt het dictum onder 3.2 van het vonnis van de (voormalige) rechtbank Leeuwarden van 26 oktober 2011 voor zover gewezen tussen [appellant 5] en [appellant 6] en Achmea en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant 5] en [appellant 6] hoofdelijk - des de een betalende de ander zal zijn bevrijd - om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Achmea te betalen een bedrag van € 159.385,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2009 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [appellanten 2] in de kosten van het principaal appel, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 4.836,- voor verschotten;

veroordeelt [appellant 5] en [appellant 6] in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 815,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde veroordelingen jegens [appellanten 2] betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. I. Tubben en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
16 juni 2015.