Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4366

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
200.165.082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1384
AR-Updates.nl 2015-0651
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.165.082

(zaaknummer rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem 3634559)

arrest in kort geding van de derde kamer van 16 juni 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam],

appellant,
hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.S. Wurfbain,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Dop Heets Del B.V.,

gevestigd te Raalte,

geïntimeerde,
hierna: DHD B.V.,

advocaat: mr. J.R. Beversluis.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
22 januari 2015 dat de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) tussen [appellant] als eiser en DHD B.V. als gedaagde in kort geding heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 februari 2015 met grieven en producties,

- de schriftelijke conclusie van eis,

- de memorie van antwoord met een productie,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van de procesadvocaten.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het door [appellant] overgelegde procesdossier.

3 De vaststaande feiten

3.1

[appellant] en [de vennoot] (hierna te noemen: [de vennoot]) waren vennoten van VOF Dop Heets Del (hierna te noemen: DHD VOF.).

3.2

DHD VOF exploiteerde een gastaccommodatie voor paardenliefhebbers in een gehuurde bedrijfsruimte aan [het adres] te [plaatsnaam] onder de naam ‘Dop Heets Del’.

3.3

In 2010 zijn [appellant] en [de vennoot] in contact gekomen met [de vennootschap] (hierna te noemen: [de vennootschap]). [appellant] en [de vennoot] hadden de bedrijfsruimte aan [het adres] te [plaatsnaam] zonder financieringsvoorbehoud gekocht, maar kregen de financiering niet rond. Zij dreigden de aanbetaling van € 157.000,- aan een contractuele boete kwijt te raken. [de vennootschap] heeft toen de koop overgenomen en deze bedrijfsruimte op 9 juli 2010 voor een periode van vijf jaren aan DHD VOF verhuurd.

3.4

In dat kader hebben [de vennootschap] en DHD VOF op 9 juli 2010 een overeenkomst gesloten, waarin onder andere het volgende is bepaald ([de vennootschap] is in deze overeenkomst aangeduid als [de vennootschap]):

“(…)
1. Verkoop roerende zaken, lening € 50.000,00

1.1

[de vennootschap] zal, bij het Transport, van [persoon 1] roerende zaken op het Manegecomplex verkrijgen, een en ander conform de koopovereenkomst bij akte d.d. 15 december 2008, partijen genoegzaam bekend (Roerende zaken), voor een bedrag van € 50.000,00.

1.2

Onder opschortende voorwaarde van de uitvoering van het Transport, verkoopt en levert [de vennootschap] – door terbeschikkingstelling van het Managecomplex aan DHD VOF als huurder onder de Huurovereenkomst nieuw - aan DHD VOF de Roerende zaken voor een bedrag van € 50.000,00. (…)
DHD VOF blijft de koopprijs schuldig die omgezet wordt in hierna te noemen lening.

1.3

Onder opschortende voorwaarde van de uitvoering van het Transport, verklaart DHD VOF zich wegens het bepaalde in 1.2. ter zake van lening schuldig aan [de vennootschap] een bedrag van € 50.000,00. (…)


2. Renteloze lening van € 157.000,00

2.1

Onder opschortende voorwaarde van de uitvoering van het Transport verstrekt DHD VOF aan [de vennootschap] per Transportdatum een renteloze lening van € 157.000,00.

Het leenbedrag wordt door [de vennootschap] aangewend voor de aankoop en levering van het Managecomplex van [persoon 1].
[de vennootschap] verklaren zich het bedrag schuldig jegens DHD VOF.

2.2

Het bedrag van de lening is niet opeisbaar, behoudens verrekening en beëindiging zoals hierna aan te geven.

Het bedrag van de lening kan worden verrekend met de te betalen koopprijs bij uitoefening van de koopoptie volgens de Huurovereenkomst nieuw (Koopoptie).

DHD VOF kan de lening door een schriftelijke mededeling met onmiddellijke ingang beëindigen waardoor het uitstaande bedrag van de leensom onmiddellijk volledig opeisbaar worden, zonder dat enige ingebrekestelling vereist is, ingeval:

(a) [de vennootschap] faillissement aanvraagt of in staat van faillissement wordt verklaard, dan wel (voorlopige) surseance van betaling aanvraagt of verkrijgt;

(b) [de vennootschap] een bepaling van deze leenovereenkomst niet nakomt en het verzuim niet herstelt na een schriftelijke sommatie, binnen de daarin gestelde redelijke termijn voor herstel;

(c) [de vennootschap] bij herhaling een bepaling – niet noodzakelijk: dezelfde - van deze leenovereenkomst niet nakomt, ongeacht tijdig herstel van eerdere verzuimen;

(…)

2.4

Behoudens indien zich eerder een verrekening of beëindiging heeft voorgedaan zoals hiervoor bepaald, vervallen de aanspraken van DHD VOF op terugbetaling van de lening indien de Huurovereenkomst nieuw eindigt zonder dat de Koopoptie wordt uitgeoefend.
DHD VOF doet daartoe hierbij onherroepelijk afstand van recht jegens [de vennootschap], onder opschortende voorwaarde dat de huurovereenkomst nieuw eindigt zonder dat de Koopoptie wordt uitgeoefend. (…)”

3.5

In april 2012 hebben partijen de onderlinge samenwerking opnieuw vormgegeven in een overeenkomst van 10 april 2012, waarin onder andere het volgende is bepaald:

De ondergetekenden:

1. [de vennootschap] (…), hierna: [de vennootschap];

2. (…) DOP HEETS DEL V.O.F. (…)

3. (…) DOP HEETS DEL B.V. (…)

4. (…) [de vennoot] (…)

5. (…) [appellant] (…)


Overwegende:

(…)


(c) DHD VOF heeft een achterstand met betaling van Huur (EUR 63.000) en aflossing ter zake van de Lening (EUR 12.000), tot een bedrag van totaal EUR 75.000 per 1 april 2012 (Achterstand) (…)


(d) DHD BV is een 100% dochtermaatschappij van [de vennootschap]. DHD B.V. wil de activa en activiteiten van het Bedrijf DHD overnemen van DHD VOF. Daarna zullen [appellant] en [de vennoot] in loondienst werkzaam worden voor DHD BV, in afwachting van een nadere beslissing van DHD BV over de (exploitatie van) de Onroerende Zaak, eind december 2012;


(e) Partijen willen deze en daarmee samenhangende afspraken schriftelijk vastleggen. Alle afspraken krijgen pas rechtsgevolg als de Closing bedoeld 7.1. is voltooid;

Zijn overeengekomen als volgt

1. Beëindiging Huurovereenkomst

1.1

Partijen bij die overeenkomst, beëindigen de Huurovereenkomst, met werking per 1 april 2012, behoudens voor zover deze overeenkomst anders bepaalt. Partijen stellen vast, dat de achterstand in Huur per 1 april 2012 bedraagt € 63.000,00.

(…)

1.3

De koopoptie in art. 9 Huurovereenkomst blijft bestaan, ten gunste van [appellant] in de mate en onder de voorwaarden zoals nader in deze overeenkomst bepaald (Koopoptie).


2. Verkoop en overdracht activa en activiteiten bedrijf DHD

2.1

DHD VOF verkoopt en levert – met als effectieve datum 1 april 2012 – aan DHD BV:

(i) de activa van DHD VOF (…)

(ii) de activiteiten van het bedrijf DHD (…)

(iii) de overeenkomsten en reserveringen voor verblijfsaccommodatie (…)

2.2

De koopprijs voor de Activa bedraagt € 60.000,00. (…)


3. Afwikkeling en omzetting lening

3.1

Partijen stellen vast dat de verschuldigde hoofdsom van de Lening per 01.04.2012
€ 32.000,00 bedraagt. Na verrekening met de koopprijs voor de Activa conform 2.2. hiervoor resteert van de Achterstand 01.04.2012 € 40.000.

De (resterende) verplichting ingevolge de Achterstand 01.04.2012 en ingevolge de Lening wordt aldus vastgesteld op € 72.000,00 per 1 april 2012 (…)

3.2

Door schuldvernieuwing wordt het onder 3.1. bedoelde bedrag van € 72.000,00 een schuld ingevolge geldlening jegens [de vennootschap] van [appellant] en [de vennoot], ieder voor € 36.000,00 ingaande 1 april 2012.

Op ieder van deze leningsovereenkomsten zijn de volgende voorwaarden van toepassing. (…)

Op de lening wordt afgelost met € 250,00 per maand (…)


4. Arbeidsovereenkomsten [appellant] en [de vennoot]


DHD BV gaat met ieder van [appellant] en [de vennoot] een arbeidsovereenkomst aan voor bepaalde tijd, namelijk tot en met 31 december 2012, een en ander verwoord in bijlage 6 (…)

De arbeidsovereenkomsten worden effectief bij en door de Closing, door ondertekening van de overeenkomsten in bijlage 6.


5. Beslissing omtrent exploitatie bedrijf DHD

5.1

Uiterlijk op 31 december 2012 bepaalt [de vennootschap] aan de hand van de balans en V+W van het Bedrijf DHD per 31 oktober 2012, of een positief resultaat is behaald over de periode 1 april 2012 tot en met 31 oktober 2012. (…)

5.2

Is er een positief resultaat, dan heeft [appellant] het recht om 60% van de geplaatste aandelen in DHD B.V. te kopen (…) tegen nominale waarde.
(…)
Als [appellant] aandeelhouder wordt van DHD BV, zal tussen hem en [de vennootschap] een aandeelhoudersovereenkomst gelden zoals in bijlage 7. Die overeenkomst zal worden getekend bij overdracht van de aandelen. [appellant] zal dan statutair directeur worden van DHD BV, met terugtreding van de bestaande directie.

5.3

Is er geen positief resultaat, dan eindigt de samenwerking tussen [de vennootschap]/DHD BV enerzijds en [appellant] en [de vennoot] anderzijds per 31 december 2012.

De arbeidsovereenkomsten worden dan sowieso niet verlengd en lopen van rechtswijze af op 31 december 2012.
Tevens vervalt dan de Koopoptie en daarmee vervalt ook ieder recht op terugbetaling van de Renteloze Lening, alles per 31 december 2012.

6. Koopoptie en Renteloze Lening

6.1

De Koopoptie zal na Closing alleen luiden ten gunste van [appellant] (…).

Bij uitoefening van de Koopoptie, heeft [appellant] aanspraak op verrekening van de Renteloze Lening. (…)


7. Varia

7.1

Als Closing geldt het moment waarop deze overeenkomst en de overeenkomsten genoemd in 4 allemaal zijn getekend. Voor zover dit later is dan 1 april 2012, werken de afspraken terug naar 1 april 2012.
(…)”

3.6

In de tussen DHD B.V. en [appellant] op 10 april 2012 gesloten arbeidsovereenkomst is onder andere het volgende bepaald:
“(…)
1. Aanvang, looptijd
Deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, te weten tot en met 31.12.2012, ingaande 1 april 2012.
Indien de werkzaamheden na het verstrijken van de bepaalde tijd waarvoor de overeenkomst werd aangegaan of verlengd, stilzwijgend worden voortgezet, wordt de overeenkomst geacht te zijn verlengd voor een zelfde looptijd onder dezelfde voorwaarden als golden voor de verstreken periode.

(…)

3 Functie
3.1 Werknemer zal krachtens deze overeenkomst werkzaam zijn als bedrijfsleider.
(…)

4 Salaris, vakantietoeslag, variabele beloning

4.1

Het vaste salaris is het minimumloon zoals dat van tijd tot tijd geldt voor een persoon met de leeftijd van werknemer, op datum van ondertekening voor een voltijds dienstverband € 1.446,60 bruto per maand.

Werknemer heeft recht op vakantietoeslag ad 8% over het bruto jaarsalaris.
(…)

6 Beëindiging, opzegging

6.1

De overeenkomst voor bepaalde tijd alsmede de eventuele verlengde overeenkomst voor bepaalde tijd eindigen van rechtswege na het verstrijken van de bepaalde tijd waarvoor de overeenkomst werd aangegaan, zonder dat voorafgaande opzegging vereist is.
(…)”
3.7 Op enig moment hebben partijen afgesproken maandelijks het netto-equivalent van het volledige brutosalaris van [appellant] op de geldlening zoals bedoeld in 3.2. van de overeenkomst van 10 juli 2012 in mindering te laten strekken.

3.8

Na 31 december 2012 is het dienstverband tussen partijen voortgezet.

3.9

In september 2013 is [appellant] ziek geworden. Hij is op 17 november 2013 in het ziekenhuis opgenomen.

3.10

In een e-mail van 21 november 2013 van [persoon 2] aan [persoon 3] is onder andere het volgende vermeld:
“(…)
Ik stel voor dat we begin december weer contact hebben en dan een afspraak inplannen (bij voorkeur met [naam], maar als dat niet lukt toch maar zonder).
(…)”

3.11

In een e-mail van 13 december 2013 van [persoon 3] aan [persoon 2] is onder andere het volgende vermeld:
“(…)
Hoe is het ermee. Ik begreep van [naam] dat [naam] wat taken over gaat nemen van [naam]. Hier is vanochtend een afspraak voor gemaakt op maandag 23 december om 11.00 uur.
(…)
Hopelijk kan [naam] er bij zijn, maar kan dat nu nog moeilijk inschatten.
(…)”

3.12

Door de aflossingen op de geldlening zoals bedoeld in 3.2. van de overeenkomst van 10 juli 2012 was het resterende saldo op de geldlening eind 2013 € 11.541,-.

Vanaf januari 2014 hebben geen aflossingen meer op de geldlening plaatsgevonden.

3.13

In een e-mail van 7 februari 2014 van [naam] [persoon 4] namens DHD B.V. aan [de vennoot] is onder andere het volgende vermeld:
“(…)
Onderwerp: vakantie [naam]
(…)

ik zou je doorgeven welke vakantiedagen ik in de planning heb.

Zomer geef ik ook alvast omdat nog niet bekend is of [naam] dan terug is.

(…)”
3.14 Op 20 maart 2014 heeft [persoon 2] onder meer het volgende aan [appellant] gemaild:

“(…)
Hierbij wil ik je informeren over de in de aanhef vermelde schuldposities, zoals vorige week door jou gevraagd.

Dop Heets Del VOF heeft een schuld aan Dop Heets Del BV per 31 december 2012 van EUR 30.209 (conform jaarrekening 2012). Deze schuld is hoofdzakelijk ontstaan door ontvangsten vanaf 1 april 2012 door Dop Heets Del VOF, die in feite ten gunste moesten komen aan Dop Heets Del B.V. Daartegenover zijn ook door de VOF kosten betaald ten behoeve van Dop B.V.. (…) Verder is er tot 31 maart 2012 aanzienlijk meer vooruitontvangen dan was afgesproken. Derhalve is de totale positie uitgekomen op EUR 30.209. In 2013 zijn hier geen mutaties meer op geweest. Er dient alleen nog rente over berekend te worden.

Met betrekking tot 2013 heb ik je reeds eerder een overzicht verstrekt van door [appellant]/[naam] (hof: bedoeld is [appellant]) aan Dop Heets del B.V. te betalen bedragen (zie bijlage).
(…)

Naast bovenstaande schuldpositie is er ook nog een schuld van [naam] en jou (ieder afzonderlijk) aan [de vennootschap], maar voor jou loopt die schuld nagenoeg op nul, zoals ik dat nu kan inschatten.

Ik hoop dat je een en ander kunt oplossen en ben uiteraard graag bereid om mee te denken. (…)”

3.15

In april 2014 hebben gesprekken tussen partijen plaatsgevonden, in ieder geval op
14 april 2014.

3.16

In een e-mail van 15 april 2014 van [appellant] aan [persoon 2] en de heer [persoon 4] (hierna: [persoon 4]) is onder andere het volgende vermeld:
“(…)
Naar aanleiding van het gesprek van gisteren stuur ik toch nog maar even de offerte van het schilderwerk toe (zie bijlage).

Daarnaast heb ik gisteren (…) nog even gesproken en hij adviseerde mij om bij verkoop van Dop Heets Del (...) te benaderen (…). Deze makelaar is gespecialiseerd in de verkoop van Hippisch onroerend goed door het gehele land en ze hebben hierin veel contacten.(…) Misschien kunnen jullie hier wat mee.

(…)”
3.17 In een e-mail van 12 september 2014 van [appellant] aan [persoon 2] is onder andere het volgende vermeld:
“(…)
[naam](…) is bezig met mijn IB aangifte 2013. Hiervoor heeft zij mijn jaaropgave van Dop Heets Del B.V. over 2013 nodig. Deze heb ik nog niet mogen ontvangen. Kun jij me die sturen/mailen?
(…)”

3.18

In een e-mail van 23 september 2014 van [appellant] aan [persoon 2] is onder andere het volgende vermeld:
“(…)
Ik had op onderstaande mail nog geen reactie mogen ontvangen. Wellicht via mijn oude mail maar die is niet meer in werking.
(…)”

3.19

In een e-mail van 25 september 2014 (14:19 uur) van [appellant] aan [persoon 2] en [persoon 4] is onder andere het volgende vermeld:

“(…)
Op maandag 14 april j.l. hebben wij elkaar voor het laatst mondeling gesproken bij mij thuis. Tijdens dit gesprek bespraken wij de situatie m.b.t. mijn ziekte en jullie bedoelingen m.b.t. Dop Heets Del. De uitslag van de scan in maart gaf aan dat de kanker waarschijnlijk niet weg was. Verdere behandeling was ook dan niet meer mogelijk. (…) Ik was in ieder geval volledig arbeidsongeschikt.

Met bovenstaande in gedachten gaven jullie aan de bestaande overeenkomsten m.b.t. Dop Heets Del met [naam] en mij te willen beeindigen en Dop Heets Del te willen verkopen. Hierbij gaven jullie aan dat jullie mijn lopende schuldovereenkomst (stand op dat moment) ter finale kwijting wilde regelen/overeenkomen met een beeindiging van mijn lopende vaste dienstverband bij jullie. Ik gaf aan hiervoor open te staan maar dat er dan nog wel gesproken diende te worden over onze leningsovereenkomst m.b.t. € 157.000.= aan [persoon 4] en [persoon 2]. Ook over de stand m.b.t. lening en verrekening salarissen was nog geen goed overzicht. (…) Mijns inziens was de waarde van Dop Heets Del ook niet afgenomen maar gegroeid. Daarbij heb ik aangegeven dat in overleg een goede verkoop dan maar moest worden overwogen. Als advies heb ik o.a. meegegeven contact te zoeken met gespecialiseerde makelaars (…) en ook het gebouw verkoop klaar te maken. Schilderen was immers een kleine investering en zou veel goed doen bij verkoop van het geheel.
(…)

Het gesprek werd afgesloten met de afspraak dat jullie e.e.a. ook zouden overleggen met [naam] (hof: bedoeld is [de vennoot]). Ook verdere acties zouden door jullie gezet worden. Na bovenstaande heb ik niets meer van jullie vernomen. Ik heb geen voorstel overzicht/afrekening m.bt. overeenkomst lening en finale kwijting van mijn vast dienstverband van jullie ontvangen. Ik stel hierbij vast dat ik tot op heden nog volledig bij jullie in dienst [naam] maar derhalve volledige arbeidsongeschikt.
(…)

Van [naam] heb ik begrepen dat jullie ook met hem een gesprek zijn aangegaan. Echter geeft hij naar mij aan dat jullie in dit gesprek aan hebben gegeven de volledige schuld met betrekking tot onze lening (dus ook mijn deel) op hem willen verhalen. Inmiddels hebben jullie daar actie op genomen en voeren jullie bij hem de druk op. Ook trachten jullie, onder deze druk, uit te komen van zijn dienstverband en verdere overeenkomsten met jullie. Dit alles tegen de afspraken in van ons gesprek op 14 april j.l..
(…)

Middels deze mail wil ik jullie verzoeken mij, binnen 10 werkdagen , een schriftelijk voorstel te doen m.b.t. de verrekening schuld/verrekening einde dienstverband in wederzijds overleg ter finale kwijting. Dit zoals besproken op 14 april j.l. Het is voor mij/ons een optie om de situatie m.b.t. [naam] hierin mee te nemen. Hiernaast verzoek ik jullie tevens mij schriftelijk inzicht te geven in de situatie m.b.t. verkoop Dop Heets Del. Daarnaast ook inzicht in de administratie boekjaren 2012 en 2013 zoals overeengekomen. Nu (deel)verkoop heeft plaatsgevonden en er waarschijnlijk door jullie een goede opbrengst is eisen wij het door ons geleende bedrag van € 157.000= volledig per heden op. Dit alles in de lijn van ons gesprek op 14 april j.l..
(…)”

3.20

In een e-mail van 25 september 2014 (16:02 uur) van [persoon 2] aan [appellant] is onder andere het volgende vermeld:

“Hallo [naam],

Slechts verbazing!


Jullie hebben een overeenkomst getekend, waarbij bij positieve resultaten jullie het recht hadden een belang in de B.V. te nemen.


Zowel in 2012 als ook in 2013 en naar verwachting ook 2014 worden er verliezen geleden. Dit is nog los van een voorziening die we moeten treffen met betrekking tot ten onrechte door jou ontvangen en gefactureerde bedragen. Ook is dit nog los van voorziening op leningen [naam] en [naam] en VOF.


Het pand is niet verkocht en de aandelen Dop Heets Del B.V. zijn nog voor 100% van [de vennootschap] Wel hebben [naam] (hof: bedoeld is [persoon 4]) en [naam] (hof: de broer van [persoon 4]) een optie tot koop van de aandelen (incl. pand). Ook dit levert [de vennootschap] wederom een fors boekverlies op.


Er is geen reden om en ook geen verplichting van [de vennootschap] tot aflossing van de lening van EUR 157.000.


Beste [naam]. Het is de wereld op zijn kop.


Ik [naam] bereid om op korte termijn nog een afspraak te maken en om te bezien of we juridische maatregelen over en weer kunnen voorkomen.
(…)”

3.21

In een e-mail van 26 september 2014 (10:57 uur) van [appellant] aan [persoon 2] is onder andere het volgende vermeld:
“(…)
Bedankt voor de nu snelle reactie. Zou ik ook nog een reactie mogen ontvangen op mijn mails van vrijdag 12 september en dinsdag 23 september j.l.?
Ook ik lees nu met verbazing jou mail. Inderdaad goed om op korte termijn een afspraak te plannen.
(…)”

3.22

In een e-mail van 26 september 2014 (11:30 uur) van [persoon 2] aan [appellant] is onder andere het volgende vermeld:
“(…)
Ik moet overleggen met [naam]. (…)

Wat mij betreft dient de overeenkomst waarin de overname van de activiteiten door Dop Heets Del B.V. per 1 april 2012 is geregeld als uitgangspunt voor de bespreking.

Ik zal verder de jaarrekeningen 2013 meenemen, waarin ook de cijfers van 2012 zijn opgenomen.

Tevens neem ik dan een overzicht van de schuldposities mee.

Tenslotte verzoek ik jullie na te denken over een oplossing (…)

Blijkbaar hebben jullie het nu uitgevonden: EUR 157.000 opeisen!
(…)”

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, na vermindering van eis, gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, DHD B.V. zal veroordelen om aan hem te betalen:

a. het salaris van € 1.477,80 bruto per maand vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

b. het vakantiegeld over het jaar 2013/2014;

c. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de sub a) en b) genoemde bedragen;

d. de wettelijke rente over de sub a) tot en met c) genoemde bedragen;

e. de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

4.3

[appellant] heeft tegen het bestreden vonnis (met Romeinse cijfers aangeduid) acht grieven aangevoerd. Aangezien het hof in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.22 zelf de feiten heeft vastgesteld, behoeven de grieven I en II niet meer te worden besproken.

4.4

[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de arbeidsovereenkomst drie keer voor dezelfde duur (negen maanden) stilzwijgend is verlengd, namelijk op 1 januari 2013, op 1 oktober 2013 en op 1 juli 2014, waardoor met ingang van die laatste datum op grond van artikel 7:668a lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Aangezien DHD B.V. vanaf 1 januari 2014 geen salaris c.a aan hem heeft betaald en hij arbeidsongeschikt is, dient DHD B.V., op grond van artikel 7:629 BW, vanaf 1 januari 2014 het salaris c.a aan hem te betalen.

4.5

DHD B.V. heeft de vorderingen en de hiervoor omschreven stellingen van [appellant] gemotiveerd bestreden. Zij heeft primair aangevoerd dat eind 2012 (een) gesprek(ken) tussen haar en [appellant] heeft/hebben plaatsgevonden waarbij de arbeidsovereenkomst met één jaar is verlengd, tot eind 2013. Vervolgens is in gesprekken eind 2013, waarvan er één op
29 oktober 2013 heeft plaatsgevonden, de balans opgemaakt en heeft DHD B.V. te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen per 31 december 2013 en niet zou worden verlengd. Subsidiair heeft DHD B.V. aangevoerd dat voor het geval de arbeidsovereenkomst na 31 december 2012 (nog twee keer) stilzwijgend zou zijn verlengd, de

arbeidsovereenkomst in ieder geval per 1 juli 2014 is geëindigd.

4.6

[appellant] heeft gemotiveerd betwist dat het/de in rechtsoverweging 4.5 vermelde gesprek(ken) met de door DHD B.V. gestelde inhoud heeft/hebben plaatsgevonden. Volgens [appellant] hebben partijen elkaar na medio november 2013 voor het eerst gesproken op 14 april 2014. Tijdens dat gesprek hebben [persoon 2] en [persoon 4] aan [appellant] laten weten dat zij de samenwerking met [appellant] wilden beëindigen (pleitnota [appellant] eerste aanleg punt 5).

4.7

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft.

4.8

Anders dan DHD B.V. heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat [appellant] een voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorzieningen. Het betreft hier een vordering tot betaling van loon c.a., waarmee in de praktijk door middel van een tussen partijen overeengekomen maandelijkse “verrekening” het openstaande saldo van de geldlening zoals vermeld onder 3.2 van de overeenkomst van 10 juli 2012 wordt afgelost.

4.9

Het hof verwerpt het verweer van DHD B.V. dat artikel 6:248 lid 2 BW zich ertegen verzet dat [appellant] materieelrechtelijk en bewijsrechtelijk een beroep kan doen op alle “voordelen” die het arbeidsrecht hem biedt en met name de bescherming van de werknemer die in het arbeidsrecht voorop staat. DHD B.V. heeft ter gelegenheid van de pleidooien bij het hof verklaard dat zij zich niet erop wenst te beroepen dat partijen geen arbeidsovereenkomst hebben gesloten, maar dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst een bijzonder karakter heeft. Met betrekking tot het door haar gestelde bijzondere karakter van deze arbeidsovereenkomst heeft zij onder 3 van haar pleitnota verwezen naar vijf omstandigheden (a tot en met e). Het hof is voorlopig van oordeel dat deze omstandigheden hooguit een zekere inkleuring (kunnen) geven aan de rechtsverhouding tussen partijen. De formulering in artikel 6:248 lid 2 BW “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” brengt echter tot uitdrukking dat de rechter bij de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW de nodige terughoudend dient te betrachten. De door DHD B.V. aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om de zware toets van artikel 6:248 lid 2 BW te kunnen doorstaan. Doorslaggevend is dát partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten, hetgeen meebrengt dat alle ter zake relevante wettelijke bepalingen onverkort van toepassing zijn.

4.10

In het vóór 1 januari 2015 geldende artikel 7:668 lid 1 BW is bepaald dat indien de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel 7:667 lid 1 BW, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, zij geacht wordt voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6755, komt het voor de toepassing van artikel 7:668 lid 1 BW erop aan of de werknemer op grond van gedragingen van de werkgever heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na afloop van de tijd waarvoor deze was aangegaan stilzwijgend werd voortgezet.
4.11 Tussen partijen staat vast dat de (eerste) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die gold voor de periode 1 april 2012 tot en met 31 december 2012, na 31 december 2012 is voortgezet. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.5 is overwogen, heeft DHD B.V. zich erop beroepen dat er eind 2012 (een) gesprek(ken) heeft/hebben plaatsgevonden, waarin de arbeidsovereenkomst met een jaar is verlengd. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.6 is overwogen, heeft [appellant] gemotiveerd betwist dat eind 2012 het/de in rechtsoverweging
4.5 vermelde gesprek(ken) met de door DHD B.V. gestelde inhoud heeft/hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze betwisting heeft DHD B.V., hetgeen wel op haar weg had gelegen, niet nader onderbouwd omstreeks welke datum/data genoemd(e) gesprek(ken) dan wel heeft/hebben plaatsgevonden en evenmin op welke wijze in dit/deze gesprek/ken de duur van de verlenging van de arbeidsovereenkomst aan de orde is geweest. Uit de eigen stellingen van DHD B.V. kan worden afgeleid dat er kennelijk eind 2012 noch sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 5.2 van de eerdergenoemde overeenkomst van 10 juli 2012 ([appellant] zou bij een positief resultaat kunnen deelnemen als aandeelhouder in DHD B.V. en zou statutair directeur worden), noch van een situatie zoals bedoeld in artikel 5.3 van deze overeenkomst (bij een negatief resultaat zou de samenwerking tussen partijen eindigen en zou de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigen en niet verlengd worden), aangezien partijen geen uitvoering hebben gegeven aan deze afspraken. Mede gelet op die omstandigheden faalt het beroep van DHD B.V. op de door haar gestelde “aannemelijkheid” van de - het hof begrijpt - automatische koppeling tussen de voortzetting van de commerciële samenwerking die betrekking had op de exploitatie van DHD B.V. (volgens DHD B.V. voor een jaar, hetgeen [appellant] gemotiveerd heeft betwist) en de verlenging van de arbeidsovereenkomst voor diezelfde duur. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat partijen een aparte overeenkomst die betrekking had op hun commerciële samenwerking en een aparte arbeidsovereenkomst hebben gesloten.

4.12

Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, heeft [appellant] dan ook mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na
31 december 2012 stilzwijgend, voor dezelfde tijd, te weten voor negen maanden, is voortgezet, dus tot 1 oktober 2013.

4.13

Met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2013 heeft DHD B.V. aangevoerd dat zij omstreeks 29 oktober 2013 in een gesprek met [appellant] heeft meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst na 31 december 2013 niet met hem wilde voortzetten. Nog daargelaten dat [appellant] gemotiveerd heeft betwist dat rond die datum een gesprek tussen hem en DHD B.V. met de door DHD B.V. gestelde inhoud heeft plaatsgevonden zodat het hof dit vooralsnog niet als vaststaand kan aannemen, zou die mededeling er niet toe hebben kunnen leiden dat de arbeidsovereenkomst op 31 december 2013 zou zijn geëindigd. Ook in de visie van DHD B.V. was er omstreeks 29 oktober 2013 (nog) sprake van een arbeidsovereenkomst. Met verwijzing naar hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen
4.11 en 4.12 is overwogen met betrekking tot de stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst in de periode 1 januari 2013 tot 1 oktober 2013, betekent dit naar het voorlopig oordeel van het hof dat op 1 oktober 2013, bij gebreke van tegenspraak, de arbeidsovereenkomst tussen partijen stilzwijgend is verlengd voor dezelfde tijd (negen maanden), dus tot 1 juli 2014. De grieven III en IV slagen. Grief V behoeft niet te worden behandeld.

4.14

Het hof is voorlopig van oordeel dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsovereenkomst na 1 juli 2014 stilzwijgend is verlengd, waardoor deze van rechtswege is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [appellant] was sinds (in ieder geval) 17 november 2013 volledig arbeidsongeschikt, terwijl onvoldoende gesteld of gebleken is dat hij na 1 juli 2014 in staat was werkzaamheden te verrichten en evenmin dat hij na 1 juli 2014 werkzaamheden heeft verricht. De enkele omstandigheid dat [appellant], zoals hij heeft gesteld en DHD B.V. gemotiveerd heeft betwist, na 1 juli 2014 de gastaccomodatie van DHD B.V. heeft bezocht en enig veegwerk/maaiwerk heeft verricht is onvoldoende om voorlopig te oordelen dat, zoals in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst is bepaald, de werkzaamheden na het verstrijken van de (met ingang van 1 oktober 2013) verlengde arbeidsovereenkomst op 1 juli 2014 (stilzwijgend) zijn voortgezet. Aan de in de rechtsoverwegingen 3.10 en 3.11 vermelde e-mails van [persoon 3] aan [persoon 2] van 21 november 2013 en 13 december 2013 komt geen betekenis toe. De e-mails zijn niet gericht aan [appellant], zijn geschreven in de periode dat DHD B.V. er zelf nog vanuit ging dat er nog een dienstverband was en hebben slechts betrekking op het overnemen van taken van [appellant] vanwege zijn uitval wegens ziekte. Deze e-mails zeggen niets over een eventuele voortzetting van het dienstverband na 1 juli 2014. Hetzelfde geldt voor de zinsnede in de in rechtsoverweging 3.13 vermelde e-mail van 7 februari 2014 van DHD B.V. aan [de vennoot]. “Zomer geef ik je ook alvast omdat nog niet bekend is of [naam] (hof: [appellant]) dan terug is”. De e-mail is niet aan [appellant] gericht en zegt niets over de eventuele voortzetting van het dienstverband na 1 juli 2014. Het hof is dan ook op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, voorlopig van oordeel dat de op
1 oktober 2013 met een periode van negen maanden verlengde arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2014 van rechtswege is geëindigd. Grief VII faalt.

4.15

De vraag welke betekenis de inhoud van de bespreking tussen partijen op 14 april 2014 heeft in verband met de beoordeling van de vraag of de arbeidsovereenkomst na 1 juli 2014 is voortgezet, kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het midden blijven. Grief VI behoeft niet te worden besproken.
4.16 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is naar het voorlopig oordeel van het hof aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat DHD B.V. gehouden is het bruto loon ad € 1.477,80 bruto per maand aan [appellant] te betalen over de periode 1 januari 2014 tot
1 juli 2014 en de vakantietoeslag over 2013 en 2014 (tot 1 juli 2014). DHD B.V. heeft geen zelfstandig verweer tegen deze vorderingen gevoerd. Aangezien DHD B.V. met de tijdige betaling van het loon en de vakantietoeslag in gebreke is gebleven, zal het hof de door [appellant] gevorderde wettelijke verhoging over dit loon en de vakantietoeslag (gematigd) toewijzen tot 25%. De door [appellant] gevorderde wettelijke rente over het loon, de vakantietoeslag en de gematigde wettelijke verhoging zullen eveneens worden toegewezen en wel met ingang van de dag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, aangezien vooralsnog gesteld noch gebleken is dat [appellant] aanspraak heeft gemaakt op wettelijke rente met ingang van een eerdere datum. Grief VIII slaagt (gedeeltelijk).

4.17

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het bestreden vonnis te worden vernietigd. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, zal het hof de vorderingen toewijzen, zoals hierna in het dictum te vermelden. Anders dan DHD B.V. heeft aangevoerd, staat een eventueel restitutierisico niet aan toewijzing van de gevorderde voorzieningen in de weg, gelet op de bestemming van de toe te wijzen voorzieningen, zoals hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.7 en 4.8 vermeld.

4.18

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof DHD B.V. in de kosten van de beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] tot aan de bestreden uitspraak zullen worden vastgesteld op € 314,80 voor verschotten (€ 93,80 explootkosten en € 221,- griffierecht) en op € 600,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] tot aan de bestreden uitspraak zullen worden vastgesteld op € 410,99 voor verschotten (€ 99,99 explootkosten en € 311,- griffierecht) en op € 1.152,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (drie punten x tarief I in hoger beroep).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 22 januari 2015 van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) en doet in zoverre opnieuw recht:

5.1

veroordeelt DHD B.V. om aan [appellant] in de periode 1 januari 2014 tot 1 juli 2014 het salaris ad € 1.477,80 bruto per maand te betalen;

5.2

veroordeelt DHD B.V. om aan [appellant] de vakantietoeslag over 2013 en 2014 (tot
1 juli 2014) te betalen;

5.3

veroordeelt DHD B.V. om aan [appellant] de wettelijke verhoging gematigd tot 25% over de onder 5.1 en 5.2 vermelde bedragen te betalen;

5.4

veroordeelt DHD B.V. om aan [appellant] de wettelijke rente over de onder 5.1, 5.2 en
5.3 vermelde bedragen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening te betalen;

5.5

veroordeelt DHD B.V. in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 314,80 voor verschotten en op € 600,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 410,99 voor verschotten en op
€ 1.152,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

5.6

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, A.A. van Rossum en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.