Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4349

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
200.128.795
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitsluitingsclausule

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.128.795

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, 125186)

arrest van de vierde kamer van 16 juni 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: mr. P.A. Roscam Abbing,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. E.P. Niemeijer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 10 september 2013 hier over.

1.2

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 9 december 2013; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken. Ten behoeve van de comparitie van partijen heeft de man nog één productie overgelegd. Dit stuk is in het procesdossier gevoegd en maakt daar deel van uit.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens inhoudende een memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep;

- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, tevens houdende akte aanvulling feiten/gronden en verweer in principaal hoger beroep, rectificatie en overleggen producties.

1.4

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het tussenvonnis van de rechtbank Zutphen van 8 augustus 2012.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In de onderhavige zaak gaat het om het volgende.

Partijen hebben op 11 november 1994 de woning aan de [adres te woonplaats] (hierna: de woning) geleverd gekregen van de ouders van de man, waarbij aan de ouders van de man het recht van gebruik en bewoning is verleend. De koopprijs bedroeg f 140.000,-. Op diezelfde datum is aan de man een bedrag van f 50.000,- van de koopprijs bij wijze van schenking kwijtgescholden, onder de bepaling dat de schenking, evenals de opbrengsten daarvan, niet zal vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap. Voorts zijn partijen op

11 november 1994 ten behoeve van de koop van de woning een hypothecaire geldlening aangegaan voor f 55.000,-. Nadien zijn partijen nog twee hypothecaire geldlening aangegaan. De totale hypotheekschuld bedraagt € 61.260,33.

Partijen zijn op 1 december 1995 gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 21 februari 2002 van de rechtbank Zutphen is echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 12 september 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De man, geboren op [geboortedatum] 1944, woont sinds het uiteengaan van partijen in de woning.

Makelaar J.W. Hemeltjen heeft in opdracht van partijen de woning getaxeerd en zijn rapport uitgebracht op 14 februari 2012. De makelaar heeft de marktwaarde van de woning getaxeerd op € 345.000,-.

3.2

De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt zal vaststellen:

primair:

-toedeling van de woning en de hypothecaire geldlening aan de man, onder de voorwaarde dat zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die geldlening;

subsidiair:

-de vrouw te machtigen tot het te gelde maken van de woning en daarbij te bepalen dat het vonnis in de plaats komt van de toestemming en/of wilsverklaring van de man, alsmede dat het vonnis in de plaats komt van de voor de levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man;

primair en subsidiair:

-toedeling aan de vrouw van de door vrouw genoemde inboedel;

II. primair:

-de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen € 184.369,83 terzake overbedeling, te vermeerderen met de wettelijke rente;

subsidiair:

-te bepalen dat de netto-opbrengst van de woning tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;

III. de man te veroordelen om aan de vrouw € 60.000,- als gebruiksvergoeding voor de woning over de periode tot aan de dagvaarding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede te vermeerderen met 4% per jaar over de helft van de overwaarde vanaf de dagvaarding tot aan het moment waarop de woning aan de man dan wel aan een derde wordt geleverd;

IV. de man op te dragen om inzage te verstrekken in de door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten, alsmede de berekeningen van de pensioenuitvoerders over te leggen, en alsdan

-de man te veroordelen tot betaling van de door de pensioenuitvoerders nog nader vast te stellen aanspraak van de vrouw;

-de man op straffe van verbeurte van een dwangsom te gebieden om aan de pensioenuitvoerder toestemming te geven om de aan de vrouw toekomende pensioenbetalingen rechtstreeks aan de vrouw te voldoen;

-de man te veroordelen aan de vrouw te betalen de na dagvaarding vrijvallende pensioenbetalingen, zolang het pensioenfonds de betalingen niet rechtstreeks aan de vrouw verricht;

V. de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3

De rechtbank heeft (op basis van de overwegingen in het bestreden tussenvonnis van 8 augustus 2012) in het bestreden vonnis van 6 februari 2013 beslist dat de geboortefoto’s van [kind 1] en de jeugdfoto’s van [kind 2] alsmede de videobanden aan de vrouw worden toegedeeld, dat bij de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap het nominale bedrag ter zake van de schenking van de ouders aan de man van f 50.000,-

(€ 22.689,-) buiten beschouwing wordt gelaten en dat de woning moet worden verkocht, waarbij van de netto-opbrengst van de woning € 22.689,- aan de man wordt toegedeeld, waarna het restant tussen partijen bij helfte wordt verdeeld. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank in het bestreden vonnis afgewezen.

3.4

De man heeft in hoger beroep negen ongenummerde grieven aangevoerd tegen de vonnissen van 8 augustus 2012 en 6 februari 2013. Hij vordert dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, primair de vrouw haar vorderingen zal ontzeggen, subsidiair de woning voor zover deze deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap aan de man toe te delen onder de verplichting aan de vrouw uit hoofde van overbedeling uit te keren € 30.624,83, en meer subsidiair de woning aan de man toe te delen onder de verplichting aan de vrouw uit hoofde van overbedeling uit te keren € 32.394,83, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties.

3.5

De vrouw heeft in het principaal hoger beroep verweer gevoerd en in het incidenteel hoger beroep drie grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen. Zij vordert – kort gezegd – dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen, voor zover die betrekking hebben op de afwijzing van de hiervoor onder 3.2 genoemde vorderingen (I subsidiair, III. en IV.) en opnieuw recht doende, die vorderingen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog zal toewijzen.

3.6

De man heeft in zijn memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep tevens de feiten, de gronden en het verweer in het principaal hoger beroep aangevuld, althans gerectificeerd en producties overgelegd.

3.7

Op grond van artikel 347 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan in hoger beroep slechts een conclusie van eis en een conclusie van antwoord worden genomen, welke regel beoogt het debat in hoger beroep te beperken. Deze regel brengt met zich dat de geïntimeerde bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep door de conclusie van eis is vastgelegd en geen rekening ermee hoeft te houden dat zijn verweer tot nieuwe grieven/weren aanleiding kan geven. Dit stelsel hangt samen met het feit dat het debat in hoger beroep voortbouwt op hetgeen in eerste aanleg is geschied en in zoverre ten opzichte van de eerste aanleg als voortgezette instantie dient te gelden. In het belang van de concentratie van het debat en van een spoedige afdoening van het geschil, mag in beginsel van appellant worden verlangd dat hij in zijn memorie van grieven aanstonds niet alleen al zijn bezwaren tegen de beslissingen van de lagere rechter aanvoert, maar ook de nieuwe feiten of stellingen naar voren brengt waarop hij zich in hoger beroep wenst te beroepen (ECLI:NL:HR:2008:BC4959). Hieruit volgt dat ook de bevoegdheid in hoger beroep nieuw verweer te voeren in beginsel beperkt is tot het eerste processtuk dat partijen in hoger beroep mogen nemen. In de onderhavige zaak is dit niet anders. Nu er geen sprake is van een wettelijke uitzondering slaat het hof geen acht op hetgeen de man in zijn akte aanvulling feiten/gronden en verweer in principaal appel en rectificatie (nieuw) heeft aangevoerd naar aanleiding van het verweer van de vrouw in het principaal hoger beroep. Op de door de man overgelegde producties komt het hof hierna nog terug.

3.8

De hof zal de grieven naar onderwerp hierna beoordelen.

De woning aan de [adres te woonplaats]

3.9

De man stelt zich primair op het standpunt dat partijen hebben afgesproken dat de man tot zijn overlijden in de woning kon blijven wonen en dat tot dat tijdstip de woning onverdeeld zou blijven. Deze afspraak volgt zijns inziens uit de door de vrouw handgeschreven notitie. Subsidiair stelt de man dat zijn onverdeeld aandeel in de woning geen deel uitmaakt van de ontbonden gemeenschap van goederen omdat de woning is verworven met behulp van middelen ten aanzien waarvan is bepaald dat deze, alsmede de vruchten daarvan geen deel zullen uitmaken van enige huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.10

Het hof overweegt het volgende. Voorop staat dat ingevolge artikel 3:178 lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling kan vorderen van een gemeenschappelijk goed, tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit het overigens in artikel 3:178 BW bepaalde anders voortvloeit. Ingevolge artikel 3:178 lid 5 BW kan degene die bevoegd is de verdeling te vorderen zijn bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst, telkens voor ten hoogste vijf jaar, uitsluiten. Uit de door de man overgelegde notitie, die door hem kennelijk als overeenkomst in de zin van artikel 3:178 lid 5 BW wordt aangemerkt, volgt naar het oordeel van het hof, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat de woning tot het moment van overlijden van de man onverdeeld zou blijven. Uit de processen-verbaal van de comparitie van partijen van 12 januari 2012 en 19 maart 2012 volgt ook niet dat de vrouw die afspraak heeft erkend. Los van het voorgaande, zelfs al zouden partijen zijn overeengekomen dat de woning onverdeeld zou blijven, moet worden geconcludeerd dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw, gelet op het bepaalde in artikel 3:178 lid 5 BW, thans niet de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap kan vorderen. Hij heeft immers niet gesteld, noch is gebleken dat partijen na ommekomst van vijf jaar na de beweerde afspraak andermaal hebben afgesproken de woning onverdeeld te laten. Het door de man gedane bewijsaanbod acht het hof in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen dan ook niet relevant. In zoverre faalt de eerste grief in het principaal hoger beroep.

3.11

Met betrekking tot de subsidiaire stelling van de man overweegt het hof als volgt.

De woning, althans aan ieder van partijen de onverdeelde helft, ieders aandeel, is op

11 november 1994, dus vóórdat partijen in het huwelijk zijn getreden, door de ouders van de man aan partijen geleverd. De koopprijs van de woning bedroeg f 140.000,-, te verminderen met \f 15.000,- in verband met de verplichting om de ouders van de man te verzorgen. Uit de notariële akte van kwijtschelding van 11 november 1994 volgt dat de ouders van de man aan de man f 50.000,- hebben geleend ten behoeve van de aankoop van zijn aandeel in de woning en bij wijze van schenking het aan de man het geleende bedrag hebben kwijtgescholden onder de uitdrukkelijke bepaling dat het geschonken bedrag evenals de opbrengsten daarvan niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen. Het hof constateert dat het hier, anders dan in ECLI:NL:GHARN:2009:BZ6967 en ECLI:NL:HR:2015:1199, gaat om de aankoop van een onroerende zaak vóórdat het huwelijk tussen partijen werd voltrokken en waarbij de koopprijs slechts gedeeltelijk, na voorafgaande lening, bij wijze van schenking is kwijtgescholden. Artikel 1:124 (oud) BW dan wel artikel 1:95 BW, is derhalve niet van toepassing op de destijds ontstane eenvoudige gemeenschap. Voor een analoge toepassing van voornoemde artikelen op de situatie van partijen ziet het hof geen aanleiding, gelet op het feit dat de wetswijziging ten aanzien van artikel 1:124 (oud) BW recent is.

3.12

Vervolgens is het de vraag of op grond van de uitsluitingsclausule moet worden aangenomen dat de ouders van de man daarmee hebben beoogd de aan de man toekomende onverdeelde helft van de woning niet in enige gemeenschap te laten vallen. Het hof is van oordeel dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Bij de uitleg van de uitsluitingsclausule komt in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de kwijtscheldingsakte. Uit die bewoordingen valt uitsluitend af te leiden dat de schenking van f 50.000,- niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen waarin de man zal huwen. Dat het de bedoeling van de man en zijn ouders was de aan de man toekomende onverdeelde helft van de woning buiten enige gemeenschap waarin partijen zouden huwen zou vallen, volgt niet uit de bepalingen van de kwijtscheldingsakte. Dat dit wel de bedoeling zou zijn geweest, is door de man overigens ook niet aangevoerd.

3.13

Daarbij acht het hof het volgende nog van belang. De man heeft gesteld dat hij de aankoopsom voor zijn onverdeelde aandeel in de woning volledig heeft gefinancierd uit privé middelen, te weten een deel uit de schenking en een deel ad f 12.500,- uit privévermogen. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat het bedrag van f 12.500,- afkomstig was uit het privévermogen van de man, daartoe stellende dat partijen voorafgaand aan de koop van de woning aan de [adres te woonplaats] een andere woning ([straat] te [plaats]) in gezamenlijke eigendom hadden, dat de opbrengst van de verkoop van die woning van partijen gezamenlijk was en die opbrengst (deels) is gebruikt ter financiering van de woning aan de [adres te woonplaats]. Naar aanleiding van die gemotiveerde betwisting heeft de man zijn stelling niet nader onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen, en hetgeen de vrouw heeft betoogd niet (voldoende) betwist. Het hof is derhalve van oordeel dat ook van zaaksvervanging geen sprake kan zijn nu een substantieel deel van de koopprijs ten behoeve van de door de man verkregen onverdeelde helft van de woning uit andere middelen werd voldaan. Uit het voorgaande volgt dat de derde grief van de man faalt.

3.14

De man heeft nog gesteld dat hij ten behoeve van de woning voorafgaand aan het huwelijk nog de nodige werkzaamheden ten behoeve van de verbouwing en de renovatie van de woning heeft verricht. Wat daar ook van zij, nu partijen nadien in gemeenschap van goederen zijn gehuwd is een eventuele vordering van de man uit dien hoofde opgegaan in de huwelijksgoederengemeenschap door boedelmenging.

3.15

Met betrekking tot de hypotheken is tussen partijen niet in geschil dat deze als gevolg van het huwelijk in de huwelijksgoederengemeenschap zijn gevallen, zodat daarmee bij de verdeling rekening dient te worden gehouden.

3.16

Uitgangspunt dient te zijn de waarde van de woning op de datum van verdeling. Nu de verdeling nog niet heeft plaatsgevonden en partijen twisten over de waarde van de woning, zal de woning opnieuw door een deskundige moeten worden gewaardeerd. De tweede grief in het principaal hoger beroep is derhalve terecht voorgesteld. Het hof is van oordeel dat de door partijen overgelegde taxaties daartoe niet kunnen dienen, omdat deze over en weer worden betwist en deze taxaties ook niet van recente datum zijn (de door de man overgelegde taxatie ten behoeve van de comparitie van partijen van 13 december 2013 dateert van 21 augustus 2013). Het hof ziet dan ook aanleiding om een deskundige te benoemen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten omtrent de persoon van de deskundige(n), de aan de deskundige(n) te stellen vragen en het verschuldigde voorschot voor de taxatie. Het staat echter partijen ook vrij ter bespoediging van de procedure gezamenlijk een makelaar aan te wijzen die de waardering ter hand neemt. Het desbetreffende taxatierapport kan worden overgelegd bij akte. De man kan dan ook berichten of hij de woning voor de in het taxatierapport genoemde waarde wenst toegedeeld te krijgen en hij daartoe een financiering, zulks onderbouwd met stukken, kan krijgen, dan wel dat de woning dient te worden verkocht.

3.17

Het hof ziet in het feit dat de waarde van de woning nog niet is vastgesteld aanleiding de beslissing over de gebruiksvergoeding (grief I in het incidenteel hoger beroep) en de machtiging aan de vrouw om de woning te gelde te maken (grief III in het incidenteel hoger beroep) aan te houden.

Verbouwingskosten

3.18

In eerste aanleg heeft de man aangevoerd dat de kosten voor onderhoud en renovatie van de woning (€ 61.000,-) voor verrekening in aanmerking komen. In de vierde en vijfde grief in het principaal hoger beroep komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten van verbouwing en renovatiewerkzaamheden voor zijn rekening moeten blijven. De man stelt zich op het standpunt dat de waarde van de door hem gedane investeringen op de waarde van de woning in mindering moet worden gebracht en het restant moet worden verdeeld, zo begrijpt het hof. Hij stelt voorts dat de vrouw onrechtvaardig wordt verrijkt, omdat de vrouw profiteert van de waardestijging van de woning die het directe gevolg is geweest van de door de man verrichte werkzaamheden. De man stelt tevens dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat in afwijking van het bepaalde in artikel 1:100 BW wordt afgeweken van verdeling bij helfte in die zin dat het aan de man toekomend aandeel wordt verhoogd met de waarde van die investeringen. Ten slotte stelt de man dat de uitkomst van de verdeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien geen rekening wordt gehouden met de door hem gedane investeringen. De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.19

Ingevolge artikel 3: 172 BW is de vrouw gehouden bij te dragen in de uitgaven die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap, in dit geval de woning, zijn verricht. Vaststaat dat de man de vrouw niet heeft betrokken bij het onderhoud en de renovatie van de woning, terwijl hij niet zelfstandig bevoegd was deze handelingen te verrichten. Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw, ook als de man wel geheel of gedeeltelijk zou zijn geslaagd in het bewijs dat hij € 61.000,- aan onderhouds- en verbouwingskosten ten behoeve van de woning heeft betaald, niet is gehouden in die kosten bij te dragen. Voorts is het hof van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw ten gevolge van die onderhouds-/verbouwingswerkzaamheden ongerechtvaardigd is verrijkt. Gelet op hetgeen het hof hiervoor onder 3.11 heeft overwogen, alsmede in aanmerking nemende dat de man geen andere bijzondere omstandigheden heeft genoemd dan die die tot het oordeel in 3.11 hebben geleid, is het hof van oordeel dat aan het beroep op de redelijkheid en billijkheid voorbij moet worden gegaan. De door de man gemaakte kosten voor verbouwing en renovatie zien immers voor de helft op zijn aandeel in de woning dat buiten de huwelijksgoederengemeenschap blijft en dus niet voor verdeling in aanmerking komt.

De vierde en de vijfde grief in het principaal hoger beroep falen dan ook.

Foto’s en video

3.20

In zijn zesde en zevende grief komt de man op tegen de oordelen van de rechtbank ten aanzien van de foto’s en de videobanden. In eerste aanleg heeft de vrouw afgifte van deze zaken gevorderd. De man heeft destijds betwist dat hij deze goederen onder zich had. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 12 januari 2012 heeft de man verklaard dat hij bereid was via [A] een oplossing te vinden voor de foto’s en de videobanden. Bij de voortzetting van de comparitie van partijen op 19 maart 2012 heeft de man verklaard dat hij de foto’s heeft afgegeven aan [A] maar dat hij niet over videobanden beschikt. In hoger beroep heeft de man herhaald dat hij niet over videobanden beschikt en voorts dat hij niet over fotoalbums van de vrouw en de kinderen beschikt. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de man het bezit van de fotoalbums en de videobanden heeft waarvan de vrouw afgifte wil. Het enkele feit dat de man heeft toegezegd via [A] een oplossing te zoeken voor de foto’s en de videobanden brengt naar het oordeel van het hof nog niet met zich dat de man (heeft erkend dat hij) die fotoalbums en videobanden in zijn bezit heeft en deze aan de vrouw kan afgeven. De zesde en de zevende grief in het principaal hoger beroep zijn dan ook terecht voorgesteld.

Pensioen

3.21

In grief II in het incidenteel hoger beroep komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de pensioenverevening. De man voert tegen de stellingen van de vrouw verweer.

3.22

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man opgebouwde pensioenaanspraak een aanspraak is als bedoeld in artikel 1 onder lid 1 sub d van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps). Ingevolge artikel 2 lid 1 Wvps heeft in geval van scheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat, indien partijen al een mondelinge afspraak zouden hebben gemaakt over het te verevenen pensioen – hetgeen de vrouw overigens betwist –, deze mondelinge afspraak er niet toe kan leiden dat geen pensioenverevening plaatsvindt. Aan het door de man gedane bewijsaanbod gaat het hof dan ook voorbij. Grief II in het incidenteel hoger beroep slaagt. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen bij akte stukken over te leggen waaruit de omvang van zijn ten tijde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten blijkt, alsmede een berekening van zijn pensioenuitvoerder(s) van het aan de vrouw toekomende deel van zijn pensioen.

4 De slotsom

4.1

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de zesde en zevende grief en grief II in het incidenteel hoger beroep slagen. De eerste, de derde, de vierde en de vijfde grief in het principaal hoger beroep falen. De beslissing op de overige grieven wordt aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

laat partijen toe zich bij akte uit te laten als bedoeld in 3.16;

laat de man bij voornoemde akte toe stukken over te leggen waaruit de omvang van zijn ten tijde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten blijkt, alsmede een berekening van zijn pensioenuitvoerder(s) van het aan de vrouw toekomende deel van zijn pensioen;

verwijst de zaak naar de roldatum 14 juli 2015 voor het nemen van die akte;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, M.H.H.A. Moes en K.J. Haarhuis en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015