Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4346

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
200.112.841
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2011:BV0016, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen. Onvoldoende waarschuwing brandrisico bij periodieke controle elektrische installatie

Aansprakelijkheid; eigen schuld verzekerde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.112.841

(zaaknummer rechtbank Almelo 95506)

arrest van de tweede kamer van 16 juni 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ELECTRABEL NEDERLAND RETAIL B.V.,

rechtsopvolgster onder algemene titel van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid COGAS ENERGIE B.V.,

gevestigd te Zwolle,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: Cogas,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe,

tegen:

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te ’s Gravenhage,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: Aegon,

advocaat: mr. N. Vloemans.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 15 april 2009, 5 augustus 2009, 17 november 2010 en 21 december 2011 die de rechtbank Almelo tussen Cogas als gedaagde en Aegon als eiseres heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 maart 2012,

- de memorie van grieven met productie,

- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken gefourneerd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1a tot en met i van het (bestreden) vonnis van 15 april 2009.

4 De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. In de supermarkt van een verzekerde van Aegon, [de supermarkt] te [plaatsnaam] ([de supermarkt]), is op 25 maart 2006 brand uitgebroken waardoor schade is ontstaan aan de inboedel. [de supermarkt] had bij Aegon een inboedelverzekering afgesloten, op grond waarvan Aegon aan [de supermarkt] de schade ten gevolge van de brand heeft vergoed. Aegon is gesubrogeerd in de rechten van [de supermarkt] en heeft Cogas aangesproken op grond van onrechtmatig handelen, omdat Cogas op 9 februari 2006 bij [de supermarkt] een periodieke controle van de elektrische installatie heeft uitgevoerd, waarbij zij, kort gezegd, niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Aegon stelt dat Cogas voor 100% aansprakelijk is voor de door de brand ontstane schade. Cogas betwist de vordering van Aegon. In eerste aanleg heeft Aegon de veroordeling van Cogas gevorderd tot betaling aan haar van € 328.596,58, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van Cogas in de proceskosten. De rechtbank heeft na deskundigenberichten geoordeeld dat (i) de brand is ontstaan in de door Cogas beoordeelde elektraverdeelinstallatie op de locatie waar de verschillende aders van de hoofdstroomkabels op de verdeelinrichting waren aangesloten en dat (ii) Cogas bij het verrichten van de periodieke controle heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij in het maatschappelijk verkeer jegens [de supermarkt] in acht had moeten nemen, onder meer doordat zij zich niet heeft gehouden aan de van toepassing zijnde NEN-normen en niet adequaat heeft gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank (iii) met toepassing van de omkeringsregel geoordeeld dat het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van Cogas jegens [de supermarkt] en het ontstaan van de schade moet worden aangenomen, behoudens tegenbewijs, (iv) in welk tegenbewijs zij Cogas niet geslaagd heeft geacht. De rechtbank heeft Cogas (v) wegens eigen schuld van [de supermarkt] aansprakelijk geacht voor 90% van de schade en heeft in totaal een bedrag van (vi)

€ 236.211,39 toegewezen, met veroordeling van Cogas in de proceskosten.

4.2

Cogas heeft hoger beroep ingesteld. Haar grieven zien op de hiervoor (i) tot en met (vi) weergegeven beslissingen. De grieven van Aegon in het incidenteel hoger beroep bestrijden de beslissingen onder (v) en (vi).

4.3

De door beide partijen opgeworpen grieven leggen de vraag naar de (omvang van de) aansprakelijkheid van Cogas in volle omvang aan het hof voor. Het hof oordeelt als volgt.

(i) Ontstaan van de brand

4.4

Het ligt gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van Aegon om te bewijzen dat, zoals zij stelt maar Cogas gemotiveerd betwist, de brand is ontstaan in de elektraverdeelinstallatie. Aegon heeft ter onderbouwing van die stelling verwezen naar de door haar overgelegde rapporten van EMN en ERP (producties 2 respectievelijk 4 bij inleidende dagvaarding). Daaruit blijkt onder meer (pagina 3 van het rapport van ERP) dat op 21 april 2006 door [de ingenieur] een onderzoek is uitgevoerd aan de veilig gestelde restanten van de verdeelinrichting, waaruit bleek dat de brand is ontstaan in de kabelaansluiting van de rechter kabel op de hoofdschakelaar. Daarmee heeft Aegon aan haar stelplicht voldaan en was er, anders dan Cogas betoogt, geen reden om de vordering aanstonds af te wijzen, maar is Aegon terecht toegelaten tot het door haar uitdrukkelijk aangeboden bewijs van die stelling. Dat de elektraverdeelinstallatie op dat moment niet meer aanwezig was, is een omstandigheid die voor rekening van Aegon dient te komen, maar onvoldoende om het bewijsaanbod van Aegon te passeren. Dat, zoals Cogas stelt, het prognoseverbod waarnaar de rechtbank in haar tussenvonnis van 5 augustus 2009 onder 4 verwijst, niet geldt voor een deskundigenbericht, voor zover al juist, verandert niets aan de conclusie van het hof dat Aegon terecht is toegelaten tot bewijslevering.

4.5

Uit het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige [de deskundige 1] (gerechtelijk deskundige brandonderzoeken) blijkt dat deze zijn bevindingen en conclusies heeft gebaseerd op onderzoek ter plaatse, informatie van de bedrijfsleider van [de supermarkt] alsmede beeldmateriaal van zowel ERP als van [de supermarkt] en het door Cogas naar aanleiding van de controle op 9 februari 2006 opgemaakte inspectierapport. Vergelijking van het beeldmateriaal rechtvaardigt volgens deze deskundige de conclusie dat ERP de hoofdverdeelinrichting/elektraverdeelinstallatie heeft onderzocht die bij [de supermarkt] functioneerde. Verder heeft de deskundige onderbouwd aangegeven dat, gezien het brandbeeld dat te zien is op foto’s van ERP en [de supermarkt], uitgesloten is dat de brand op een andere locatie (dan in de hoofdverdeelinrichting/elektraverdeelinstallatie) is ontstaan. [de deskundige 1] heeft in zijn rapport verklaard: Op basis van het door mij ingestelde onderzoek, en de analyse van de aan mij ter beschikking gestelde stukken en het beeldmateriaal, ben ik van oordeel dat de brand is ontstaan in de hoofdverdeelinrichting en wel op de locatie waar de verschillende aders van de hoofdstroomkabels op de verdeelinrichting waren aangesloten. Meegewogen dat slechts hoofdstroomkabel 2 stroomvoerende was én verder op deze locatie geen andere potentiële brandoorzaak voorhanden was, is het zeer waarschijnlijk dat als direct gevolg van een verhoogde temperatuur in tenminste één ader van deze hoofdstroomkabel, tot een isolatiedefect heeft geleid met onderhavige brand als resultaat.

Op grond van het deugdelijk onderbouwde, begrijpelijke en consistente bericht van [de deskundige 1], waarin hij goed heeft verantwoord hoe hij ondanks het feit dat de verdeelinrichting niet bewaard is gebleven tot zijn conclusies is gekomen, verwerpt het hof evenals de rechtbank de bezwaren van Cogas tegen (de manier van totstandkomen van) het deskundigenbericht en neemt het de bevindingen en conclusies in dat deskundigenbericht over.

4.6

Dat brengt mee dat vast staat dat de brand is ontstaan in de elektraverdeelinstallatie op de locatie waar de verschillende aders van de hoofdstroomkabels op de verdeelinrichting waren aangesloten.

(ii) Onzorgvuldig handelen Cogas?

4.7

De rechtbank heeft haar oordeel dat Cogas onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [de supermarkt] gebaseerd op het rapport van de door haar benoemde deskundige [de deskundige 2] (electrotechnisch ingenieur). Op dit punt verwijt Cogas de rechtbank dat zij voorbij is gegaan aan de bezwaren die Cogas tegen dat rapport heeft aangevoerd. Het hof stelt voorop dat ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen, voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt. Indien de rechter in een geval waarin de opinie van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van die deskundige volgt, zal de rechter die beslissing in het algemeen niet verder hoeven te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt (vgl. HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468).

4.8

Naar het oordeel van het hof treffen de bezwaren van Cogas geen doel. Voor zover Cogas haar bezwaren reeds heeft kenbaar gemaakt aan [de deskundige 2], heeft hij de bezwaren op pagina 16 en 17 van zijn rapport op overtuigende en afdoende wijze weerlegd. Bij haar conclusie na deskundigenbericht heeft Cogas nog aangevoerd dat uit bij die conclusie gevoegde foto’s blijkt dat, anders dan [de deskundige 2] heeft aangenomen, de kabels aan de secundaire zijde (in het compactstation van C 1000) wel degelijk beveiligd waren. Naar het oordeel van het hof heeft Cogas (net als haar expert [de expert]) daarmee onvoldoende ingebracht tegen de gemotiveerde conclusie van [de deskundige 2] dat destijds geen sprake was van beveiligingen aan het begin van de kabels. Nog daargelaten dat Cogas onder 26 en 27 van haar conclusie na deskundigenbericht ook betoogt dat er geen dan wel onvoldoende beveiliging aan de secundaire zijde zat, geldt dat (Cogas niet heeft weersproken dat) uit door (de toenmalige netbeheerder) Stedin verstrekte informatie blijkt dat geen kortsluitbeveiliging aan de secundaire zijde van de compacttrafo was toegepast (zie bericht [de deskundige 2] op pagina 6 en zijn onder 6.2.3 ad 4 opgenomen reactie). Bovendien heeft [de deskundige 2] in zijn deskundigenbericht gemotiveerd uiteengezet dat de beveiliging aan de secundaire zijde in de hoofdverdeelinrichting is opgenomen als zijnde een vermogensautomaat NS 630 STR23SE, terwijl de kabels voor de vermogensautomaat op één aansluiting zijn gemonteerd, hetgeen – gezien de foto op bladzijde 6 van het inspectierapport van Cogas – ook duidelijk moet zijn geweest voor de inspecteur van Cogas. Ook daar heeft Cogas (en/of [de expert]) onvoldoende tegenin gebracht.

Ook wat betreft de door de rechtbank in 8.3 benoemde subsidiaire stelling van Cogas (dat haar inspecteur niet op de hoogte had moeten zijn van het ontbreken van de beveiliging), oordeelt het hof dat uit het deskundigenbericht van [de deskundige 2] – gezien het vooroverwogene, in samenhang bezien met hetgeen hij heeft bericht over de door de inspecteur gemeten verhoogde temperatuur en zijn opmerking dat de inspecteur in zijn rapport heeft aangegeven dat de waarde van de hoofdbeveiliging niet vermeld is – overtuigend blijkt dat de inspecteur van Cogas geweten moet hebben dat een afdoende beveiliging aan de secundaire zijde ontbrak.
Voorts heeft [de deskundige 2] op overtuigende wijze bericht dat en waarom het geconstateerde gebrek in de installatie gekwalificeerd moet worden als een onmiddellijk gevaar (voor brand en de veiligheid van personen en/of bezittingen); daaraan doet niet af dat de installatie twee jaar probleemloos heeft gefunctioneerd en dat pas anderhalve maand na de inspectie door Cogas brand is uitgebroken. Dat gevaar had voor de inspecteur van Cogas aanleiding moeten zijn direct na de inspectie de gebreken met de installatieverantwoordelijke door te nemen.

De rechtbank hoefde gezien het voorgaande in de bezwaren van Cogas geen aanleiding te zien om [de deskundige 2] te vragen om een nadere toelichting of aanvulling van zijn deskundigenbericht. Ook het hof ziet daartoe, gezien het voorgaande, geen aanleiding.

4.9

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de deskundige zijn bevindingen zorgvuldig heeft weergegeven, onderbouwd en beargumenteerd en dat deze de door de deskundige daaraan verbonden conclusies kunnen dragen.

4.10

Bij zijn beoordeling van de gestelde normschending oriënteert het hof zich allereerst op HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069.

Cogas heeft zich jegens [bedrijfsnaam] contractueel verbonden ter zake van inspecties van elektrische installaties in diverse [supermarkten] in Nederland, waaronder die van [de supermarkt] te [plaatsnaam]. Daardoor is deze contractsverhouding in het rechtsverkeer een schakel gaan vormen waarmee de belangen van derden die aan dit verkeer deelnemen, hier [de supermarkt], kunnen worden verbonden. De belangen van deze derde zijn zo nauw betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet. Cogas is hier jegens [bedrijfsnaam] toerekenbaar tekortgeschoten omdat zij de stroombelasting in kabel L2 niet heeft doorgemeten noch nader onderzoek heeft gedaan naar de door haar waargenomen lichte verkleuring van die ader en verder omdat zij in haar rapport van 24 februari 2006, dat twee weken dateert na de constatering d.d. 9 februari 2016 en daarmee urgentie mist, niet veel duidelijker, met name ook onder de verklaring van veiligheid en de afkeurpunten, voor het brandrisico heeft gewaarschuwd bij haar opdrachtgever [bedrijfsnaam]. In dit concrete geval had Cogas de belangen van [de supermarkt] dienen te ontzien door haar gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Zij had minstens tegelijkertijd [de supermarkt] onder toezending van het rapport afzonderlijk voor het brandgevaar moeten waarschuwen. Cogas verrichtte immers een veiligheidsinspectie en moest begrijpen dat de uitkomst daarvan niet alleen voor haar opdrachtgever [bedrijfsnaam] maar evenzeer voor de exploitant van de C-1000, [de supermarkt], van groot belang was. Waar Cogas in het kader van de veiligheidsinspectie contact had gehad met [de supermarkt], mocht deze laatste er ook op vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien. Het was voor Cogas ook niet bezwaarlijk om met die belangen van [de supermarkt] rekening te houden omdat zij [de supermarkt] eenvoudig met een telefoontje, fax of e-mail, onder toezending van een duidelijker waarschuwend veiligheidsrapport, op de hoogte had kunnen en behoren brengen van het onmiddellijk dreigende brandgevaar, dat niet alleen gevaar voor zaken heeft gerealiseerd maar ook levensgevaar voor personen had kunnen opleveren.

Ook voor zover men zou menen dat Cogas hier eigenlijk niet in een andere hoedanigheid is opgetreden dan als een soort technische toezichthouder (zie voor financiële toezichthouders: HR 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3349) ontkomt Cogas niet aan aansprakelijkheid. Van een behoorlijke en zorgvuldige toezichthouder mag, waar het hier elektriciteitsveiligheid betreft, worden verwacht dat de toezichthouder zich er rekenschap van geeft dat het zijn taak is om derden rond de elektriciteitsinstallatie zo goed mogelijk te waarschuwen tegen de gevaren van een elektriciteitsbrand. Ook hier vormt de van Cogas te vergen duidelijke waarschuwing een eenvoudige en nauwelijks kosten vergende maatregel ter voorkoming van ernstig gevaar voor personen en zaken. Daarom was ook vanuit dit oogpunt indringend waarschuwend optreden naar C-1000 geboden.

Dit volgt tevens uit de door haar geschonden NEN-NE normen 50110 en 3140, waarover in rov. 4.12 meer volgt.

Op grond van al het voorgaande concludeert het hof dat Cogas jegens [de supermarkt] niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die in het maatschappelijk verkeer betaamt, zodat haar handelen als onrechtmatig moet worden aangemerkt en zij aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade.

(iii) Toepassing omkeringsregel?

4.11

Volgens Cogas heeft de rechtbank ten onrechte de omkeringsregel toegepast. Ingevolge vaste rechtspraak strekt de omkeringsregel ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264). Toepassing van de omkeringsregel leidt er vervolgens toe dat er, behoudens tegenbewijs, vanuit wordt gegaan dat de verwezenlijking van het gevaar een gevolg moet zijn geweest van de normschending.

4.12

Cogas betoogt dat van schending van een specifieke norm geen sprake is, omdat de NEN-norm 1010 niet van toepassing is op een periodieke keuring als door Cogas verricht, en dat bovendien die norm niet is geschonden. Dat betoog gaat niet op. Juist is dat de controle door Cogas is uitgevoerd aan de hand van de NEN-EN 50110 en de NEN-3140. Daarin is onder meer opgenomen dat gebreken die een (onmiddellijk) gevaar vormen, zonder uitstel moeten worden hersteld en dat de installatie-verantwoordelijke onmiddellijk moet worden geïnformeerd. Voor de nadere invulling van het begrip ’onmiddellijk gevaar’ heeft de deskundige verwezen naar de NEN-norm 1010, aan welke norm -ook in de visie van Cogas, getuige haar opmerking in de rapportage van de uitgevoerde controle onder punt 4- de installatie in technisch opzicht minimaal diende te voldoen. In bepaling 131.1 van die norm wordt, kort weergegeven, gesproken over het risico van te hoge temperaturen die brand kunnen veroorzaken. Naar het oordeel van het hof heeft Cogas een gebrek in die zin geconstateerd, zonder dat zij dat zonder uitstel heeft hersteld of onmiddellijk heeft gemeld.

4.13

Ook de overige door Cogas gestelde feiten en omstandigheden, te weten dat de NEN-normen (slechts) privaatrechtelijke normen zijn, dat de opgetreden schade zaakschade (en geen personenschade) is en dat Cogas de daadwerkelijke schade niet heeft veroorzaakt, vormen naar het oordeel van het hof, anders dan Cogas meent, onvoldoende aanleiding om toepassing van de omkeringsregel achterwege te laten.

4.14

De conclusie is dan ook dat de rechtbank de omkeringsregel terecht en op de juiste wijze heeft toegepast. De regel geldt zowel in geval van overtreding van de norm die de schade in directe zin veroorzaakt als voor de norm die ertoe strekt schade te voorkomen door tijdig te waarschuwen voor de risico’s daarop (toezichthoudende taak). Op grond van het rapport van [de deskundige 2] staat vast dat Cogas NEN-normen heeft geschonden die ertoe strekten het risico op brand te voorkomen; vast staat dat korte tijd later brand is ontstaan. De rechtbank mocht dus uitgaan van het vermoeden dat sprake is van een conditio sine qua non-verband tussen de geconstateerde normschending door Cogas (nalaten voldoende te waarschuwen voor geconstateerd defect in de elektraverdeelinstallatie) en de schade, tegen welk vermoeden Cogas tegenbewijs mocht leveren, door aannemelijk te maken dat de bedoelde schade ook zonder die normschending zou zijn ontstaan. Ook het hof gaat daarvan uit.

(iv) Cogas geslaagd in tegenbewijs?

4.15

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat hetgeen Cogas in dat kader naar voren heeft gebracht onvoldoende is om Cogas in dat tegenbewijs geslaagd te achten. Hetgeen zij in eerste aanleg daartoe naar voren heeft gebracht en in hoger beroep herhaalt, berust op de hypothese dat een fermere waarschuwing van de zijde van Cogas niet zou hebben geleid tot een adequatere reactie van [de supermarkt] dan wel slechts tot een eerdere inschakeling van installateur [de installateur], die ook dan geen afdoende maatregelen zou hebben getroffen. Niet uit te sluiten valt echter dat een, al dan niet via het inspectierapport, indringender waarschuwing aan [de supermarkt] deze tot overhandiging van het rapport aan [de installateur] zou hebben bewogen en dat, als [de installateur] concreet op het gevaar van de overbelasting van een van de hoofdverdeelkabels zou zijn gewezen, hij de brandlucht niet aan de overbelasting van de krachtautomaat K24 zou hebben geweten en meteen passende maatregelen rond de elektraverdeelinstallatie zou hebben genomen. Bij gebreke van andere concrete feiten en omstandigheden die de hypothese van Cogas kunnen onderbouwen, is zij niet geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden dat sprake is van conditio sine qua non-verband tussen het nalaten van Cogas [de supermarkt] adequaat te waarschuwen en het ontstaan van de brand die tot de schade heeft geleid. In hoger beroep biedt zij geen nader tegenbewijs aan.

(v) Eigen schuld [de supermarkt]?

4.16

Cogas heeft, voor het geval het hof tot het oordeel komt dat sprake is van een onrechtmatige daad en causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de schade, een beroep gedaan op eigen schuld van [de supermarkt]. De rechtbank heeft dat beroep in die zin gehonoreerd, dat zij de schadevergoedingsplicht van Cogas met 10% heeft verminderd. Cogas betoogt dat het aandeel eigen schuld van [de supermarkt] op een hoger percentage moet worden gesteld; Aegon betoogt met de door haar opgeworpen incidentele grief en de toelichting daarop dat [de supermarkt] geen eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade en dat Cogas de volledige schade dient te vergoeden.

4.17

Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat [de supermarkt] na het constateren van de brandlucht in het magazijn daags voor de brand - 24 maart 2006 - haar huisinstallateur [de installateur] heeft ingeschakeld. Pas enkele dagen daarvoor had [de supermarkt] de rapportage van Cogas van de op 9 februari 2006 uitgevoerde controle ontvangen. Vast staat voorts dat [de supermarkt] de rapportage niet aan [de installateur] heeft overhandigd; had zij dat wel gedaan dan was [de installateur] wellicht alerter geweest op het door Cogas geconstateerde defect in de rapportage genoemd onder 6 en had hij gerichter onderzoek (kunnen) verricht(en) naar de oorzaak van de brandlucht. Aan te nemen valt dat hij dat rapport als ingeschakelde deskundige zou hebben gelezen en dat hij in dat geval de brandlucht niet zonder meer zou hebben geweten aan de overbelasting van de krachtautomaat K24 en bij de elektraverdeelinstallatie tot onmiddellijke actie zou zijn overgegaan in plaats van te wachten tot na het weekend. Van [de supermarkt] had daarom mogen worden verwacht dat zij, op de hoogte van de keuring die enige tijd daarvoor had plaatsgevonden en inmiddels in het bezit van de rapportage daarvan, zich daarvan rekenschap had gegeven toen zij een brandlucht constateerde en vervolgens [de installateur] inschakelde. Het had voor de hand gelegen dat [de supermarkt] in elk geval op dat moment die rapportage zou lezen en zeker aan [de installateur] ter hand had gesteld. In dat geval hadden op dat moment - vóór het weekend - adequatere maatregelen kunnen worden getroffen om brand te voorkomen. Dat heeft [de supermarkt] nagelaten. Het hof is van oordeel dat dat nalaten van [de supermarkt] en/of de door haar ingeschakelde [de installateur], wiens handelingen in de onderhavige relatie voor risico van [de supermarkt] komen, in een zwaardere mate aan [de supermarkt] is toe te rekenen dan de rechtbank heeft geoordeeld. Het hof ziet in de hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding om met toepassing van artikel 6:101 lid 1 BW de vergoedingsplicht van Cogas te verminderen met een derde deel.

4.18

De conclusie is dat Cogas voor twee derde deel aansprakelijk is voor de schade die [de supermarkt] heeft geleden ten gevolge van de brand. Aegon heeft ter zake de door haar gevorderde schade in eerste aanleg verwezen naar de bij producties 7 en 8 bij inleidende dagvaarding overgelegde stukken. Cogas heeft daartegen ingebracht dat zij niet betrokken is geweest bij de schadevaststelling en dus geen invloed heeft gehad op de manier waarop die tot stand is gekomen. Door Aegon zijn in eerste aanleg facturen overgelegd, alsmede het rapport van haar schade-expert EMN, die na overleg met de schade-expert van [de supermarkt] (Troostwijk) tot een schadevaststelling is gekomen. Het betreft derhalve niet een eenzijdig door Aegon opgestelde schadevaststelling, maar een vaststelling na onderhandelingen tussen de experts van verzekeraar en verzekeringnemer met tegenstrijdige belangen. Dat alles neemt niet weg dat Cogas daarbij niet betrokken is geweest. Zij voert aan dat zij niet heeft kunnen vaststellen of rekening is gehouden met ‘sowiesokosten’ - een deel van de voorraad zou toch al niet zijn verkocht wegens het verstrijken van de houdbaarheidsdatum - en of ten aanzien van de inventaris een ‘nieuw-voor-oud’ aftrek heeft plaatsgehad. Het hof stelt Aegon in de gelegenheid om bij akte de door haar gevorderde kosten zoals vermeld in de akte van taxatie (productie 17 bij conclusie van repliek) terzake de posten goederen, inventaris en bedrijfsschade met onderliggende stukken nader te specificeren alsmede te reageren op hetgeen Cogas heeft aangevoerd terzake de ‘sowiesokosten’ en de ‘nieuw-voor-oud’ aftrek, zoals hiervoor weergegeven. Daarop kan Cogas vervolgens bij akte reageren. Het hof zal een comparitie van partijen bepalen om de schade aan de hand van de dan voorliggende stukken te bespreken en om te onderzoeken of partijen tot een regeling kunnen komen. Het hof geeft partijen in overweging om na het opstellen van de hiervoor genoemde stukken samen in overleg te treden om te onderzoeken of een regeling tot de mogelijkheden behoort. In dat geval hoeft de comparitie van partijen uiteraard geen doorgang te vinden.

Slotsom

Voordat verder wordt beslist, wordt een comparitie van partijen gelast zoals hiervoor overwogen.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. C.J.H.G. Bronzwaer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder 4.18 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden september en oktober 2015 zullen opgeven op de roldatum 23 juni 2015, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld,

bepaalt dat Aegon de akte met stukken als bedoeld in rov. 4.18 vier weken voor de comparitie neemt en dat Cogas haar antwoordakte twee weken voor de comparitie neemt,

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen,

houdt iedere beslissing verder aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.J. de Kerpel-van de Poel en C.J.H.G. Bronzwaer, bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.