Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4324

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
200.157.701-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage jongmeerderjarige. Ingangsdatum, behoefte en eigen inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.157.701/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/355295 / FL RK 13-2483)

beschikking van de familiekamer van 4 juni 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.B. Streefkerk, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[verweerder/jongmeerderjarige] ,

wonende te [A],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerder/jongmeerderjarige],

advocaat: mr. J.A. Wesdorp, kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 29 juli 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 16 oktober 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 27 november 2014;

- een journaalbericht van mr. Streefkerk van 26 november 2014 met bijlagen, ingekomen op 27 november 2014;

- een journaalbericht van mr. Streefkerk van 16 januari 2015 met bijlagen, ingekomen op 19 januari 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 februari 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

[verweerder/jongmeerderjarige] is [in] 1993 geboren uit het huwelijk van de man en [B] (hierna te noemen: de vrouw). De man en de vrouw hebben samen nog een kind, te weten [C] (hierna te noemen: [C]), geboren [in] 1997.

3.2

Het huwelijk tussen de man en de vrouw is in 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 januari 2009 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

De man is opnieuw gehuwd en is onderhoudsplichtig jegens een minderjarig stiefkind, te weten [D].

3.4

[verweerder/jongmeerderjarige] heeft de rechtbank bij verzoekschrift, bij de rechtbank binnengekomen op

25 oktober 2013, verzocht te bepalen dat de man met ingang van 12 mei 2012, althans met ingang van 2 mei 2013, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [verweerder/jongmeerderjarige] dient te betalen van € 400,- per maand. De man heeft verweer gevoerd.

3.5

Bij bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2013 een bijdrage aan [verweerder/jongmeerderjarige] dient te voldoen in de kosten van zijn levensonderhoud en studie van € 316,- per maand en met ingang van

1 januari 2014 een bijdrage van € 222,- per maand.

3.6

[verweerder/jongmeerderjarige] is [in] 2014 21 jaar oud geworden en per die datum is de wettelijke onderhoudsplicht van de man jegens [verweerder/jongmeerderjarige] komen te vervallen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder/jongmeerderjarige].

4.2

De man is met 12 grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

29 juli 2014. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.3

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een beslissing te nemen op grond van het in het appelschrift gestelde, inhoudende dat het verzoek van [verweerder/jongmeerderjarige] tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van (naar het hof begrijpt:) levensonderhoud en studie alsnog wordt afgewezen.

4.4

[verweerder/jongmeerderjarige] heeft verweer gevoerd en verzocht het hof het verzoek van de man in appel af te wijzen.

4.5

Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

● de ingangsdatum;

● de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige], en wel op de volgende punten:

○ de behoefte op basis van de WSF-norm;

○ de reservering voor aflossing van de studieschuld;

○ de inkomsten bij de [E];

○ de stagevergoeding;

○ de inkomsten uit het eigen bedrijf van [verweerder/jongmeerderjarige];

○ het zakgeld van de grootouders;

○ de zorgtoeslag;

● het inkomen van de man in 2013;

● de bijdrage van de man in de behoefte van [D];

● de draagkracht van de vrouw.

5 De motivering van de beslissing

De ingangsdatum

5.1

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik te maken.

5.2

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat 1 januari 2013 als ingangsdatum in de onderhavige zaak dient te gelden. Hij stelt dat de rechtbank ten onrechte uit de stellingen van partijen heeft afgeleid dat partijen hebben getracht afspraken te maken aangaande de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder/jongmeerderjarige]. Volgens de man heeft [verweerder/jongmeerderjarige] pas in mei 2013 voor het eerst gevraagd hoeveel geld hij van de man kon krijgen. De man heeft meerdere malen getracht contact op te nemen met [verweerder/jongmeerderjarige] ten einde een afspraak in te plannen. De man wilde namelijk expliciet en onderbouwd weten waarom [verweerder/jongmeerderjarige] niet in zijn levensonderhoud kon voorzien. [verweerder/jongmeerderjarige] heeft hier volgens de man niet op gereageerd. De man mocht er naar eigen zeggen dan ook op vertrouwen dat [verweerder/jongmeerderjarige] tot de indiening van het verzoekschrift in ieder geval in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. Dat de man er vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift rekening mee kon houden dat hij een bijdrage aan [verweerder/jongmeerderjarige] diende te voldoen, wordt door de man ook bestreden. [verweerder/jongmeerderjarige] had immers nog niet aangetoond dat hij behoefte had aan een bijdrage van de man. Indien [verweerder/jongmeerderjarige] in mei 2012 al behoefte had aan een bijdrage van de man had hij zich volgens de man moeten voegen in de procedure tussen de man en de vrouw over de kinderalimentatie voor [C]. Het oordeel van de rechtbank dat de verplichting van de man dient in te gaan per 1 januari 2013 is volgens hem dan ook onduidelijk en had beter gemotiveerd moeten worden.

5.3

[verweerder/jongmeerderjarige] is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage 1 januari 2013 dient te zijn. [verweerder/jongmeerderjarige] heeft in december 2012 tot tweemaal telefonisch contact met de man opgenomen en aangegeven dat hij een bijdrage van de man in de kosten van zijn levensonderhoud en studie wenste. [verweerder/jongmeerderjarige] wilde in de aanwezigheid van zijn advocaat met de man spreken zodat hij enig tegenwicht aan de man kon bieden. De man weigerde dit en wilde met [verweerder/jongmeerderjarige] alleen spreken. Gezien de machtsonbalans was dit voor [verweerder/jongmeerderjarige] geen optie. Hierna is er een aantal malen getracht te spreken over de bijdrage doch dit resulteerde in ruzie en woedeuitbarstingen van de man.

In de procedure in hoger beroep over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [C] is reeds gesproken over het feit dat de man ook onderhoudsplichtig was jegens [verweerder/jongmeerderjarige]. In de uiteindelijke beschikking van het hof is op

2 mei 2013 ook bepaald dat 1/3 van de draagkracht van de man ten behoeve van [verweerder/jongmeerderjarige] diende te komen. De stelling van de man dat hij geen rekening kon houden met een te betalen bijdrage ten behoeve van [verweerder/jongmeerderjarige] kan dan ook geen stand houden en wordt door [verweerder/jongmeerderjarige] stellig betwist.

5.4

Gelet op de zich in het dossier bevindende e-mails is duidelijk dat partijen vóór

1 januari 2013 contact hebben gehad over de door de man aan [verweerder/jongmeerderjarige] te betalen bijdrage. De man kon er dan ook vanaf 1 januari 2013 rekening mee houden dat hij een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [verweerder/jongmeerderjarige] zou moeten voldoen. Dat de omvang van deze onderhoudsplicht nog niet uitgekristalliseerd was doet daar niet aan af. Ook ziet het hof in het feit dat [verweerder/jongmeerderjarige] zich niet gevoegd heeft in de procedure van de moeder jegens de man en dat het inleidende verzoekschrift "pas" op 25 oktober 2013 is ingediend geen aanleiding om de alimentatieverplichting van de man pas per die datum te laten ingaan. Uit de stukken leidt het hof af dat in de voorliggende periode nog getracht is om tot een vergelijk te komen en daarbij kan het hof zich voorstellen dat het starten van een juridische procedure door [verweerder/jongmeerderjarige] tegen zijn vader een stap is die hij niet lichtvaardig neemt. Met de rechtbank is het hof, zij het op andere gronden, dan ook van oordeel dat de ingangsdatum op 1 januari 2013 moet worden gesteld.

De behoefte volgens de WSF-norm

5.5

De man stelt dat de rechtbank de aanvullende behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] op basis van de WSF-norm voor studenten niet juist heeft vastgesteld. De door [verweerder/jongmeerderjarige] gestelde bedragen aan studiefinanciering worden door de man betwist. Verder heeft de wijze waarop de vrouw de hypotheekrente in haar belastingaangifte opvoert [verweerder/jongmeerderjarige] volgens de man indirect benadeeld. Indien de vrouw haar aandeel in de hypotheekrente zou opvoeren in haar eigen belastingaangifte zou haar verzamelinkomen lager zijn geweest en zou [verweerder/jongmeerderjarige] een hogere aanvullende studiebeurs hebben ontvangen, hetgeen weer in mindering had gestrekt op zijn behoefte. Bovendien had [verweerder/jongmeerderjarige] volgens de man op eenvoudige wijze een peiljaarverlegging kunnen aanvragen omdat het verzamelinkomen van de vrouw door de aankoop van een woning zal zijn gedaald waardoor hij meer studiefinanciering zou hebben ontvangen. In het geval van een peiljaarverlegging zou [verweerder/jongmeerderjarige] volgens de man de volledige aanvullende beurs van € 393,- per maand naast de basisbeurs hebben ontvangen. Volgens de man zou de aanvullende behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] dan ook aanzienlijk lager zijn dan door de rechtbank in eerste aanleg gesteld.

5.6

[verweerder/jongmeerderjarige] betwist dat hij een hogere aanvullende beurs had kunnen verkrijgen. Uit de gegevens van DUO blijkt dat de maximale aanvullende beurs per 1 januari 2014 € 324,10 was, zodat de rechtbank terecht van deze gegevens is uitgegaan. [verweerder/jongmeerderjarige] heeft aan de hand van de hem beschikbare gegevens de studiefinanciering aangevraagd. Of deze studiefinanciering hoger zou zijn geweest indien zijn moeder een lager fiscaal inkomen zou hebben door de hypotheekrente aftrek doet volgens hem niet ter zake.

5.7

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De man stelt kortgezegd dat [verweerder/jongmeerderjarige] een peiljaarverlegging had moeten aanvragen omdat het belastbaar inkomen van de moeder door de aankoop van een woning zou zijn gedaald, althans lager had kunnen zijn als zij bij haar aangifte inkomstenbelasting de helft van de hypotheeklasten zou opvoeren. Het hof volgt de man daarin niet.

Voor zover al aannemelijk is geworden dat het belastbaar inkomen van de vrouw door de koop van een woning is gedaald, is niet aannemelijk geworden dat [verweerder/jongmeerderjarige] hiervan op de hoogte was, althans had kunnen zijn, zodat hem in zoverre niet kan worden verweten dat hij geen peiljaarverlegging heeft aangevraagd. De wijze waarop de vrouw en haar nieuwe partner de hypotheeklasten van hun woning bij de belastingaangifte verdelen, ligt buiten de invloedssfeer van [verweerder/jongmeerderjarige] en kan hem dan ook evenmin worden tegengeworpen. Daarbij blijkt uit de stukken dat er in 2013 ook al een nieuwe ouderbijdrage is vastgesteld en dat de rechtbank voor de periode vanaf 1 januari 2014 is uitgegaan van de maximale aanvullende beurs. Het hof zal de aanvullende behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] overeenkomstig de door de rechtbank in aanmerking genomen bedragen aan studiefinanciering vaststellen. Die bedragen zijn aan de hand van de zich in het dossier bevindende stukken genoegzaam komen vast te staan. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om van andere bedragen uit te gaan zoals door de man betoogd.

5.8

Het hof zal voor de behoeftebepaling van [verweerder/jongmeerderjarige] in navolging van de rechtbank en overeenkomstig het standpunt van partijen aansluiting zoeken bij de WSF-norm voor studenten. Deze WSF-norm bedroeg over de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met

31 juli 2013 € 561,64 per maand, over de periode vanaf 1 augustus 2013 tot en met

31 december 2013 € 563,72 per maand en over de periode vanaf 1 januari 2014 € 575,31 per maand voor een thuiswonende student in het middelbaar beroepsonderwijs. Gelet op het vorenstaande bepaalt het hof de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 op € 561,64 per maand, in de periode vanaf 1 augustus 2013 tot en met

31 december 2013 op € 563,72 per maand en vanaf 1 januari 2014 op € 575,31.

5.9

De door [verweerder/jongmeerderjarige] ontvangen studiefinanciering in de vorm van de basisbeurs en eventuele aanvullende beurs dient voor de bepaling van de behoefte in mindering te strekken op het behoeftebedrag, aangezien [verweerder/jongmeerderjarige] hiermee (deels) in zijn eigen behoefte kan voorzien en er van uit mag worden gegaan dat deze studiefinanciering niet behoeft te worden terugbetaald.

5.10

Uit de door [verweerder/jongmeerderjarige] overgelegde stukken blijkt dat hij recht heeft gehad op een basisbeurs en een aanvullende beurs en dat deze in de eerste periode tezamen € 295,68 per maand bedroegen en vanaf 1 augustus 2013 € 297,76. Voor de periode vanaf 1 januari 2014 zal het hof er, net als de rechtbank, vanuit gaan dat [verweerder/jongmeerderjarige] de maximale aanvullende beurs ontving, nu anders luidende gegevens ontbreken. Het hof gaat er derhalve vanuit dat [verweerder/jongmeerderjarige] vanaf 1 januari 2014 een bedrag van in totaal € 403,14 per maand ontving aan studiefinanciering. Het ontvangen bedrag moet in mindering worden gebracht op de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige], zodat in de periode vanaf 1 januari 2013 een behoefte aan een aanvullende bijdrage resteert van (€ 561,64 minus € 295,68=) afgerond € 266,- per maand, vanaf

1 augustus 2013 (€ 563,72 minus € 297,76 =) eveneens afgerond € 266,- per maand en vanaf

1 januari 2014 (€ 575,31 minus € 403,14 =) afgerond € 172,- per maand. Hierop dienen eventueel nog andere eigen inkomsten van [verweerder/jongmeerderjarige] in mindering te worden gebracht.

De reservering voor de aflossing van de studieschuld

5.11

De man is van mening dat de rechtbank de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] geheel ten onrechte heeft vermeerderd met een bedrag van € 50,- per maand om te reserveren om na de studie de studielening af te lossen. Allereerst ontbrak volgens de man de noodzaak voor [verweerder/jongmeerderjarige] om de studieschuld aan te gaan. [verweerder/jongmeerderjarige] had, conform herhaalde verzoeken van de man, met de man in gesprek kunnen gaan om aan te tonen dat hij behoefte had aan een bijdrage.

In plaats van het gesprek aan te gaan heeft [verweerder/jongmeerderjarige] er volgens de man voor gekozen om een studielening aan te gaan. Nu geleende gelden niet in mindering strekken op de behoefte acht de man het onbegrijpelijk dat deze dan vervolgens, indien aangegaan, wel behoefte vermeerderend zouden zijn. Daarnaast is volgens de man algemeen bekend dat leningen die door DUO worden verstrekt deels niet behoeven te worden terugbetaald wanneer [verweerder/jongmeerderjarige] binnen 10 jaar zijn diploma behaalt. Dat dan ook nu al vast zou staan dat [verweerder/jongmeerderjarige] een schuld heeft die te zijner tijd moet worden terugbetaald, staat geheel niet vast.

5.12

[verweerder/jongmeerderjarige] is van mening dat de rechtbank zijn behoefte terecht verhoogd heeft met € 50,- per maand, gezien de korte periode waarover de man ten opzichte van hem nog verplicht was een bijdrage te betalen. Van de zijde van de man hoefde [verweerder/jongmeerderjarige] niks te verwachten zodat een studielening de enige oplossing was. Met uitsluitend de basisbeurs en aanvullende beurs kon [verweerder/jongmeerderjarige] zijn lasten niet volledig dragen. Het deel van de studielening dat [verweerder/jongmeerderjarige] niet hoeft terug te betalen bestaat uit de ontvangen basisbeurs en de kosten van het studenten-reisproduct. Door de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] met € 50,- per maand te verhogen zal via de door de man te betalen bijdrage een bedrag van in totaal € 1.000,- worden gereserveerd voor het deels terugbetalen van de ontstane studieschuld.

5.13

Zoals hiervoor is aangegeven is het hof van oordeel dat de man per 1 januari 2013 een bijdrage dient te leveren in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder/jongmeerderjarige]. Met die bijdrage (en het hierna te noemen aandeel van de vrouw in de kosten van [verweerder/jongmeerderjarige]) wordt [verweerder/jongmeerderjarige] in de periode vanaf 1 januari 2013 geacht volledig te voorzien in zijn behoefte vastgesteld aan de hand van de WSF-normen, zoals hiervoor is aangegeven. Deze WSF-normen bestaan uit de posten levensonderhoud en studiekosten. Het hof ziet geen aanleiding om hiernaast ook rekening te houden met de reservering ter aflossing van de studieschuld die [verweerder/jongmeerderjarige] voor 1 januari 2013 is aangegaan. Die schuld is [verweerder/jongmeerderjarige] immers aangegaan om te voorzien in zijn behoefte. Indien het hof daar wel rekening mee zou houden door de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] met de reservering voor de aflossing van deze studieschuld te verhogen, zou de man immers via een omweg een bijdrage leveren die de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] overstijgt, dan wel die ziet op de periode voor 1 januari 2013. Daarbij kan [verweerder/jongmeerderjarige] het bedrag dat de man als achterstallige alimentatie aan hem zal moeten voldoen gebruiken voor de aflossing van deze schuld. Het hof zal de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] daarom, anders dan de rechtbank, niet verhogen met een bedrag van € 50,- per maand ter reservering voor de aflossing van de studieschuld.

De inkomsten bij de [E]

5.14

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte slechts rekening heeft gehouden met een bedrag van € 303,- aan inkomsten bij de [E]. De man stelt dat niet vaststaat dat [verweerder/jongmeerderjarige] meer inkomsten heeft genoten, nu hij heeft nagelaten zijn belastingaangifte en aanslag inkomstenbelasting 2013 in het geding te brengen. Het was daarnaast een bewuste keuze van [verweerder/jongmeerderjarige] om zijn baan bij de [E] op te zeggen. De man stelt dat de rechtbank ook ten onrechte heeft geoordeeld dat naar algemene ervaringsregels de WSF-norm de volledige behoefte niet dekt. Geheel ten onrechte, volgens de man, heeft de rechtbank het om die reden in het algemeen redelijk geacht om alle inkomsten kort gezegd tot € 100,- niet in mindering te laten strekken op de behoefte. Indien de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] daadwerkelijk de WSF-norm overschrijdt dient hij dit aan te tonen. Doordat [verweerder/jongmeerderjarige] dit niet heeft aangetoond dient de WSF-norm als dekkend te worden beschouwd. Ook alle inkomsten tot € 100,- per maand dienen volgens de man in mindering te worden gebracht om de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] te bepalen.

5.15

[verweerder/jongmeerderjarige] stelt dat uit de inkomensverklaring 2013 van de belastingdienst blijkt dat hij in 2013 een verzamelinkomen heeft gehad van € 303,-. [verweerder/jongmeerderjarige] betwist daarbij dat het een bewuste keuze was om zijn contract bij de [E] te beëindigen. Hij is ziek geweest en daarna heeft [E] het dienstverband beëindigd. [verweerder/jongmeerderjarige] verwijst voorts naar heersende jurisprudentie waarin is bepaald dat naar algemene ervaringsregels de WSF-norm de behoefte van een student niet volledig dekt. In dit licht heeft de rechtbank volgens [verweerder/jongmeerderjarige] terecht geoordeeld dat het bedrag van € 303,- niet behoefte verlagend werkt.

5.16

Het hof ziet - anders dan de man- geen aanleiding om de inkomsten uit de arbeid van [verweerder/jongmeerderjarige] in 2013 op zijn behoefte aan een bijdrage van zijn ouders in mindering te brengen. De inkomsten uit het bijbaantje van [verweerder/jongmeerderjarige] in 2013 zijn dermate gering dat zij niet behoefte verlagend worden geacht. De stelling van de man dat [verweerder/jongmeerderjarige] zelf ontslag zou hebben genomen bij de [E], doet niet ter zake, nog daargelaten de juistheid van die stelling. Bij de bepaling van de aanvullende behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] zijn immers uitsluitend zijn feitelijke inkomsten bepalend en niet hetgeen [verweerder/jongmeerderjarige] als jong-meerderjarige aan inkomsten had kunnen hebben.

De stagevergoeding

5.17

De man stelt dat de rechtbank geheel ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat de stages van [verweerder/jongmeerderjarige] geen inkomsten hebben opgeleverd. Geheel ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat het betalen van de kosten van het rijbewijs niet met zich mee brengt dat de aanvullende behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] is gewijzigd. Volgens de man staat vast dat in plaats van het betalen van een stagevergoeding de volledige kosten van het halen van het rijbewijs voor [verweerder/jongmeerderjarige] zijn vergoed. Er heeft derhalve een vergoeding in natura plaatsgevonden. [verweerder/jongmeerderjarige] heeft volgens de man zelf aangegeven dat de kosten van het rijbewijs € 900,- bedroegen en dat de betaling wel degelijk een stagevergoeding inhield. De man stelt voorts dat de rechtbank ook ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een stagevergoeding voor de stage in 2014. In het werkgebied waar [verweerder/jongmeerderjarige] stage loopt is het naar de mening van de man wel degelijk gebruikelijk dat door het stagebedrijf een vergoeding wordt betaald.

5.18

[verweerder/jongmeerderjarige] stelt dat hij een onbetaalde stage heeft gelopen bij zijn oom en tante en dat de betaling van het rijbewijs een cadeau is geweest dat los stond van de gelopen stage. Verder heeft [verweerder/jongmeerderjarige] in 2014 naar eigen zeggen stage gelopen bij een stichting waarbinnen geen winst werd gemaakt. Hij stelt dat hij derhalve ook in 2014 geen stagevergoeding heeft ontvangen.

5.19

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [verweerder/jongmeerderjarige] en zijn oom en tante dat het betalen van het rijbewijs een cadeau is geweest en geen stagevergoeding, als ook aan de verklaring van [verweerder/jongmeerderjarige] ten aanzien van het niet ontvangen van een stagevergoeding in 2014. Bij de bepaling van de aanvullende behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] spelen de door hem gevolgde stages dan ook geen rol.

De inkomsten uit het eigen bedrijf van [verweerder/jongmeerderjarige]

5.20

De man stelt dat de rechtbank geheel ten onrechte geen rekening heeft gehouden met inkomsten van [verweerder/jongmeerderjarige] uit zijn bedrijf. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte gesteld dat de man op dit punt onvoldoende verweer heeft gevoerd. Gelet op het feit dat [verweerder/jongmeerderjarige] heeft geweigerd inzage in zijn aangifte en aanslagen inkomstenbelasting te geven dient het er volgens de man voor te worden gehouden dat er wel degelijk de nodige inkomsten uit het eigen bedrijf van [verweerder/jongmeerderjarige] waren.

5.21

[verweerder/jongmeerderjarige] stelt dat hij fotografeerde voor zijn hobby en dat hij een korte periode ingeschreven is geweest bij de Kamer van Koophandel. De rechtbank heeft volgens [verweerder/jongmeerderjarige] terecht geen rekening gehouden met enige inkomsten uit zijn bedrijf nu deze er in 2013 en ook in 2014 niet zijn geweest.

5.22

Uit de door [verweerder/jongmeerderjarige] overgelegde inkomensverklaring van de belastingdienst over het jaar 2013 blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat er in 2013 geen inkomsten vanuit het eigen bedrijf van [verweerder/jongmeerderjarige] zijn geweest. Tegen die achtergrond heeft het hof geen reden te twijfelen aan de verklaring van [verweerder/jongmeerderjarige] dat hij in 2014 evenmin inkomsten heeft gehad.

Het zakgeld van de grootouders

5.23

De man is van mening dat de rechtbank de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] ten onrechte niet heeft verlaagd met het zakgeld dat hij van zijn grootouders krijgt. Volgens de man blijkt uit de jurisprudentie dat zakgeld wel degelijk een bron van inkomsten betreft en derhalve wel behoefte verlagend werkt. De man betwist dat de grootouders [verweerder/jongmeerderjarige] zakgeld zouden geven omdat de man geen bijdrage zou leveren. [verweerder/jongmeerderjarige] ontvangt al vanaf ver voor zijn 18de verjaardag zakgeld van de grootouders.

5.24

[verweerder/jongmeerderjarige] stelt dat hij maandelijks € 25,- van zijn grootouders ontvangt mede omdat de man iedere verantwoordelijkheid jegens hem weigert te nemen. [verweerder/jongmeerderjarige] verzet zich met klem tegen de stelling dat dit zakgeld zijn behoefte zou verlagen. Ten eerste betreft het geen inkomen maar zakgeld dat op vrijwillige basis door zijn opa en oma is betaald. Ten tweede verwijst [verweerder/jongmeerderjarige] naar heersende jurisprudentie en stelt zich op het standpunt dat het geringe bedrag van € 25,- per maand zijn behoefte niet verlaagt.

5.25

Met [verweerder/jongmeerderjarige] is het hof van oordeel dat het bedrag dat hij van zijn grootouders als zakgeld ontvangt dusdanig laag is dat dit niet behoefte verlagend werkt.

De zorgtoeslag

5.26

De man stelt dat de rechtbank bij de berekening van de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] rekening had moeten houden met de door [verweerder/jongmeerderjarige] ontvangen zorgtoeslag. Uit het door [verweerder/jongmeerderjarige] in het geding gebrachte stuk van de belastingdienst blijkt dat hij een bedrag van € 1.060,- per jaar aan zorgtoeslag ontvangt, zijnde € 88,- per maand.

5.27

Deze grief van de man slaagt. Bij de berekening van de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] dient rekening gehouden te worden met de door hem te ontvangen zorgtoeslag. Nu [verweerder/jongmeerderjarige] alleen gegevens over 2013 in het geding heeft gebracht gaat het hof ervan uit dat hij in 2014 een zelfde bedrag aan zorgtoeslag ontving als in 2014, zijnde (afgerond) € 88,- per maand. Op de onder punt 5.10 berekende behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] aan een bijdrage van zijn ouders in de kosten van zijn levensonderhoud dient derhalve nog een bedrag van € 88,- per maand in mindering worden gebracht.

* De behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] aan een bijdrage van zijn ouders in de kosten van levensonderhoud en studie

5.28

Gelet op het vorenstaande berekent het hof de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie in de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 op € 178,- per maand en in de periode van 1 januari 2014 tot 26 augustus 2014 op € 84,- per maand.

Het inkomen van de man in 2013

5.29

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man niet heeft gesteld hoeveel inkomen hij in 2013 had. De door de rechtbank berekende draagkracht van de man is volgens hem ten onrechte op € 656,- per maand gesteld. De man had in 2013 deels inkomsten uit een WW-uitkering en deels inkomsten uit loondienst. De rechtbank heeft ten onrechte enkel gerekend met de inkomsten uit loondienst. De man is op 17 maart 2013 in loondienst getreden. Bovendien is de rechtbank volgens de man van een te hoog inkomen uit loondienst uitgegaan.

5.30

[verweerder/jongmeerderjarige] erkent dat door de man inkomensgegevens over 2013 in het geding zijn gebracht. De door de man ontvangen WW-uitkering was echter niet vele malen lager dan zijn inkomen uit arbeid. Volgens [verweerder/jongmeerderjarige] heeft de rechtbank de man geen te hoge draagkracht toegedicht. De man genereert volgens [verweerder/jongmeerderjarige] naast zijn inkomen uit dienstbetrekking ook inkomen als masseur.

5.31

Met de man en [verweerder/jongmeerderjarige] is het hof van oordeel dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de inkomensgegevens zoals de man die in het geding heeft gebracht, zijnde een inkomen uit WW-uitkering als ook het inkomen uit dienstbetrekking. Met de vermeende inkomsten uit de massagepraktijk van de man houdt het hof geen rekening nu aannemelijk is dat deze inkomsten in de aangiften IB 2012 en 2013 zijn vermeld onder 'Inkomsten uit overig werk' en die inkomsten blijkens die aangiften in 2012 en 2013 negatief waren. In het licht daarvan heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de man dat hij hieruit geen inkomsten heeft gehad in 2014.

5.32

Nu partijen niet hebben gegriefd tegen de door de rechtbank gehanteerde rekenmethode zal het hof de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de sinds

1 april 2013 geldende berekeningsmethode. Het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.500,-- wordt voor 2013 vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)] en voor 2014 met de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning.

5.33

Het hof berekent het NBI van de man aan de hand van de door hem ingediende jaaropgaven 2013 (betreffende zijn inkomen uit WW-uitkering en loondienst) in 2013 op

€ 2.467,- per maand. Nu partijen niet hebben gegriefd tegen het door de rechtbank in aanmerking genomen NBI van de man in 2014 gaat het hof voor 2014 uit van een NBI van

€ 2.567,- per maand, zoals door de rechtbank berekend.

De bijdrage van de vader in de behoefte van [D]

5.34

De man stelt dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de vader van [D] een bijdrage levert in de kosten van haar verzorging en opvoeding van € 450,- per maand. De vader van [D] is hiertoe wel verplicht, maar weigert te betalen. De huidige partner van de man heeft inmiddels het LBIO ingeschakeld, maar dit heeft nog niet tot betaling geleid.

5.35

[verweerder/jongmeerderjarige] is van mening dat de behoefte van [D] niet is onderbouwd door de man. [verweerder/jongmeerderjarige] stelt voorts dat de man in eerste aanleg niet heeft verklaard dat de vader van [D] niet bijdraagt in haar behoefte. De achterstallige kinderalimentatie zal alsnog geïncasseerd moeten worden bij de vader van [D] en [verweerder/jongmeerderjarige] stelt zich derhalve op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de man in de resterende behoefte van [D] ad € 160,- dient te voorzien.

5.36

Het hof is van oordeel dat de man de hoogte van de behoefte van [D], gelet op de betwisting hiervan door [verweerder/jongmeerderjarige], onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij dient de vader van [D] met een bedrag van € 450,- bij te dragen in de behoefte van [D] en heeft de moeder van [D] deze vordering inmiddels uit handen gegeven aan het LBIO en is het ook al gelukt om een bedrag bij de vader van [D] te incasseren. Tegen die achtergrond heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat zijn aandeel in de behoefte van [D] hoger is dan € 160,- per maand. Het hof zal er bij de verdeling van de draagkracht van de man over zijn (stief)kinderen derhalve, conform de rechtbank, vanuit gaan dat de man met een bedrag van € 160,- dient bij te dragen in de behoefte van [D].

5.37

Voor zover de man heeft betoogd dat rekening dient te worden gehouden met lasten die hij voor zijn partner voldoet, gaat het hof daaraan voorbij. De onderhoudsverplichting van de man jegens [verweerder/jongmeerderjarige] gaat immers voor op de onderhoudsverplichting jegens zijn partner.

De verdeling van de draagkracht van de man over zijn (stief)kinderen

5.38

De rechtbank heeft een netto last van € 146,- per maand in aanmerking genomen in verband met de onderhoudsverplichting van de man jegens [C]. Die last is in hoger beroep niet ter discussie gesteld, zodat het hof daarvan zal uitgaan. In navolging van de rechtbank zal het hof het draagkrachtloos inkomen van de man vermeerderen met de bijdrage voor [D] (van € 160,-) en voor [C] (van € 146,-), nu partijen hier niet over hebben gegriefd. Uitgaande van het hiervoor berekende NBI van de man in 2013 van € 2.467,- per maand bedroeg de draagkracht van de man in 2013 (70% x [€ 2.467,- - (0,3 x € 2.467,- + € 850 + € 160,- + € 146,-)]) afgerond € 400,- per maand.

5.39

Uitgaande van het hiervoor vermelde NBI van de man in 2014 van € 2.567,- per maand bedroeg de draagkracht van de man in 2014 (70% x [€ 2.567,- – (0,3 x € 2.567,- + € 860 + € 160,- + € 146,-)]) afgerond € 442,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

5.40

De rechtbank heeft volgens de man ten onrechte overwogen dat de vrouw geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder/jongmeerderjarige] te kunnen voldoen. Er zijn geen bewijsstukken ten aanzien van het inkomen van de vrouw in het geding gebracht waardoor de man er van uit gaat dat de inkomsten van de vrouw hoger zijn dan gesteld. Daarnaast stelt de man dat de wijze waarop de vrouw de hypotheekrente in haar belastingaangifte opvoert [verweerder/jongmeerderjarige] indirect heeft benadeeld. Indien de vrouw haar aandeel in de hypotheekrente opvoert in haar belastingaangifte is haar verzamelinkomen lager en kan [verweerder/jongmeerderjarige] een hogere studiefinanciering ontvangen, hetgeen weer in mindering strekt op zijn behoefte. De man acht het niet redelijk dat een mogelijke wijze waarop de vrouw een en ander opvoert in haar belastingaangifte dient te resulteren in een hogere bijdrage van zijn kant in de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige].

5.41

[verweerder/jongmeerderjarige] stelt dat de vrouw in eerste aanleg wel alle benodigde financiële gegevens in het geding heeft gebracht. De opmerking dat zij haar woonlasten dusdanig financieel zou hebben geregeld dat [verweerder/jongmeerderjarige] hier de dupe van zou zijn raakt kant noch wal. [verweerder/jongmeerderjarige] is van mening dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat zijn moeder geen draagkracht heeft om in zijn kosten te voorzien.

5.42

Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw, gezien haar inkomen, in staat moet zijn om een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder/jongmeerderjarige]. Op basis van haar inkomensgegevens over 2013 berekent het hof haar NBI (rekening houdende met de inkomensafhankelijke combinatiekorting) op € 1.538,- per maand. Het hof gaat evenals bij de man uit van een forfaitaire woonlast aan de zijde van de vrouw. De stellingen van de man ten aanzien van de werkelijke woonlasten van de vrouw behoeven daarmee geen bespreking. De rechtbank heeft bij het draagkrachtloos inkomen van de vrouw rekening gehouden met een last van € 165,- per maand in verband met haar onderhoudsverplichting jegens [C]. Die last is in hoger beroep niet ter discussie gesteld, zodat het hof daarvan zal uitgaan. De draagkracht van de vrouw komt daarmee in 2013 op (70% x [€ 1.538,- – (0,3 x

€ 1.538,- + 850 + € 165,-)]) afgerond € 43,- per maand. Nu het hof geen inkomensgegevens van de vrouw heeft over 2014 zal het hof het NBI van de vrouw in 2014 eveneens berekenen aan de hand van de inkomensgegevens uit 2013. Op basis van haar inkomensgegevens over 2013 berekent het hof haar NBI in 2014 op € 1.588,- per maand. De draagkracht van de vrouw komt in 2014 daarmee op (70% x [€ 1.588,- – (0,3 x € 1.588,- + 860 + € 165,-)]) afgerond € 61,- per maand.

Voor zover de man heeft betoogd dat de vrouw in een groter deel van de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige] dient te voorzien dan waartoe zij op basis van haar draagkracht is gehouden, op de grond dat de verdeling van de hypotheeklasten tussen haar en haar partner ertoe heeft geleid dat [verweerder/jongmeerderjarige] minder studiefinanciering heeft ontvangen, volgt het hof hem daarin niet nu [verweerder/jongmeerderjarige] geen invloed heeft op de aangifte inkomstenbelasting van zijn moeder en haar partner.

De draagkrachtvergelijking

5.43

Aangezien de totale draagkracht van de vrouw en de man groter is dan de behoefte van [verweerder/jongmeerderjarige], zal het hof het aandeel van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder/jongmeerderjarige] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

5.44

In 2013 hadden de ouders gezamenlijk een bedrag van € 443,- beschikbaar voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder/jongmeerderjarige]. Het eigen aandeel van de man bedraagt dan in de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 (€ 400,-/€ 443,- x

€ 178,- =) (afgerond) € 161,- per maand.

In 2014 hadden de ouders gezamenlijk een bedrag van € 503,- beschikbaar voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder/jongmeerderjarige]. Het eigen aandeel van de man bedraagt dan in de periode van 1 januari 2014 tot 26 augustus 2014 (€ 442,-/€ 503,- x

€ 84,- =) (afgerond) € 74,- per maand.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven van de man gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en beslissen als volgt.

7. Aanhechten draagkrachtberekeningen

7.1

Het hof heeft berekeningen van het netto besteedbaar inkomen van partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 juli 2014 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat de man aan [verweerder/jongmeerderjarige] voor de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie € 161,- per maand dient te betalen en voor de periode van 1 januari 2014 tot 26 augustus 2014 een bedrag van € 74,- per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. W. Foppen en mr. B.J. Voerman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 juni 2015 in bijzijn van de griffier.