Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4305

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
18-06-2015
Zaaknummer
200.171.132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid hoger beroep van getuigen tegen een beslissing van de rechtbank op een op het Haags bewijsverdrag gegrond verzoek van een rechterlijke autoriteit van een andere verdragsluitende staat tot het verkrijgen van bewijs of het toepassen van speciale vormen daarbij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2015/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.171.132, 200.171.133 en 200.171.136

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/362022)

beschikking van de derde civiele kamer van 12 juni 2015

inzake

[appellant sub 1] ,

wonende te [plaatsnaam],

appellant,
verzoeker in het incident,

hierna: [appellant sub 1],
advocaat: mrs. G.P.H. Overgoor en J.S. Bruinsma,


en

[appellant sub 2] ,
wonende te [plaatsnaam],
appellant,
verzoeker in het incident,

hierna: [appellant sub 2],
advocaat: mrs. G.P.H. Overgoor en J.S. Bruinsma,


en

[appellant sub 3] ,
wonende te [plaatsnaam],
appellant,
verzoeker in het incident,

hierna: [appellant sub 3],
advocaat: mrs. G.P.H. Overgoor en J.S. Bruinsma,


tegen:

1 AT&T Mobility LLC;
2. AT&T Mobility II LLC;
3. New Cingular Wireless Services, Inc;
4. SBC Internet Services, Inc;
5. Wayport, Inc;
6. T-Mobile USA, Inc;
7. T Mobile US, Inc;
8. Nextel Operations, Incen
9. Sprint Spectrum L.P.,
alle gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika,
geïntimeerden,
verweersters in het incident,
hierna: Sprint c.s.,

advocaat: mrs. A.J. Haasjes en T.H.B. Iserief.

Appellanten gezamenlijk worden aangeduid als [appellanten]

Als belanghebbende is aangemerkt:
Intellectual Ventures I LLC,
gevestigd te Verenigde Staten van Amerika,

hierna: Intellectual,
niet verschenen.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van
30 januari 2014 die de rechtbank Den Haag en de beschikking van 6 mei 2015 die de rechtbank Midden-Nederland heeft gegeven tussen Intellectual als eiseres in de hoofdprocedure/verweerster in de verzoekschriftprocedure tot het houden van een rogatoire commissie, Sprint c.s. als verweerders in een van de hoofdprocedures/verzoeksters in de verzoekschriftprocedure tot het houden van een rogatoire commissie en [appellanten] als verweerders in de verzoekschriftprocedure tot het houden van een rogatoire commissie.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschriften tevens verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging beschikking ex artikel 360 lid 2 Rv (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 4 juni 2015, hebben [appellanten] verzocht dat het hof de tenuitvoerlegging van de beschikking van
6 mei 2015 van de rechtbank Midden-Nederland zal schorsen, alsmede die beschikking zal vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek (het hof begrijpt: Letter of Request van The United States District of Delaware, productie 1 bij het beroepschrift) alsnog zal afwijzen.

2.2

Bij verweerschrift hebben Sprint c.s. verweer gevoerd en drie producties in het geding gebracht. Sprint c.s. hebben verzocht dat het hof [appellanten] niet-ontvankelijk zal verklaren in het verzoek in hoger beroep, althans in het incidentele verzoek tot schorsing van de beschikking waarvan beroep, althans hun incidentele verzoek zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van deze procedure (inclusief nakosten) met inachtneming van hetgeen in het verweerschrift onder 30, althans 31 is gesteld, met bepaling dat over die kostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 14 dagen na de door het hof te geven beschikking tot aan de dag der algehele betaling.

2.3

Bij faxbrief van 11 juni 2015 heeft mr. M.H.J. van den Horst namens Intellectual aan het hof en de advocaten van [appellanten] en Sprint c.s. bericht dat zij niet in staat is de op
12 juni 2015 bepaalde mondelinge behandeling bij te wonen en dat haar kantoorgenoot, maar nog niet beëdigd advocaat-stagiair, mr. D.M. Mulder ter zitting aanwezig zal zijn om de zaak voor Intellectual waar te nemen en eventuele vragen van het hof te beantwoorden.

2.4

Op 12 juni 2015 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze zitting zijn uitsluitend het schorsingsverzoek en de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep behandeld. Partijen zijn daarvan vooraf door het hof op de hoogte gesteld. Zij hebben de zaak mondeling doen toelichten, [appellanten] door mr. G.P.H. Overgoor, advocaat te Hilversum, Sprint c.s. door mrs. A.J. Haasjes en T.H.B. Iserief, advocaten te Amsterdam. De advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. D.M. Mulder heeft als toehoorder de zitting bijgewoond.

2.5

Mr. Overgoor voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting aan het hof de producties
5 en 6 gezonden, alsmede de bij de ‘letter of request’ behorende producties (‘Exhibit 1, 2 en 3’). Mr. Haasjes heeft tijdens de zitting een afschrift van het volledige procesdossier van de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg overgelegd. Desgevraagd hebben mrs. Haasjes en Overgoor ter zitting meegedeeld dat zij over en weer de inhoud van de overgelegde stukken kennen en dat zij instemmen met het in het geding brengen van die stukken zonder nadere maatregel door het hof.

2.6

Het hof heeft beschikking bepaald op heden.

3 De motivering van de beslissing
3.1 Bij verzoekschrift van 21 januari 2014, ingekomen bij de rechtbank Den Haag op
28 januari 2014, heeft The United States District Court for the District of Delaware, Verenigde Staten van Amerika, de rechtbank Den Haag verzocht op grond van het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken
’s-Gravenhage van 18 maart 1970 (hierna: het Bewijsverdrag) een getuigenverhoor te gelasten en [appellant sub 1] c.s, met inachtneming van een aantal speciale vormen, als getuigen te horen.

3.2

Bij beschikking van 30 januari 2014 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het verzoek voldoet aan de bepalingen van het Bewijsverdrag, overwogen dat de rechtbank Midden-Nederland op grond van artikel 9 van het Bewijsverdrag zal beslissen over de speciale vormen en het verzoek ter verdere uitvoering overgedragen aan de rechtbank Midden-Nederland. Bij beschikking van 6 mei 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland, voor zover hier van belang en verkort weergegeven, het verhoor van [appellanten] op
16, 18 en 22 juni 2015, met inachtneming van een aantal speciale vormen, bevolen.

3.3

Het hof ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of [appellanten] in hun onder
2.1 vermelde verzoek in hoger beroep kunnen worden ontvangen.

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat het hiervoor onder 3.1 vermelde verzoek tot het instellen van een rogatoire commissie en het toepassen van speciale vormen moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Bewijsverdrag en de wijze waarop daaraan door de Nederlandse wetgever bij wet van 11 december 1980 (hierna: de Uitvoeringswet) uitvoering is gegeven. Artikel 5 van het Bewijsverdrag heeft betrekking op de beoordeling door de Centrale Autoriteit of een verzoek van een rechterlijke autoriteit van een andere verdragsluitende staat tot het verkrijgen van bewijs aan de bepalingen van het verdrag voldoet. Artikel 9 van het Bewijsverdrag gaat over het volgen van speciale methodes of procedures (het toepassen van speciale vormen) bij de bewijsgaring. Voor partijen in de hoofdprocedure, in casu Intellectual en Sprint c.s., staat ingevolge artikel 15a van de Uitvoeringswet tegen afwijzende beslissingen die zijn gegrond op deze artikelen van het Bewijsverdrag, hoger beroep open.

3.5

Het Bewijsverdrag noch de Uitvoeringswet voorzien in de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen door getuigen tegen toewijzende beslissingen op een verzoek van een rechterlijke autoriteit van een andere verdragsluitende staat tot het verkrijgen van bewijs of tot het toepassen van speciale vormen daarbij. Indien, zoals door [appellanten] bepleit en door Sprint c.s. bestreden, die mogelijkheid desalniettemin zou bestaan, dan dient naar het oordeel van het hof dit hoger beroep zoveel mogelijk te worden beoordeeld in overeenstemming met de bepalingen van het Bewijsverdrag en de Uitvoeringswet die ook zouden zijn toegepast, indien partijen zelf in hoger beroep zouden zijn gekomen.

3.6

In artikel 9 lid 3 van het Bewijsverdrag is bepaald dat de rogatoire commissie onverwijld moet worden uitgevoerd. Blijkens de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Uitvoeringswet is aan deze verdragsbepaling uitvoering gegeven door in artikel 15a van de Uitvoeringswet een beroepstermijn van vier weken, te rekenen vanaf de dag van de beslissing, op te nemen. In de memorie van toelichting bij de wet, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 286, nr. 3, p. 8, is immers vermeld: “(…) Deze korte termijn sluit aan bij de beoogde onverwijlde uitvoering van de rogatoire commissie (zie artikel 9, derde lid, van het Bewijsverdrag 1970 en artikel 4, derde lid, Uitvoeringswet Bewijsverdrag 1970), waardoor er op niet al te lange termijn een beslissing in beroep dient te worden gegeven. (…)”. Deze visie van de Nederlandse wetgever dat met het Bewijsverdrag een spoedige behandeling van het verzoek (in hoger beroep) is beoogd, sluit aan bij de Franse en de Engelse tekst in artikel 9 lid 3 van het Bewijsverdrag (“d’urgence” respectievelijk “expeditiously”).

3.7

Dit betekent dat, indien [appellanten] al een beroepsmogelijkheid toekomt, zij deze binnen vier weken vanaf de dag van de bestreden beslissing hadden moeten benutten. In het onderhavige geval is het beroepschrift van [appellanten] blijkens de daarop aangebrachte stempel, waarvan [appellanten] de juistheid niet heeft weersproken, op 4 juni 2015 bij het hof ingekomen. Op basis daarvan moet ervan worden uitgegaan dat het beroepschrift niet binnen vier weken na het geven van de beschikking van 6 mei 2015 van de rechtbank Midden-Nederland is ingediend. Het hof zal [appellanten] op die grond in hun verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Het schorsingsverzoek behoeft gelet daarop geen beoordeling meer.

3.8

Wat betreft het verzoek van Sprint c.s. primair [appellanten] op grond van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en een onrechtmatige daad en subsidiair conform het liquidatietarief maal drie in de (werkelijke) kosten van de procedure te veroordelen, overweegt het hof het volgende.

3.9

Op grond van artikel 9 van het Bewijsverdrag moet het verzoek worden beoordeeld op grond van het Nederlandse procesrecht. Artikel 1019h Rv, waarop Sprint c.s. zich beroept, is niet van toepassing, omdat dat ingevolge artikel 1019 Rv betrekking heeft op de handhaving van rechten van intellectuele eigendom, terwijl in de onderhavige procedure een verzoek tot een rogatoire commissie voorligt. Voor zover de in de Verenigde Staten gevoerde hoofdprocedures de handhaving van voornoemde rechten betreffen, wordt overwogen dat [appellanten] niet als partijen, maar als getuigen bij die procedures zijn betrokken, zodat zij niet gelden als “de in het ongelijk gestelde partij” in de zin van artikel 1019h Rv. De stelling van Sprint c.s. dat zij op grond van een onrechtmatige daad aanspraak heeft op een volledige proceskostenvergoeding, althans recht heeft op een toepassing van het liquidatietarief maal drie wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het verzoek, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan [appellanten] de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan [appellanten] op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij, onder toepassing van het liquidatietarief, in de proceskosten veroordelen. Als niet weersproken zal het hof ook de verzochte nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hiervoor onder 2.1 vermelde verzoek in hoger beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Sprint c.s. vastgesteld op € 711,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief II), te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellanten] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.B. ter Heide, H.E. de Boer en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 juni 2015.