Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4295

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
18-06-2015
Zaaknummer
21-007633-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:7965, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden voor het plegen van een straatroof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007633-14

Uitspraak d.d.: 18 juni 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 16 december 2014 met parketnummer 05-720148-14 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [1988],

thans verblijvende in [P.I. verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G. Palanciyan, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan en de beslissing op de vordering benadeelde partij.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde een gevangenisstraf van 36 maanden wordt opgelegd.

De rechtbank Gelderland heeft aan verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden, opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het primaire feit 36 maanden gevangenisstraf wordt opgelegd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brutale straatroof. Kort van te voren hebben verdachte en medeverdachten het plan gemaakt om een man, het latere slachtoffer - die dacht dat hij zijn internetdate zou ontmoeten - te beroven van (onder meer) de gouden ketting die hij op de foto van de datingsite droeg. Nadat het slachtoffer die nacht onder valse voorwendselen naar het park was gelokt, is hij met een ijzeren staaf op het hoofd geslagen, beroofd en deels ontkleed achtergelaten. Dit is een ernstig feit. Door aldus te handelen heeft verdachte forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zoals blijkt uit de toelichting bij de vordering benadeelde partij heeft het feit ernstige psychische gevolgen voor het slachtoffer gehad. Het hof houdt er bij de strafoplegging wel rekening mee dat voor wat betreft het gebruik van een vuurwapen vrijspraak is gevolgd, omdat het hof daarvan niet overtuigd is geraakt.

Ten nadele van verdachte neemt het hof in aanmerking dat hij, zoals blijkt uit een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie van 4 mei 2015, reeds eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten.

Gelet op de ernst van het feit, in combinatie met het strafblad van verdachte, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden is. Voor een lagere gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf, zoals bepleit door de raadsman, is naar het oordeel van het hof - gelet op het vorenstaande - geen ruimte. Tot slot acht het hof geen termen aanwezig om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt 4.333 euro. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van 2.020 euro. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering is niet gemotiveerd betwist door de verdediging.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot 3.390 euro. Dat betreffen alle door de benadeelde partij opgegeven schadeposten met uitzondering van de post eigen bijdrage advocaatkosten, die het hof niet zal toewijzen (te ver verwijderd belang). Verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan en de beslissing op de vordering benadeelde partij, en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.390,00 (drieduizend driehonderdnegentig euro) bestaande uit € 890,00 (achthonderdnegentig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.390,00 (drieduizend driehonderdnegentig euro) bestaande uit € 890,00 (achthonderdnegentig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 (drieënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. P.R. Wery, voorzitter,

mr. H.G.W. Stikkelbroeck en mr. R.H. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Gereke, griffier,

en op 18 juni 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.