Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4148

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-06-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
WAHV 200.144.286
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Griffierecht. Gelet op het rechtsgevolg van niet tijdige betaling van het griffierecht, te weten niet-ontvankelijkverklaring, rust op de Afdeling Financiën en Inkoop van de Rechtspraak met betrekking tot het bestemmen van ontvangen bedragen eenzelfde onderzoeksplicht als op het CJIB rust met betrekking tot de betaling van de zekerheidstelling. I.c. is de Afdeling tekort geschoten in zijn onderzoeksplicht. Het griffierecht is tijdig ontvangen. Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en wijst de zaak terug.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2015/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.144.286

8 juni 2015

CJIB 172681144

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 6 februari 2014

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [naam]

wonende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie op 5 december 2013 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan.

2. De gemachtigde van de betrokkene heeft gesteld dat het griffierecht op 22 januari 2014 is overgeboekt op de rekening van de rechtbank. Naar aanleiding van de beschikking van de kantonrechter heeft de gemachtigde navraag gedaan bij de rechtbank. Daaruit bleek dat het bedrag aan een andere zaak is toegeschreven omdat bij de overboeking een niet geheel correcte omschrijving was vermeld. De juiste omschrijving eindigde op 15, terwijl de door gemachtigde vermelde omschrijving op 12 eindigde. De gemachtigde is daarvan niet op de hoogte gesteld en het bedrag is evenmin teruggeboekt naar haar rekening zodat zij in de veronderstelling verkeerde dat het griffierecht was betaald. Zij is van opvatting dat zij te goeder trouw heeft gehandeld en vraagt het verzet alsnog ontvankelijk te verklaren.

3. Uit het dossier blijkt dat de griffier van de rechtbank de betrokkene bij schrijven d.d. 16 januari 2014 mededeling heeft gedaan omtrent de verschuldigdheid van het griffierecht en de separaat te verzenden nota. Een afschrift van de nota bevindt zich niet in het dossier. Uit het door de gemachtigde overgelegd afschrift van de bankafschrijving d.d. 22 januari 2014 blijkt dat op die datum een bedrag van € 77,- is overgeboekt op rekeningnummer NL94RBOS0569990513 met als omschrijving 25079315.

4. De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft in het verweerschrift bevestigd dat de Afdeling Financiën en Inkoop van de Rechtspraak de betaling heeft ontvangen, maar deze vanwege onjuiste vermelding van het documentnummer aan een andere zaak heeft gekoppeld. Het bedrag is vervolgens op 21 februari 2014, na de beschikking van de kantonrechter, teruggestort op de rekening van de gemachtigde.

5. Het hof heeft eerder in verband met betalingen aan het CJIB overwogen dat op het CJIB een onderzoeksplicht rust. Verlangd wordt dat voorafgaand aan toerekening van een ontvangen bedrag aan een andere openstaande zaak of het terugstorten van het bedrag wordt nagegaan waarop de betreffende betaling betrekking heeft en waarom dit onderzoek - ook na contact met de betrokkene - niet tot resultaat heeft geleid.

Gelet op het rechtsgevolg van niet tijdige betaling van het griffierecht rust naar het oordeel van het hof op de Afdeling Financiën en Inkoop van de Rechtspraak eenzelfde onderzoeksplicht. Blijkens de door de advocaat-generaal ingewonnen informatie is in het onderhavige geval niet gebleken dat de Afdeling Financiën en Inkoop van de Rechtspraak na ontvangst van de betaling contact heeft gezocht met de gemachtigde als rekeninghouder. De Afdeling Financiën en Inkoop van de Rechtspraak is derhalve tekort geschoten in zijn onderzoeksplicht. Dit geldt temeer nu er kennelijk aanvankelijk voor is gekozen om het ontvangen bedrag toe te rekenen aan een zaak van een andere persoon waarvan de naam in het geheel niet overeenkomt met de naam van de gemachtigde of de betrokkene.

6. Het voorgaande brengt mee dat het verschuldigde griffierecht binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat de kantonrechter het verzet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

7. De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzetschrift tegen het uitgevaardigde dwangbevel niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzet op die grond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu de gemachtigde niet in de gelegenheid is gesteld omstandigheden aan te voeren die aanleiding zouden kunnen zijn tot verschoonbaarheid van die termijnoverschrijding, en daarover te worden gehoord, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland.

Dat brengt mee dat het in hoger beroep betaalde griffierecht en het bedrag van de zekerheidstelling aan de gemachtigde dient te worden gerestitueerd.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

bepaalt dat hetgeen uit hoofde van voormeld dwangbevel door de betrokkene is betaald, te weten een bedrag van € 997,-, aan de gemachtigde wordt gerestitueerd, alsmede dat het door deze op de voet van artikel 26a van de WAHV betaalde griffierecht door de griffier van de rechtbank aan haar wordt gerestitueerd.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.