Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4053

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
200.166.631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verlenen schone lei wegens het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van meerdere uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.166.631

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/12/126 R)

arrest van de tweede kamer van 4 juni 2015

inzake

[appellant] ,
wonende te [plaatsnaam],

appellant,
hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.M. Mauritz.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 13 maart 2012 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 maart 2015 is vastgesteld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en heeft de rechtbank die regeling beëindigd, zonder daarbij toepassing te geven aan artikel 354 lid 2 van de Faillissementswet. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 17 maart 2015 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 10 maart 2015 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat aan hem de schone lei zal worden verleend, dan wel (het hof begrijpt:) te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem zal worden voortgezet, kosten rechtens.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief met bijlagen van 12 mei 2015 van de bewindvoerder, G.G.R. Missler, en de brief met één bijlage van 15 mei 2015 van mr. Mauritz.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, vergezeld van een vriend, en bijgestaan door mr. Mauritz. Voorts is de bewindvoerder verschenen. Ten behoeve van [appellant] is verschenen [de tolk], tolk in de Turkse taal.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant], geboren op [geboortedatum], woont volgens zijn verklaring bijna 18 jaar in Nederland. [appellant] is gehuwd geweest. Uit dat huwelijk zijn drie - thans minderjarige - kinderen geboren.
was in het verleden (fulltime) werkzaam als schoonmaker. Bij besluit van 7 februari 2014 heeft het UWV de Ziektewetuitkering van [appellant] beëindigd. Tegen dat besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dat bezwaar afgewezen/ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. Naar [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, is een beslissing op dat beroep niet binnen drie maanden te verwachten.

3.2

Op 23 mei 2013 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank in verband met het feit dat [appellant] de wettelijke verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet voldoende nakwam. Bij gelegenheid van dat verhoor heeft de rechtbank [appellant] (nogmaals) de systematiek van deze regeling toegelicht.

3.3

Naar aanleiding van een verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellant], heeft de rechtbank [appellant] en de bewindvoerder opgeroepen voor een zitting op 7 juli 2014. In het daarop gevolgde vonnis van 14 juli 2014 heeft de rechtbank voornoemd verzoek afgewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Vast staat dat [appellant] kort voor de zitting alsnog aan zijn informatieplicht heeft voldaan. De rechtbank merkt op dat het de verantwoordelijkheid van [appellant] is om er voor te zorgen dat hij alle relevante informatie maandelijks aan de bewindvoerder toestuurt en waar nodig te verifiëren dat deze ze ontvangen heeft. Dat [appellant] door zijn persoonlijke omstandigheden moeite ervaart met het nakomen van zijn verplichtingen en het benaderen van instanties doet daar niet aan af.

Ten aanzien van de sollicitatieplicht stelt de rechtbank vast dat [appellant] sinds 15 maart 2014 niet voldoet aan de op hem rustende sollicitatieverplichting. Anders dan [appellant] betoogt, schort het bezwaar het herleven van de sollicitatieplicht niet op. De rechtbank ziet op dit moment geen reden om al gevolgen aan deze tekortkoming te verbinden, aangezien er nog geen beslissing is genomen op het bezwaar tegen (hof: de) Ziektewetuitkering stop te zetten. Niet uitgesloten kan worden dat het besluit van 7 februari 2014 zal worden vernietigd en [appellant] alsnog met terugwerkende kracht een Ziektewetuitkering zal ontvangen. In dat geval zal ook de sollicitatieplicht niet zijn herleefd. De rechtbank wijst er wel op dat indien het bezwaar wordt afgewezen, [appellant] met ingang van 15 maart 2014 tot het moment dat hij weer sollicitaties verricht tekort is geschoten in de nakoming van de sollicitatieverplichting, wat aanleiding kan zijn de regeling alsnog tussentijds te beëindigen of te verlengen. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank in de tekortkomingen van [appellant] in het nakomen van de sollicitatie- en informatieverplichting geen aanleiding de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

Ten aanzien van de boedelachterstand en de nieuwe schulden geldt dat niet bekend is wat daarvan de huidige omvang is, mede vanwege de onduidelijkheid over het recht op een Ziektewetuitkering. Voor zover bekend is de omvang daarvan beperkt, zodat deze binnen de reguliere looptijd kunnen worden ingelopen. Daarbij rechtvaardigen het bestaan van de nieuwe schulden en de boedelachterstand op zichzelf naar het oordeel van de rechtbank geen tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Nu niet is gesteld of gebleken dat deze schulden en de boedelachterstand in de afgelopen maanden zijn opgelopen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de beslissing op het verzoek aan te houden.

De rechtbank benadrukt dat [appellant] aan zijn verplichtingen moet blijven voldoen.”

3.4

De rechtbank heeft bij vonnis van 10 maart 2015 de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] beëindigd, zonder dat aan [appellant] de schone lei is verleend, omdat [appellant] niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit hoofde van die regeling. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Ter terechtzitting is gebleken dat [appellant] pas na het eindverslag van de bewindvoerder (toevoeging hof: van 2 december 2014) alsnog aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. [appellant] heeft tijdens de resterende duur van de regeling niet zelf aan zijn informatieverplichting voldaan, maar zijn advocaat heeft dit alsnog gedaan, vooruitlopend op de eindzitting. Bij vonnis van 14 juli 2014 was [appellant] er echter uitdrukkelijk op gewezen dat het nakomen van deze verplichting een eigen verantwoordelijkheid betreft.

Niet ter discussie staat, dat nog steeds niet duidelijk is of [appellant] met terugwerkende kracht, vanaf 15 maart 2014, aanspraak kan maken op een Ziektewetuitkering. De beslissing op bezwaar zal pas over enkele weken volgen. Hierdoor is tot op heden niet duidelijk of op [appellant] een sollicitatieplicht rustte. Hoewel [appellant] heeft aangevoerd te hebben voldaan aan zijn sollicitatieverplichting, staat vast dat er niet conform de Recofa-richtlijnen uitvoering is gegeven aan de sollicitatieplicht. Uit hetgeen ter zitting hierover is besproken, heeft de rechtbank echter afgeleid dat ook indien op correcte wijze was voldaan aan de sollicitatieverplichting, dit naar alle waarschijnlijkheid niet had geleid tot het verkrijgen van een baan waarmee uiteindelijk afloscapaciteit zou zijn gegenereerd. Verder heeft de bewindvoerder toegelicht dat ook indien alsnog een Ziektewetuitkering wordt toegekend, dit geen gevolgen zal hebben voor de afloscapaciteit over het voorgaande jaar. De uitkomst van de bezwaarprocedure wordt niet afgewacht alvorens te beslissen over het al dan niet verlenen van de schone lei, nu die uitkomst niet van doorslaggevend belang is, aldus de rechtbank.

Een zeer relevant punt voor die beoordeling, is het feit dat tot op het moment van de eindzitting sprake is (geweest) van een onveranderde boedelachterstand. Zelfs na het eindverslag is op dit punt niets ondernomen, zoals het doen van een voorstel tot het inlopen van de boedelachterstand. Integendeel, ter zitting heeft [appellant] volhard in zijn stelling dat hij van het bestaan van die boedelachterstand niets afwist, en dat dit te wijten is aan de bewindvoerder, die hem op het bestaan daarvan niet gewezen zou hebben. Aan dit verweer gaat de rechtbank echter voorbij. In het vonnis van 14 juli 2014 is immers overwogen dat de achterstand ter hoogte van € 975,12 beperkt van omvang is en binnen de reguliere duur van de regeling kon worden ingelopen. Bovendien is [appellant] destijds ter zitting ook bijgestaan door mr. Mauritz en waren ook toen een tolk en een vriend aanwezig. Voor zover [appellant] tot op heden niet heeft begrepen dat er een boedelachterstand was die diende te worden ingelopen, komt dat voor zijn risico.

Gelet op de omvang van de schuldenlast, ruim € 96.000,-, had er meer inspanning van [appellant] mogen worden verwacht, zeker na de laatste kans die hem geboden is bij vonnis van 14 juli 2014, om aan alle verplichtingen van de regeling te voldoen. Juist het doen van boedelafdracht is een kernverplichting. Zowel de sollicitatieplicht als de informatieplicht zijn slechts instrumenten om te kunnen beoordelen of de schuldenaar zich gedurende de regeling voldoende heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn schuldeisers. [appellant] heeft zich te passief opgesteld ten opzichte van de boedelafdracht. In dat kader achtte de rechtbank ook relevant, dat [appellant] de bewindvoerder pas heel recent de benodigde informatie heeft verstrekt om de omvang van de afdrachtverplichting definitief te kunnen beoordelen. Dat de boedelafdracht (het hof begrijpt: boedelachterstand) niet is toegenomen, is geen verdienste van [appellant], maar is slechts het gevolg van het feit dat zijn inkomen zo laag is, dat er geen afloscapaciteit is, aldus de rechtbank.

Ter zitting is door de vriend van [appellant] uiteindelijk toegezegd dat hij zorg zal dragen dat de boedelachterstand alsnog zal worden ingelopen. Voor zover dat gebeurt, geldt dat dit geen eigen inspanning van [appellant] is. Bovendien staat niet vast dat sprake is van een schenking, zodat niet uit te sluiten is dat er een nieuwe schuld voor [appellant] ontstaat, aldus de rechtbank.

Al met al betekent dit, dat [appellant] zich onvoldoende heeft ingespannen om zoveel mogelijk boedelsaldo te genereren. Deze tekortkoming is bovendien toerekenbaar aan [appellant]. De omvang van het boedeltekort is, in aanmerking genomen de totale omvang van de schuldenlast en het verworven boedelsaldo, te groot om buiten beschouwing te laten, aldus de rechtbank.

3.5

Het hof is van oordeel dat [appellant] tijdens zijn schuldsaneringsregeling is tekortgeschoten in de informatieplicht jegens de bewindvoerder, omdat hij niet (tijdig) alle inlichtingen en gegevens heeft verschaft die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van die regeling. De bewindvoerder heeft [appellant] bij herhaling verzocht om hem tijdig te voorzien van onder meer inkomstengegevens, bankafschriften en betalingsbewijzen van de vaste lasten. [appellant] heeft de bewindvoerder lange tijd op deze gegevens laten wachten. Weliswaar heeft de advocaat van [appellant] de bewindvoerder, naar laatstgenoemde ook heeft bevestigd, de gevraagde stukken alsnog verstrekt, maar vaststaat dat dit pas is geschied nadat de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling van [appellant] bijna verstreken was en de eindzitting bij de rechtbank nabij was.
Hieruit blijkt dat de eerdere ervaringen van [appellant] voor hem geen reden zijn geweest zijn gedrag aan te passen aan de tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor hem geldende verplichtingen. Immers, ook bij gelegenheid van de zitting op 7 juli 2014 heeft de bewindvoerder kort voor die zitting - dus op het laatste moment - de eveneens meermalen verzochte stukken van [appellant] ontvangen.
Het hof is van oordeel dat het steeds in een zo laat stadium indienen van deze voor de wettelijke schuldsaneringsregeling relevante stukken [appellant] moet worden aangerekend, te meer omdat het belang daarvan hem meer dan duidelijk had moeten zijn gelet op alle gelegenheden waarbij dit onderwerp onder zijn aandacht is gebracht.
Het hof stelt vast dat [appellant] onder meer in verzuim is gebleven met het tijdig en genoegzaam inlichtingen verschaffen aan de bewindvoerder over zijn inspanningen om baten voor de boedel te verwerven, door aan de bewindvoerder bewijsstukken te verstrekken van door hem verrichte sollicitaties. Het gaat hier om de vacatures, de sollicitatiebrieven en, voor zover deze zijn ontvangen, de reacties daarop van de benaderde potentiële werkgevers.

3.6

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over het niet voldoen aan de informatieverplichting, concludeert het hof dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn inspanningsverplichting om - ten behoeve van zijn schuldeisers - inkomsten voor de schuldsaneringsboedel te verwerven is nagekomen. Deze als essentieel aan te merken verplichting houdt onder meer in dat van [appellant] redelijkerwijs mag worden verlangd dat hij gedurende de periode van de schuldsaneringsregeling waarin hij geen of onvoldoende betaalde werkzaamheden heeft verricht gemiddeld vier maal per maand een schriftelijke sollicitatie (exclusief open sollicitaties) heeft verricht (vgl. Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringen onder 3.5). Door het ontbreken van de hiervoor onder 3.5 genoemde stukken met betrekking tot de sollicitatieplicht van [appellant], heeft de bewindvoerder echter niet kunnen beoordelen of [appellant] gedurende de periode waarin de inspanningsplicht voor hem gold (vanaf 15 maart 2014) daadwerkelijk, deugdelijk en in voldoende mate heeft gesolliciteerd. Ook op het belang van het in acht nemen van deze verplichting is [appellant] veelvuldig gewezen.
Nog daargelaten de juistheid van de stelling van [appellant] dat het in de schoonmaakbranche gebruikelijk is om open sollicitaties te verrichten (hetgeen hij naar eigen zeggen ook heeft gedaan) en dat potentiële werkgevers in die branche in veel gevallen geen ontvangstbevestiging en/of bevestigingen van afwijzingen verstrekken, is het hof van oordeel dat [appellant], mede gelet op de door de rechtbank aan hem geboden kansen en de aan hem gerichte waarschuwingen, had moeten begrijpen dat hij niet zijn eigen regels mag stellen en dat hij zich had moeten voegen naar de ook voor hem tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling geldende verplichtingen. Dit heeft [appellant] echter nagelaten.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] zijn mogelijkheden tot het verkrijgen van betaald werk heeft verkleind. Zo heeft [appellant] zich bij zijn sollicitatieactiviteiten beperkt tot vacatures in de schoonmaakbranche, heeft hij in de meeste van zijn sollicitatiebrieven steeds aangegeven dat hij uitsluitend beschikbaar is voor 32-40 uur werk per week (hoewel een combinatie van parttime banen een voor de hand liggende mogelijkheid is om uiteindelijk meer inkomsten te verwerven ten behoeve van de schuldeisers) en heeft hij, naar de bewindvoerder onweersproken heeft gesteld, enkele malen gesolliciteerd naar vacatures waarvoor hij qua opleiding en/of werkervaring niet of onvoldoende gekwalificeerd was. Daar komt bij dat [appellant] vanaf het moment waarop hij diende te voldoen aan de sollicitatieplicht niet het vereiste van vier (schriftelijke) sollicitaties per maand heeft gehaald.
Dat [appellant] volgens zijn ter zitting in hoger beroep gegeven verklaring twee weken geleden op basis van een oproepcontract bij een Turks bedrijf is gaan werken (twee uur per dag), doet hier niet aan af. Nog afgezien van het feit dat het hier om een bescheiden dienstverband lijkt te gaan (gegevens hieromtrent heeft [appellant] niet overgelegd), geldt dat de bewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken heeft verklaard dat hij niet van het bestaan van dit contract op de hoogte is. Ook dit acht het hof illustratief voor de wijze waarop [appellant] gedurende de looptijd van zijn schuldsaneringsregeling zijn eigen regels heeft gesteld en zich niet heeft geconformeerd aan het geldende regime.

3.7

Tot slot is het hof van oordeel dat het feit dat de in de schuldsaneringsregeling van [appellant] ontstane boedelachterstand van € 975,12 door een gift van een vriend van [appellant] is voldaan, niet wegneemt dat het ontstaan van een boedelachterstand tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling en het in een zo laat stadium aflossen daarvan (na de eindzitting van de rechtbank op 3 maart 2015), verwijtbaar is.

3.8

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Er is geen sprake van dat deze tekortkomingen wegens hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing dienen te blijven. Aan [appellant] dient daarom de schone lei te worden onthouden. Het hof ziet voorts onvoldoende aanleiding om de duur van de schuldsaneringsregeling van [appellant] te verlengen. Bij dat oordeel laat het hof meewegen dat [appellant] meerdere kansen zijn geboden om zich te voegen naar de - hem veelvuldig voorgehouden - verplichtingen uit de regeling. [appellant] heeft deze kansen echter onbenut gelaten en dat dient voor zijn rekening te komen.

3.9

Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 maart 2015.


Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. van der Beek, A.R. van der Winkel en C.G. ter Veer, en is op 4 juni 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.