Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:4051

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
14-01065
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:347, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is op welk moment de Inspecteur de aanslag heeft bekendgemaakt en of belanghebbende tijdig bezwaar heeft ingesteld tegen deze aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1266
FutD 2015-1463
ERF-Updates.nl 2015-0223
NTFR 2015/1776
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 14/01065

uitspraakdatum: 2 juni 2015

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 augustus 2014, nummer AWB LEE 13/3052, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van [A] (hierna: erflater), overleden op 26 mei 2007, een aanslag in het recht van successie opgelegd van € 826.811 naar een belaste verkrijging van € 1.324.177.

1.2

Het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft ambtshalve de aanslag verminderd tot een bedrag van € 226.888 naar een belaste verkrijging van € 1.068.124.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 14 augustus 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep van de Inspecteur beantwoord.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en drs. [B] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [C] namens de Inspecteur, bijgestaan door [D].

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is de enige erfgenaam van erflater. [E] is legataris.

2.2

De toenmalige gemachtigde van belanghebbende, [F] (hierna: [F]), heeft twee aangiften in het recht van successie ingediend. In beide aangiften heeft hij als domicilieadres vermeld: [a-straat] 16 te [G].

2.3

Uit een systeem van de Belastingdienst waarin in die jaren het opleggen van aanslagen in het recht van successie is verwerkt, het zogenoemde GRS-systeem, volgt dat een aanslag aan belanghebbende is opgelegd met als dagtekening 20 april 2010 . Deze aanslag is volgens de zogenoemde elementennota toegezonden aan het adres [a-straat] 16 te [G]. Op het aanslagbiljet is het woonadres van belanghebbende, [b-straat] 16 te [Z], vermeld. Voorts is op het aanslagbiljet aangegeven dat als toezendadres voor de aanslag gekozen is voor het domicilieadres van de aangifte en dat een eventueel bezwaarschrift voor 1 juni 2010 moet zijn ontvangen door de Belastingdienst.

2.4

In hoger beroep heeft de Inspecteur een rapport van [H] (hierna: [H]) van de Belastingdienst/Centrale Administratie te Apeldoorn van 12 december 2014 overgelegd. Daarin heeft [H] verklaard dat:

- de aanslag is opgenomen in één van drie partijen van documenten;

- deze drie partijen zijn aangeboden aan TNT ter postverzending in de periode van 6 april 2010 tot en met 19 april 2010;

- de drie partijen tijdig en zonder problemen zijn aangeboden aan de postleverancier ter verzending en

- TNT met de Belastingdienst is overeengekomen dat partijen documenten zoals de betreffende drie partijen worden bezorgd binnen 48 uren na aanbieding.

2.5

Op 5 november 2010 heeft [F] telefonisch contact gehad met de Belastingdienst. Hij heeft daarbij verzocht om toezending van kopieën van stukken.

2.6

[F] heeft op 25 maart 2011 naast andere stukken een duplicaat van de aan belanghebbende opgelegde aanslag van de Inspecteur ontvangen.

2.7

[F] heeft in zijn brief van 26 april 2011 als volgt gereageerd op de hem toegezonden stukken:

Wij ontvingen uw brief van 24 maart jl. waarvoor dank.

Waaronder een brief van 9 februari 2010 waarin u verwijst naar “bijgaand taxatierapport”. Wij ontvangen gaarne een kopie van het desbetreffende taxatierapport opgemaakt door de heer [I].

In deze brief vraagt u te reageren voor 2 maart. Mogelijk is een herinneringsbrief verzonden. Voor de goede orde delen wij u mede dat de brief van 9 februari evenals de mogelijke herinneringsbrief onbekend zijn.

De verzonden aanslagen geadresseerd aan [E], [c-straat] 2, [J] en [X], [b-straat] 16, [Z], zijn op beide adressen onbekend.”

2.8

Op 6 september 2011 heeft een medewerker van het kantoor van [F] namens belanghebbende pro forma bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de Inspecteur verzocht om uitstel van indiening van de motivering.

2.9

De Inspecteur heeft in de brief van 10 december 2012 aangekondigd dat hij het bezwaar niet-ontvankelijk wil verklaren. Daarbij heeft hij belanghebbende in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren. In de daarop volgende briefwisseling verzoekt belanghebbende om toepassing van tariefgroep I, omdat belanghebbende meer dan vijf jaar een gezamenlijke huishouding met de erflater heeft gevoerd. De Inspecteur heeft hierop toegezegd de aanslag op dit punt ambtshalve te verminderen. In de brief van de Inspecteur van 6 september 2013 met als kopje “Kennisgeving uitspraak verzoekschrift” heeft de Inspecteur het volgende geschreven:

Beslissing ontvankelijkheid

Het bezwaarschrift is niet tijdig ingediend. Van een verschoonbare termijn overschrijding is mij niet gebleken. Belanghebbende is niet ontvankelijk is haar bezwaar. Niet ontvankelijk betekent dat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Belanghebbende kan enkel in beroep gaan tegen de niet-ontvankelijkheid.

Uitspraak verzoekschrift

U ontvangt binnenkort de uitspraak op het verzoekschrift.”

2.10

Met als dagtekening 1 oktober 2013 heeft de Inspecteur de kennisgeving van de ambtshalve vermindering van de aanslag aan gemachtigde toegestuurd. In de kennisgeving staat vermeld, dat daartegen geen bezwaar gemaakt kan worden en er evenmin beroep tegen open staat.

2.11

Naar aanleiding van een mail van 14 oktober 2013 van de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur met de vraag wanneer de beroepstermijn ingaat, heeft de Inspecteur op dezelfde dag geantwoord:

“voor zover ik kan nagaan heeft collega Fokkens u bij brief van 6 september 2013 willen informeren over de inhoudelijk beslissing op het verzoekschrift. Haar beslissing is geformaliseerd in de kennisgeving met als dagtekening 1 oktober 2013. Er komt niet nogmaals een apart bericht.”

2.12

Het pro forma beroepschrift van belanghebbende is op 11 november 2013 bij de Rechtbank ingekomen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is op welk moment de Inspecteur de aanslag heeft bekendgemaakt en of belanghebbende tijdig bezwaar heeft ingesteld tegen deze aanslag.

3.2

Belanghebbende is van mening dat eerst op 25 maart 2011 door de toezending van de duplicaat-aanslag, de aanslag bekend is gemaakt en dat daartegen tijdig bezwaar is gemaakt met de brief van 26 april 2011.

3.3

De Inspecteur is van mening dat de aanslag uiterlijk op 20 april 2010 is bekendgemaakt en de brief van 26 april 2011 niet als een bezwaarschrift is aan te merken.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur en de aanslag, omdat de aanslag na de in artikel 11, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn is opgelegd.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

4.1

Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het binnen zes weken na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is ontvangen. Wordt een beroepschrift binnen een week na afloop van deze termijn ontvangen, dan wordt het toch als tijdig ingediend aangemerkt indien het binnen de zeswekentermijn ter post is bezorgd.

4.2

De Rechtbank heeft de onder 2.10 genoemde kennisgeving van 1 oktober 2013 aangemerkt als uitspraak op bezwaar. Gelet op de datum waarop het beroepschrift is binnengekomen bij de Rechtbank, 11 november 2013, heeft de Rechtbank belanghebbende ontvankelijk verklaard in haar beroep.

4.3

Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de brief van de Inspecteur van 6 september 2013, niet anders kan worden opgevat dan als een uitspraak op bezwaar. In de brief heeft de Inspecteur onmiskenbaar te kennen gegeven op het bezwaarschrift van belanghebbende te beslissen door dit bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Daarbij heeft de Inspecteur gewezen op de mogelijkheid van beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De beroepstermijn van zes weken vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Dit brengt mee dat de beroepstermijn op 18 oktober 2013 is geëindigd. Het beroepschrift is op 11 november 2013 bij de Rechtbank ingekomen. Het beroepschrift is derhalve ontvangen meer dan een week na afloop van de beroepstermijn.

4.4

Gelet op de datum van ontvangst van het beroepschrift dient te worden onderzocht of een niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht).

4.5

De gemachtigde wijst erop dat hij de uitspraak op bezwaar van 6 september 2013 heeft opgevat als een motivering van de nog later toe te sturen uitspraak op bezwaar. In de brief van 6 september 2013 is naar het oordeel van het Hof niet voldoende duidelijk gemaakt of de nog toe te zenden “uitspraak op het verzoekschrift” ziet op het bezwaar of op het verzoek om ambtshalve vermindering. Ook het kopje van de uitspraak op bezwaar van 6 september 2013, “kennisgeving uitspraak verzoekschrift” wekt verwarring. Aan deze verwarring is een einde gekomen door de onder 2.11 genoemde reactie van de Inspecteur, waarin hij belanghebbende heeft medegedeeld dat er niet nogmaals een apart bericht aan belanghebbende zal worden toegezonden. Naar het oordeel van het Hof had het de gemachtigde als professionele rechtsbijstandverlener op dat moment duidelijk moeten zijn dat de brief van 6 september 2013 de uitspraak op bezwaar is. Hierbij let het Hof mede op de, in de brief van 6 september 2013 opgenomen rechtsmiddelverwijzing en de expliciete opmerking in de kennisgeving van 1 oktober 2013 dat daartegen geen bezwaar en beroep mogelijk is. Derhalve is binnen de beroepstermijn de verwarring inzake de uitspraak op bezwaar opgeheven en restte belanghebbende daarna nog voldoende tijd beroep in te stellen. Bijna drie weken na het verstrijken van de termijn is het beroepschrift bij de Rechtbank ingekomen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in verzuim is geweest door ruim buiten de termijn het beroepschrift in te dienen.

4.6

De Rechtbank had naar het oordeel van het Hof het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4.7

De Inspecteur heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, omdat de Rechtbank zijn standpunt heeft verworpen dat de aanslag vóór de dagtekening is verzonden. Nu het principale beroep niet tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar leidt, is de voorwaarde waaronder het incidentele hoger beroep is ingesteld, niet vervuld. Dat beroep behoeft derhalve geen behandeling (vgl. HR 11 oktober 2013, nr. 11/05660, ECLI:NL:HR:2013:BZ7849, BNB 2014/50).

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Nu het Hof op een ambtshalve bijgebrachte grond het hoger beroep gegrond verklaart, waarbij belanghebbende niet in een betere positie komt aangezien de uitspraak op bezwaar in stand blijft, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en

– verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 2 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Bij verhindering van de voorzitter getekend door,

(K. de Jong-Braaksma)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 juni 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.